"Twaalf kilometer telt de afdaling van hier naar de vallei", pocht berggids Bruno op het zonneterras aan het bergstation van de Kleine Titlis, op 3020 meter hoogte. Wie naar de top van de eigenlijke Titlis wil, nog 200 meter hoger, moet te voet door de diepsneeuw. Een dappere wandelaar, een rode vlek met ski's op de rug, klimt de kam op. Maar de meeste skiërs werpen zich van hier enthousiast de gletsjer af. Tijdens het seizoen doet mijn gastheer graag mee aan de wekelijkse nachtelijke afdaling, enkel in het licht van de volle maan en honderden fakkels. Na een avondmaal in het panoramische restaurant van de Titlis overbruggen de nachtraven een hoogteverschil van 2000 meter, een zigzaggende sliert vuurvliegjes in een krakend wit decor. "Een magische ervaring", mijmert Bruno. Zelf ga ik ondergronds en neem een kijkje in de gletsjer, waar een 150 meter lange tunnel uitgegraven werd. Het gangenstelsel bereidt me voor op mijn nacht in het ijs, op het microklimaat in de bevroren wereld onder het gletsjeroppervlak. Het vriest er nauwelijks één graad, dus dat valt mee.
...

"Twaalf kilometer telt de afdaling van hier naar de vallei", pocht berggids Bruno op het zonneterras aan het bergstation van de Kleine Titlis, op 3020 meter hoogte. Wie naar de top van de eigenlijke Titlis wil, nog 200 meter hoger, moet te voet door de diepsneeuw. Een dappere wandelaar, een rode vlek met ski's op de rug, klimt de kam op. Maar de meeste skiërs werpen zich van hier enthousiast de gletsjer af. Tijdens het seizoen doet mijn gastheer graag mee aan de wekelijkse nachtelijke afdaling, enkel in het licht van de volle maan en honderden fakkels. Na een avondmaal in het panoramische restaurant van de Titlis overbruggen de nachtraven een hoogteverschil van 2000 meter, een zigzaggende sliert vuurvliegjes in een krakend wit decor. "Een magische ervaring", mijmert Bruno. Zelf ga ik ondergronds en neem een kijkje in de gletsjer, waar een 150 meter lange tunnel uitgegraven werd. Het gangenstelsel bereidt me voor op mijn nacht in het ijs, op het microklimaat in de bevroren wereld onder het gletsjeroppervlak. Het vriest er nauwelijks één graad, dus dat valt mee. Vanaf het uitzichtpunt genieten we van de Zwitserse Alpen, een 360° panorama witte pieken, flirtend met vierduizend meter. De Jungfrau, de Eiger en andere iconen domineren het uitzicht, maar de Chinese toeristen hebben vooral aandacht voor een wat anonieme spitse rots ten oosten van het terras. In 1996 'ontdekte' de Chinese atleet Donghua Li tijdens zijn voorbereidingen voor de Olympische Spelen in Atlanta hier een boeddhabeeld, versteend en gebeeldhouwd in ijs, een wonder van de natuur. Magie, voorwaar. Toegegeven : de piramidale rots op een rechthoekige basis lijkt van op deze afstand sprekend op de zittende Maitreya, de leermeester in kleermakerszit, de linkerarm in zijn schoot, de rechterarm losjes neerhangend. De trainende atleet bad de natuurlijke Boeddha voor olympische eer. En zie, enkele maanden later won de gymnast de gouden medaille. Sindsdien telt Engelberg één attractie - en veel Chinese pelgrims - extra. De olympische turnkampioen was lang niet de eerste om hier getroffen te worden door een goddelijke inspiratie. De geschiedenis van Engelberg wortelt in traditie en geloof. Volgens de overlevering verscheen Maria in een visioen aan de middeleeuwer Konrad von Sellenbüren, onderweg uit Zürich via de Jochenpas. "Span uw os voor uw kar", sprak de Maagd, "en waar hij blijft stille staan, waar sneeuwbedekte bergen de hemel raken, bouw je een klooster ter ere van Zijn naam." In de geïsoleerde vallei waar zijn os halt hield, bouwde de mysticus een gebedshuis. Een tweede miraculeuze gebeurtenis deed zich voor toen Konrad en abt Adelhelm rond 1120 mediteerden over een gepaste naam. Terwijl ze naar de Hennenberg keken verscheen een hemels jubelend engelenkoor. Engelberg was een feit. De abdij, met schilder- en schrijfschool, groeide snel uit tot een hoog gewaardeerd kenniscentrum in de Alpen. Nog steeds is het benedictijnenklooster het belangrijkste gebouwencomplex van Engelberg én de op één na belangrijkste werkgever van de gemeenschap. Nog 31 monniken leven er, de oudste 97, de jongste 29. Waartoe monnikengeduld in staat is, zie je tijdens een rondleiding door het klooster. De bibliotheek is imposant, het achttiende-eeuwse trompe-l'oeilparket lijkt driedimensionaal en de barokkerk huisvest het grootste orgel van Zwitserland : 9000 pijpen, van 10 cm tot 9 meter lang. Maar het opmerkelijkste, gebenedijde werk is de kloosterzaal versierd met marqueterie, gedetailleerd inlegwerk van minuscule stukjes hout van allerlei kleuren en tinten dat Bijbelse taferelen tot leven brengt. De decoratieve legpuzzel, het levenswerk van broeder Colomban Louis, confronteert me met mijn eigen onhandigheid en ongeduld. Desalniettemin, diee iglo zal ik bouwen. Op een sneeuwwitte vlakte langs de bevroren Trübsee introduceert berggids Bruno zijn volgelingen in de kunst van het iglobouwen. "Wie tijdens een winterexpeditie helemaal alleen een noodbivak behoeft, heeft geen andere optie dan een sneeuwhol uit te graven", steekt Bruno van wal. "Maar een duo dat dekking zoekt voor de nacht, kan gemakkelijk samen een iglo bouwen waarin het comfortabel toeven is." Veel hebben we er niet voor nodig : een zaag, een spade en wat ruimtelijk inzicht volstaan. Kinderspel, voor al wie opgroeide met Lego. Dit blokkenspel komt evenwel niet in een kartonnen doos ; onze kille bouwstenen, rechthoekige blokken, ongeveer 60 cm lang en 40 cm dik, zagen we uit de sneeuw. Met de spade tekent Bruno een cirkel met een diameter van ongeveer 2 meter. "Op deze lijn stapelen we de bouwstenen, als een naar de top versmallende spiraal". De eerste bouwsteen krijgt een wigvorm, waartegen de volgende blokken gestapeld worden, licht naar binnen hellend. Van een ingang trekken we ons nu nog niets aan, dat komt later. "Opgelet, je mag de sneeuwblokken niet op hun zijde kantelen", waarschuwt de instructeur. "Je moet de stenen horizontaal neerzetten, precies zoals ze uitgegraven en gezaagd werden. Als je ze op hun kant zet, lopen de breuklijnen in de sneeuw verticaal. Dat verzwakt de constructie." Met man en macht zagen we blokken uit de harde sneeuw. Als volleerde kathedralenbouwers stapelen we rij op rij, telkens halverwege de onderliggende laag beginnend. Af en toe verpulvert een sneeuwblok tussen de graafput en de iglo in aanbouw, maar de voorraad bouwmateriaal lijkt onuitputtelijk. Niet iedereen zaagt de blokken even groot. Bruno, midden in de cirkel, past de bouwstenen in de muur en schaaft ze op maat voor ze hun definitieve plaats krijgen. "Door hun eigen gewicht komen de blokken vast te zitten", verklaart Bruno. "De rijen moeten telkens iets meer naar binnen hellen, zoals in een Romaanse koepel". Onze stolp, concentrisch gestapeld, krijgt langzaam vorm. De sluitsteen op het dak vraagt enkele pogingen, maar dan is de ruwbouw klaar. Bruno zit nu ingemetseld onder de witte halve bol. Handig als een mol graaft Bruno met zijn spade een sifonvormige toegangspijp. "Wind is onze vijand", licht Bruno toe. "Om comfortabel en winddicht te zijn, moet de ingang lager liggen dan het slaapgedeelte." De kieren en gaten in onze niet écht perfecte constructie vullen we op met losse sneeuw. "Eens winddicht, zakt de temperatuur in de iglo niet onder het vriespunt, zelfs bij buitentemperaturen van -20", verzekert hij. "Met twee personen en een kaarsje krijg je de iglo zelfs enkele graden warmer. Maar als we er écht in zouden willen slapen, moeten we ook de binnenkant van onze iglo mooi gladstrijken zodat er niet voortdurend condenswater op de slaapzakken druppelt", besluit Bruno. "Morgenochtend is de sneeuw zo vastgevroren, dat je probleemloos op het dak kunt gaan staan." Geduld loont, want als iemand al te enthousiast dadelijk de stevigheid van onze sneeuwhut test, zakt hij pardoes door het dak. Dat kan beter. In 1996 bouwde Adriaan Günter drie iglo's in de bergen, waar hij enkele nachten doorbracht met vrienden. De belangstelling was groot, het succes instant. Anno 2009 bouwt de ondernemer elke winter op zes locaties in de Alpen een tijdelijk iglodorp. In de witte wildernis van de Trübsee vallen de blanke piramides nauwelijks op. Het sneeuwhotel, inclusief mooie gemeenschappelijke ruimten onder enorme koepels, lijkt net als een eenvoudig Eskimo-onderkomen te verdwijnen in het landschap. Begin december draaien de sneeuwmachines overuren om een dik pak sneeuw op de bouwballonnen te spuiten. Honderd dagen later smelt het hotel spoorloos weg. Kunstige friezen op de wanden, de kleine nis waarin een kaars flikkert en het massieve bed waarop ik zal slapen : in mijn hagelwitte kamer is alles met kettingzagen en beitels gesneeuwhouwd door kunstenaars. Een dikke laag schapenvellen op het sneeuwbed isoleert me van het ijs. "De slaapzak is geschikt tot extremen van -40", troost de gastvrouw. In het hotel heerst een constante temperatuur van ongeveer -1. Onze hete fondue (het standaardmaal dat de keuken in deze primitieve omstandigheden aankan) eten we dus ingeduffeld met muts en sjaal. Toch is het hier niet koukleumen. Na het avondmaal warmen we ons in het bubbelbad, een warme poel onder een magnifieke sterrenhemel. Het weldadige water verlaten, dat lijkt het moeilijkste moment van de avond. Door de sneeuwwitte gangen rep ik mij naar mijn bed. Als het gezond is om in een kille kamer te slapen, wordt dit mijn gezondste nacht ooit. De donszak houdt mij perfect warm. Mijn adem bevriest terwijl ik indommel. Tekst en foto's Jo Fransen