Luxemburg heeft met zijn wijn wel een erg lange weg afgelegd. Van 1842 tot 1919, toen de Eerste Wereldoorlog voor Duitsland slecht afliep, vormde Luxemburg met dat Duitsland een douane-unie. Gedurende bijna honderd jaar heeft de Duitse groothandel de wijnbouw volkomen gebanaliseerd : enorme rendementen zorgden voor smakeloze, waterachtige, zure wijntjes waarmee de Duitse groothandel dan Sekt kon maken. In 1918 bleef Luxemburg verweesd achter met minderwaardige wijngaarden en vooral een minderwaardige wijnnproductie. Het eerste antwoord was er een van onderlinge solidariteit : in 1921 werd de eerste coöperatie opgericht in Grevenmacher en vanaf 1922 komt er een economische unie met België, waar geen schuimwijn gemaakt wordt. Van dan af is witte toogwijn in België altijd Luxemburgs.
...

Luxemburg heeft met zijn wijn wel een erg lange weg afgelegd. Van 1842 tot 1919, toen de Eerste Wereldoorlog voor Duitsland slecht afliep, vormde Luxemburg met dat Duitsland een douane-unie. Gedurende bijna honderd jaar heeft de Duitse groothandel de wijnbouw volkomen gebanaliseerd : enorme rendementen zorgden voor smakeloze, waterachtige, zure wijntjes waarmee de Duitse groothandel dan Sekt kon maken. In 1918 bleef Luxemburg verweesd achter met minderwaardige wijngaarden en vooral een minderwaardige wijnnproductie. Het eerste antwoord was er een van onderlinge solidariteit : in 1921 werd de eerste coöperatie opgericht in Grevenmacher en vanaf 1922 komt er een economische unie met België, waar geen schuimwijn gemaakt wordt. Van dan af is witte toogwijn in België altijd Luxemburgs. De coöperatietrend heeft zich voortgezet : vandaag zijn er zes grote coöperaties, sinds 1966 overkoepeld door Vinsmoselle, een megacoöperatie die met 815 leden instaat voor 62 procent van de totale Luxemburgse wijnproductie. 21 procent van de Luxemburgse wijngaarden (1355 hectare) werkt voor Les viticulteurs indépendants: 53 wijnbouwers die zelf hun wijnen bottelen en werkzaam zijn buiten het coöperatie-circuit. 17 procent van de wijngaarden is in handen van de groothandel. Coöperaties zorgen voor het welzijn van hun leden, wat niet altijd de beste wijnen oplevert. In 1935 ging de Luxemburgse overheid er zich mee bemoeien en werd de Marque Nationale geïnstalleerd : een vermelding op een speciaal halsetiketje op elke fles die een kwaliteitscontrole was gepasseerd. Een proefcommissie van 12 leden bestaande uit wijnbouwers, horecamensen en consumenten, proeft de wijnen blind en klasseert de kwalilteit in drie klassen : Vin Classé, Premier Cru, Grand Premier Cru en een laagste klasse van de 'gewoon geaccepteerde'. Het is belangrijk om erop te wijzen dat de origine hier niet meetelt : een wijn met vermelding Marque Nationale Grand Premier Cru hoeft dus niet te komen van een beroemd perceel, voor de proefcommissie telt enkel de naakte kwaliteit in het glas. Het is dus in principe een consumentvriendelijk systeem. Originegarantie is vooral interessant voor de wijnboeren, voor de productiezijde. Het Luxemburgs systeem gaat wat terug op het Duitse waar eenzelfde perceel ook verschillend geklasseerde wijnen kan voortbrengen, daar Prädikat genoemd. Maar de trend overal ter wereld, van Californië tot Australië, is dat men nu juist de origine gaat bevestigen : Frankrijk achterna. De Luxemburgse terminologie van Cru Classé en dergelijke, schept dan ook veel verwarring : in Frankrijk verwijst deze terminologie in Bourgogne naar percelen, in Bordeaux naar châteaus. Klap op de vuurpijl komt in 1985 : de Europese Commissie laat voor wijnen met het etiket van Marque Nationale de vermelding Appellation Contrôlée Moselle Luxembourgeoise toe. Hiermee wordt heel Luxemburg tot één enkele origine verheven en worden de lokale gewoontes en de regels van de appellation gerespecteerd : de verwarring is nu helemaal compleet. Zoals gezegd : de term Premier Cru op een Luxemburgs etiket verwijst niet naar een bijzondere wijngaard maar naar een bij commissie vastgestelde kwaliteit van een lot wijn. Vanaf 1991 is er een productie van schuimwijn op gang gekomen onder de naam Crémant de Luxembourg. Een terugkeer naar de praktijken van de Duitse groothandel voor 1918 om de lagere kwaliteit een zekere bubbelglans mee te geven. Pinot Blanc 2001, Premier Cru, Caves de Greveldange, Marque NationaleKleine kleurconcentratie met een gele nuance en een herkenbare neus van pinot blanc. De smaak is redelijk gevuld en zelfs wat gestructureerd. Goede, kleine, frisse wijn. (Colruyt : 5,41 euro). Pinot Gris 2001, Caves de Wellenstein, Marque NationaleKleine kleurconcentratie met een gele nuance en een pinot-neus met een heel klein beetje diepte. De smaak is dun zuur-zoet, kort en wee. (Carrefour : 5,09 euro). Riesling 2001, Stadtbredimus Dieffert, Les Domaines de Vinsmoselle, Marque NationaleFrisse, geelgroene kleur maar een zeer dunne neus en dito smaak. Als riesling onherkenbaar. (Delhaize : 4,30 euro). Riesling 2001, Bêch-Kleinmacher Naumberg, Caves de Wellenstein, Marque NationaleUiterst lichte kleurconcentratie en een heel dunne en ijle fruitneus. De smaak is van zuur water met niets : geen vulling en geen lengte. (Carrefour : 3,99 euro). Riesling 2001, Premier Cru, Les Domaines de Vinsmoselle, Marque NationaleFrisse, geelgroene kleur en een goede neus met rieslingpresence. Ronde en frisse smaak met wat structuur en lengte. Goede, kleine, frisse wijn. (Colruyt : 5,68 euro). Pinot Blanc 2001, Stadtbredimus Dieffert, Les Domaines de Vinsmoselle, Marque NationaleFrisse, geelgroene kleur en een dunne ijle neus. De smaak is haast onbestaande. (Delhaize : 4,19 euro). Besluit : Colruyt heeft goed gekozen : vanaf Premier Cru begint de wijn pas. Al wat daaronder zit, is ten hoogste tafelwijn. Herwig Van Hove I Foto's Gerald Dauphin