Van de zes kinderen uit een links arbeidersgezin uit Tielt, ben ik de jongste. Wat maakt dat ik nergens voor heb moeten vechten. Mijn oudere zussen en broers hadden voor mij alle paden geëffend. Mijn energie heb ik niet in revoluties moeten steken. De oudsten hebben veel meer hun weg moeten zoeken, in een arbeidersgezin ligt de informatie niet voor het grijpen. We hadden geen grote bibliotheek bijvoorbeeld, maar van jongs af aan had ik al Knack en Humo en De Nieuwe ter beschikking. De oudsten brachten dat in huis. In een heel groot gezin opgroeien en er dan ook nog de jongste zijn, is fantastisch.
...

Van de zes kinderen uit een links arbeidersgezin uit Tielt, ben ik de jongste. Wat maakt dat ik nergens voor heb moeten vechten. Mijn oudere zussen en broers hadden voor mij alle paden geëffend. Mijn energie heb ik niet in revoluties moeten steken. De oudsten hebben veel meer hun weg moeten zoeken, in een arbeidersgezin ligt de informatie niet voor het grijpen. We hadden geen grote bibliotheek bijvoorbeeld, maar van jongs af aan had ik al Knack en Humo en De Nieuwe ter beschikking. De oudsten brachten dat in huis. In een heel groot gezin opgroeien en er dan ook nog de jongste zijn, is fantastisch. Een heel gevoelige jongen was ik. Flarden dialogen, blikken ving ik op en ik stockeerde ze. Ik verzon er verhalen bij al heb ik ze nooit opgeschreven. Die puzzels waaruit mensenlevens bestaan, waren mijn universum. Erg ambitieus ben ik nooit geweest. Op het college, ik deed Latijn-Grieks, moest ik niet per se de beste punten halen. Van in het begin weigerde ik mee te doen aan de ratrace. Maar als we een paper mochten maken over iets dat ons interesseerde, ging ik voluit. Ik besprak bijvoorbeeld Teorema van Pasolini op vijftig pagina's, kreeg tien op tien en vond dat ik voor dat jaar wel mijn ding had gedaan. Toen ik nog in Tielt woonde als jonge man vond ik me helemaal niet terug in de clichés rond homoseksualiteit in de media. Toen ben ik in mijn eentje beginnen zoeken. Op mijn vijftiende ben ik bij Jean Genet en Rainer Werner Fassbinder terechtgekomen, al was dat misschien een beetje zwaar voor die leeftijd. Het zogenaamde schoonheidsideaal binnen homokringen heeft mij nooit aangesproken. Ik behoor tot de 'Bears'. In die groep is het niet belangrijk welk merk je draagt of welke aftershave je gebruikt. In België zou ik nooit ergens anders dan in Brussel willen wonen, omdat dat de enige echte stad is. Al vind ik het waanzinnig fijn om vaak naar Tielt te gaan. Ik heb er vier jaar terug ook gewoond, na twintig jaar Brussel, om voor mijn moeder te zorgen na de dood van mijn vader. Dat was zeker niet lastig, maar het was heel vreemd dat ik om kwart voor negen besefte : de stadspoorten zijn gesloten, de laatste trein richting Brussel vertrekt. Ik rijd immers niet met de auto. Het besef dat ik daar dan moést blijven tot de eerste trein om kwart voor zes ging... Die tijd opnieuw in Tielt was ook een harde confrontatie, hoezeer ik ook verbonden gebleven ben met mijn roots. Ik ga nog altijd pinten drinken in een volkscafé met de vrienden van mijn vader, die nu jammer genoeg Vlaams Belangers geworden zijn in plaats van socialisten. Door hen word ik nog altijd aanvaard, omdat ik de zoon van Rafaël ben. Die periode heeft me doen nadenken. Na twintig jaar Brussel was de ironie toch wel zeer fel aanwezig in mijn leven. De kuiltjes in mijn wangen waren kraters geworden. De dood van mijn vader was een harde confrontatie voor mij en voor al mijn broers en zussen. We hadden met hem een bizarre haat-liefdeverhouding, met weliswaar een heel grote component liefde en altijd met veel respect. Op zijn doodsprentje heb ik geschreven dat er geen communicatie was tussen ons. Ik wou er geen heiligverklaring van maken. Hij ging elk gesprek uit de weg of stuurde me naar moeder. Ik naderde toen de veertig en besefte dat ik ook geen communicatiewonder ben. Mijn vader heeft nooit gereageerd op mijn homoseksualiteit. Maar ik was dan ook al de zesde die met een partner thuiskwam, hij had al wat meegemaakt. Ik ben op een dag thuis aangekomen met mijn eerste vriend, Edward, een Ier uit Dublin. Ik had er nooit eerder wat over gezegd en had besloten om doodnormaal te doen. Van mijn broers en zussen hoorde ik wel dat vader er moeite mee had, maar aan mij heeft hij dat nooit laten merken. Edward was thuis altijd welkom. Toen ik na zijn dood weer in Tielt woonde, heb ik besloten om het gigantische project Meneer Doktoor aan te vatten. Voor de eerste keer in mijn leven wou ik er geen genoegen mee nemen alleen maar over het idee te praten, ik wou het ook daadwerkelijk uitwerken in een boek en in een televisieserie. Twee jaar lang ben ik met trein en bus al die dokters gaan bezoeken. 63 lange interviews heb ik uitgeschreven. Heel hard werken en communiceren via een boek en straks via een televisieserie, dat is voor mij totaal nieuw. Ik ben altijd een brievenbusauteur geweest, ik werd overal gevraagd. Toen ik nog op de filmschool zat, werd ik aangezocht om filmrecensies voor Humo te leveren. Daarna werd ik gevraagd om het scenario voor de VTM-reeks Moeder waarom leven wij ? te schrijven. Ik rolde zo van project naar project, deed vrij interessante dingen. Rond mijn veertigste besefte ik door de dood van mijn vader hoe ik krek hetzelfde deed als hij : niet communiceren. Nu ben ik wel blij met dat keerpunt van vier jaar geleden. Ik heb ook ontdekt dat het absoluut niet erg is om keihard te werken, dat heb ik misschien wel van die oude dokters geleerd. Veertig jaar worden is voor mij echt wel een scharnierpunt geweest. Ik was thuis altijd al een beetje een rare, degene die op zijn negentiende naar Brussel wou vertrekken om film te gaan studeren. In de ogen van mijn ouders moest je rijk zijn om films te maken, ik moest maar geschiedenis doen volgens hen. Toen ben ik een volledig jaar in de fabriek gaan werken, omdat ik niet naar de filmacademie mocht. Heel mijn studietijd heb ik trouwens gewerkt om in mijn eigen levensonderhoud te voorzien. Maar behalve dat ene jaar in de fabriek ben ik nooit in loondienst geweest. Onafhankelijkheid is ongelooflijk belangrijk voor mij. Nu leid ik een erg regelmatig leven. Ik ga elke dag werken bij Woestijnvis om de reeks Meneer Doktoor af te maken. Maar als ik naar Vilvoorde ga, moet ik bij manier van spreken elke dag kunnen doorrijden naar Zaventem en sito presto naar New York vertrekken. Dat niets mij daarvan kan weerhouden, moet ik mij elke dag opnieuw voor ogen houden. Anders hou ik het niet vol. Ik heb geen carrièreplan, nooit gehad, ik ben geen naam in medialand, ik weiger 99 van de 100 invitaties voor feestjes. Ik vertik het daarmee bezig te zijn. Maar het werken aan dit nieuwe grote project geeft mij wel veel voldoening. Pas op, ik heb professioneel nooit last gehad van valse bescheidenheid. Maar ik gebruik nooit mijn ellebogen om een project erdoor te krijgen. Zodra er ergens een kloot in mijn gezichtsveld komt die per se mijn job wil, heb ik de neiging om te zeggen : "Je mag hem hebben." Ik vind het niet de moeite om het gevecht aan te gaan. Ik woon nu al bijna een jaar terug in Brussel, in Sint-Gillis. Ook in periodes dat ik een minder regelmatig leven heb, vind ik het fantastisch dat je in deze stad op je eigen ritme kunt leven. Om twee uur 's nachts kan ik hier nog een kip vinden en alle ingrediënten om ze klaar te maken. Die gedachte alleen al is geweldig. Ik ben 44, postpunk en pre alles. Wij postpunkers zijn niet echt een generatie maar wel de eersten die konden beginnen shoppen. Mijn oudste broers en zussen zaten in de jaren 1960, begin jaren 1970, dat was een duidelijke stroom van mensen op één lijn. Daarna kwam de punk, in al zijn nihilisme was dat eigenlijk ook een filosofie. Mijn generatie heeft die eenheid niet. Al van toen ik heel jong was heb ik heel veel gelezen, ik deed niets liever dan naar de bibliotheek gaan. Ik was betrokken bij de Wereldwinkel en bij andere geëngageerde toestanden. Tot mijn veertiende las ik Piet Van Aken, werkmensenromantiek, daarna zou ik normaal hebben moeten evolueren naar Hugo Claus of Louis-Paul Boon. Maar ik heb dat overgeslagen en ben meteen Jean Genet gaan lezen en Céline. Mijn filmsmaak ging meteen uit naar Fassbinder en Pasolini, voor mijn achttiende had ik al hun films gezien. Wij waren de eerste generatie voor wie de wereld openlag. De punkers hadden heel veel dingen losgewroet en wij, die er net achteraan kwamen, hebben daar de vruchten van geplukt. Voor het eerst konden veel culturen naast elkaar bestaan. Ik word nog maar weinig ontroerd door het grote. Hele kleine dingen raken mij meer. Het fragiele van zowel mensen als gebouwen. Schoonheid zit voor mij ook vaak in trots. Ik hou van mensen die graag doen wat ze doen en zich dan inspannen voor het best mogelijke resultaat. Het begint met iemand die er aandacht aan schenkt om een goed getapte pint te serveren. Dat kan mij ontroeren. Schoonheid heeft nog maar weinig te maken met televisie. Al zie je bijna geen lelijke of slechte beelden meer. Het is allemaal mooi, proper en afgelikt. Maar er blijven ook bijna geen interessante beelden over. Er is een soort standaardschoonheid ontstaan. Je kunt zappen van VT4 langs VTM, naar Eén. Alle beelden zijn schoon, maar vervlakt naar een soort professionaliteit die vaak totaal niet interessant is. Er is zeker een reactie waar te nemen, onder andere met de zogenaamd realistische fotografie, waar ook de reclame op springt. Maar dat wordt dan weer op zijn beurt een modieuze stroming, omdat ze een soort omgekeerd elitarisme creëert. Ik heb de ironie niet helemaal afgezworen maar dat valse gewone en volkse vind ik toch ook niet interessant. Mensen die zich verongelijkt voelen, vind ik lelijk. Vooral in het Vlaams-nationalisme stoort me het eeuwige gezeik dat over niets gaat. Dat Calimerogedoe. Ik ben heel vaak in Dublin geweest, we hadden er zowel vrienden bij de katholieken als bij de protestanten, daar zaten aan beide kanten nationalisten. Maar daar was tenminste nog een reflectie naar cultuur, ze waren aan beide zijden belezen en melomaan. Bij de NV-A zeuren ze altijd over Vlaamse cultuur maar behalve dat Geert Bourgeois ooit iets gezegd heeft over Laura Lynn, hebben ze zich nooit verbonden met een schrijver, een beweging of een kunststrekking. We zijn een klein besloten gebied. Iemand van Tielt die in Brussel gaat wonen, dat wordt al bekeken als een gigantische stap. Ik merk dat veel van mijn nichtjes en neefjes ervoor kiezen naar Tielt terug te keren, nadat ze vier jaar in Gent of in Brussel gestudeerd hebben. Je kunt zeker in Tielt wonen en georiënteerd zijn op de wereld, maar ik woon in Sint-Gillis waar 123 nationaliteiten en culturen naast elkaar leven. Hier kom je op een vanzelfsprekende manier in aanraking met de positieve en negatieve facetten daarvan. Ik heb ook een afkeer van het universum der glorieuzen, de mensen die denken dat ze alles weten. In de Vlaamse media zijn het telkens de vijf of tien zelfde mensen die hun mening over alles moeten geven. Op den duur wordt dat heel besmuikt en vies in mijn ogen. Bij mijn recente verhuizing vond ik in een oude doos een pak filmkritieken terug die ik als jonge twintiger voor Humo schreef. Het ontroerde mij te ontdekken dat ik telkens maar een deeltje van mijzelf investeerde. In het ene stukje was ik de intellectueel, in het andere de arbeiderszoon, in nog een ander de estheet van de filmacademie. Nu merk ik, en dat heeft zeker te maken met ouder en wijzer worden, dat ik al die facetten in één kan verenigen op een complexloze manier. Vroeger zou ik vooral uit het esthetische vaatje getapt hebben als ik met mijn vrienden van de filmacademie sprak, en in het café in Tielt was ik de arbeiderszoon. Misschien heeft dat vermogen tot synthese ook te maken met meer evenwicht vinden. Dat is voor mij een geruststelling. Door mijn autonome manier van leven probeer ik te ontsnappen aan machtsstructuren. Als je alle films van Fassbinder hebt gezien rond je zestiende, komt onvermijdelijk het besef dat in het leven alles rond macht draait, in het groot en in het klein. Als je daarin wil meedraaien moet je een carrièreplan hebben, moet je concessies doen. Al is macht ook niet noodzakelijk en altijd vies. Maar je moet het spel absoluut doorzien, zeker als je eraan deelneemt. Je moet blijven beseffen dat macht gevaarlijk is. Ik kan vervallen in niet te harden stiltes, die voor de mensen rondom mij pijnlijk zijn. Ik voel dan dat als ik een uur zou praten met de andere, er geen conflict meer zou zijn. Maar dat lukt niet. Af en toe voel ik nog altijd een stukje van mijn vader in mij : die totale communicatieblokkage. Ik ben dan woedend op mezelf. Maar woede is voor mij zo'n sterke emotie dat ik ze voor mij houd of voor mijn aller-, allerbeste vrienden. Al de rest is de moeite niet waard om die woede aan te verspillen. Mijn woede slaat naar binnen, het wordt een muur in gewapend beton, die niets of niemand meer binnenlaat. Het gaat veel beter tegenwoordig, maar als het opkomt is het niet te harden. Het maakt mij fysiek misselijk, tot kotsen toe. Een keer je 44 bent geworden, vind ik het ook dwaas om nog te proberen te voldoen aan wat anderen van je verwachten. Heel veel mensen, vooral in mijn vak, zijn daar constant mee bezig. Ook bijzonder intelligente mensen. Dat is jammer. Ik kom uit een typisch West-Vlaams gezin. Mijn moeder ging naar de kerk, mijn vader niet. Terwijl mijn moeder eigenlijk de echte felle socialiste was. Wij kinderen gingen toch in haar voetspoor ter kerke. Ik ben misdienaar geweest, naar een katholiek college gegaan. Rond mijn veertiende, vijftiende heb ik dat probleemloos afgeschud. Het beleven van religie door andere mensen vind ik wel waardevol. Ik ga met plezier met mijn vriend mee naar een eredienst in een Parijse liberale synagoge. Geweldig om mee te maken. Als ik met vakantie ben in India zal ik ook tempels bezoeken. Het rituele trekt mij daar aan, het theatrale ook. Het gadeslaan van een gemeenschap in reflectie. Ik vind het mooi daarvan getuige te kunnen zijn, zonder dat ik daaraan hoef deel te nemen. De verbondenheid die zij daar vinden, zoek ik op andere plaatsen. Bijvoorbeeld op een concert van een groep die ik ongelooflijk goed vind. Ik ben al mijn hele leven fan van Roxy Music. Het bijwonen van zo'n concert is een ritueel van verbondenheid. Je staat met tienduizend te wachten, af te tellen als pubers, ook al ben je dan 44. Je zweet, je zit samen in hetzelfde bad met als doel hetzelfde mee te maken. Ook in de cinema heb je dat. Daarom alleen al is een film in de cinema bekijken veel intenser dan thuis op dvd. Ik kan ongelooflijk goed luisteren, het is een van de weinige talenten die ik heb. Maar ik moet me daartegen beschermen. Als ik op een tram of een trein stap en flarden opvang van dialogen, of ik zit te kijken en zie onmiddellijk hoe relaties tussen mensen zitten, dat een vrouw mot krijgt van haar man of geterroriseerd wordt door haar zoon, dan gaat mij dat allemaal aan het hart. Ik ben een spons, ik zuig alles in mij op. Daarvoor moet ik me absoluut meer afsluiten. Na dat halfuurtje openbaar vervoer van Sint-Gillis tot Vilvoorde kom ik soms totaal gedeprimeerd aan op mijn werk. Twintig levens gaan dan aan mij voorbij. Het is hoogstwaarschijnlijk ook een stukje beroepsmisvorming, de dialogen liggen overal voor het oprapen, maar ze zijn soms te veelvuldig. Nu neem ik altijd een iPod mee met een favoriet muziekje om me af te schermen.Door Tessa Vermeiren l Foto's Saskia Vanderstichele