Vintagedesign is in, zoveel is zeker. Maar waarom wordt het ene stuk wel een nieuw leven gegund en belandt het andere onder het stof ? En wie worden morgen de iconen, met andere woorden : welke designaankopen lonen nu als investering ? Twee specialisten, een vintageantiquair en een designhandelaar, antwoorden.
...

Vintagedesign is in, zoveel is zeker. Maar waarom wordt het ene stuk wel een nieuw leven gegund en belandt het andere onder het stof ? En wie worden morgen de iconen, met andere woorden : welke designaankopen lonen nu als investering ? Twee specialisten, een vintageantiquair en een designhandelaar, antwoorden. Nee, veel oude rommel blijft quasi waardeloos. Om die vraag te beantwoorden moeten we naar het verleden kijken. Er schuilt een mechanisme achter wat waardevol wordt, historisch en financieel. Een eerste reden ligt voor de hand. Wat nu waardevolle vintage is, was ook destijds prijzig. Toen kocht niet iedereen kostbaar design, het was ook moeilijk verkrijgbaar en werd meestal op kleine schaal gemaakt. Er moet wel een zeker volume zijn, zodat er zich een vraag, een markt en een prijs kunnen vormen, anders pikken de handelaren het niet op. Hangt ervan af, unica van een grote naam als Gio Ponti of Jean Prouvé zijn de top. Maar een uniek stuk van een alleen maar lokaal bekende naam krijgt geen echte meerwaarde. Dat is zeer belangrijk. Wat ooit uitgebreid werd gepubliceerd in een boek of blad, wat op een tentoonstelling stond, kan uitgroeien tot een designklassieker. Een product van een onbekende firma dat quasi ongemerkt op de markt komt, wordt over veertig jaar ook geen hit. Via oude publicaties worden designers herontdekt, zoals enkele jaren geleden Willy Van Der Meeren en Alfred Hendrickx. Veel mensen vergeten echter dat die ook vroeger een grote naam hadden, ze raakten in de jaren zestig en zeventig in de vergeethoek. Zelfs Pierre Paulin maakte zo'n dipje mee tot hij in de jaren negentig opnieuw werd opgevist. Ook het design van Jules Wabbes, destijds zeer duur, bleek op een bepaald moment onverkoopbaar, in de jaren negentig keerde ook zijn lot. Zo'n dipje duurt makkelijk twintig of dertig jaar. Daarna wordt het door avant-gardecollectioneurs weer afgestoft en gewaardeerd, niet zelden zijn dat handelaren die verzamelen. Zij stuwen de vintage op de markt. Objecten die destijds als innovatief of anders werden beschouwd. Een mooi voorbeeld is het wandsysteem dat Wim Rietveld voor Gispen ontwierp en dat op de Triënnale van Milaan in 1955 de Compasso D'Oro kreeg. Het werd veelvuldig gepubliceerd. Rietveld raakte ook wat vergeten, maar nu is zo'n systeem goed voor een galerieprijs van 4500 à 5000 euro. Het wandsysteem van Rietveld heeft kleurtjes. Momenteel zijn kleuren in. Over tien jaar misschien niet meer en gaat alle aandacht naar wit, grijs en zwart. Het wandsysteem is ook transparant. Momenteel zijn massieve meubelen uit de gratie, wat onder meer het succes verklaart van de draadmeubelen, ook in het hedendaagse design. In de vintage zitten er dus echt trends, denk maar aan het Scandinavische design dat nu minder scoort dan pakweg acht jaar geleden. Enkele topstukken behouden hun hoge waarde, de rest daalt. De meeste buffetkasten worden verkocht voor 600 tot 1500 euro en soms vind je al een set van zes stoelen voor 300 euro. Vandaag is de belangstelling groter voor de jaren zeventig en tachtig. Geniet van wat je koopt en denk niet te veel aan een investering. Want bekijk het ook eens zo : wie in de jaren vijftig een meubel kocht van Ponti voor 500 dollar, wat toen een smak geld was, kan dat meubel nu misschien verkopen voor 10.000 dollar. Had hij die 500 in iets anders geïnvesteerd, dan had hij daar na zestig jaar meer mee verdiend. Hetzelfde geldt voor Wabbes. Zoiets moet je op de kop kunnen tikken op het moment van de dip. Wie nu een fauteuil koopt van B & B Italia voor 2000 euro, krijgt er over dertig jaar geen veelvoud voor. De prijzen worden fel overschat door mediafenomenen, zoals de veiling van Yves Saint Laurent. Echte topstukken met een ronkende pedigree kosten natuurlijk een fortuintje. Maar de massa voorwerpen waarmee we ons omringen blijven zeer betaalbaar. Meer nog, vintage is doorgaans goedkoper dan nieuw ! Een oude Darchair van Eames is goedkoper dan een nieuwe. Er is ook een verschil, de oude heeft een kuip van polyester, bij de nieuwe is die van plastic, wat minder degelijk, mooi en authentiek is. Veel vintage is stukken goedkoper dan de heruitgaven. Slimme mensen kopen oude modellen, want die zijn dus ook beter afgewerkt. Hoe origineler, des te waardevoller. Dat is zoals bij antiek. Heruitgaven zijn niet helemaal authentiek en dus zelden goede investeringen. Kijk bijvoorbeeld naar de PK22 van Poul Kjaerholm, origineel vervaardigd door Kold Christensen, met een galerieprijs van 4500 tot 5000 euro. Een nieuwe, van bij Fritz Hansen, kost rond de 3500 euro. Met wat zoekwerk vind je een oude voor eenzelfde bedrag. Dan is de oude toch een betere investering. Het gaat ook om het gevoel dat zo'n oud meubel je geeft. Een oude PK22 werd grotendeels manueel vervaardigd in een klein atelier, dat is net een kunstwerk. Bovendien heeft een oud model een onvervangbaar patina. Natuurlijk, maar je mag niet overdrijven. Nu merk je bijvoorbeeld een grote belangstelling voor het sociale meubilair van de jaren veertig en vijftig, bijvoorbeeld van Le Corbusier of Van Der Meeren. Er wordt veel aan gerestaureerd. Soms kan het ook niet anders, omdat het simpel werd afgewerkt. Een houten triplex van amper drie millimeter dik of een geschilderde metaalplaat gaat snel stuk. Als het goed gedaan is, is zo'n herstel niet zo'n probleem, maar koop alles wel het liefst zo origineel mogelijk. Grote meubelen, kleerkasten bijvoorbeeld zijn moeilijk, want iedereen heeft muurkasten. Tafels en stoelen hebben een grotere herbruikbare waarde. Maar de beste investering is verlichting. Daar bestaat een enorme belangstelling voor, van wandarmen tot staande lampen, het liefst van Italiaanse makelij. Op de Belgische markt zijn dat ongetwijfeld Claire Bataille en Paul Ibens, die hebben veel mooie ontwerpen, waarvoor de internationale belangstelling groeit. Je ziet hun ontwerpen al bij Vanakker in New York, die toont nu ook Alfred Hendrickx aan de Amerikanen. Voor Nederland denk ik aan Gijs Bakker, een van de pioniers van Droogdesign. Internationaal heeft Starck de potentie om uit te groeien tot een nieuwe Eames. Zijn oude Costesstoelen worden nu al opgekocht. Belangrijk voor een designverzamelaar : zoek de eerste uitgaven en koop stukken met duidelijke namen en merktekens erop. Memphis had al een eerste boom in de jaren negentig en daarna een terugval. Nu zie je het weer verschijnen op veilingen. Misschien wordt het opgepikt, dan moet het wel in de komende twee, drie jaar gebeuren. De hele handel is natuurlijk onderhevig aan cycli. Strak en koel design gaat eruit, gezelligheid is aan de orde. Interieurs zien er voller uit. Je merkt dat bloembinders en modeontwerpers, die meestal voorlopers zijn, uitpakken met speelse interieurs. Ze confronteren nu design met antiek. Binnenkort wordt alles nog barokker. Als je antiek niet met vintage en hedendaags design kunt mixen, mis je de trend voor de komende vijf jaar. De designhype kan niet eeuwig duren, als je in elk tv-programma een Eamesstoeltje ziet staan, dan weet je hoe laat het is. Info : www.fine-art-interiors.eu Zoiets valt moeilijk te voorzien. Tijdloze klassiekers hebben volgens mij niets te maken met kleuren of materialen. Maar wel met emotie die het oproept. Ik ga dus op mijn intuïtie af. Alles moet goed zitten : het ontwerp, de materialen, het volume. A thing of beauty is a joy forever, toch ? Het zou jammer zijn als je geld geeft aan een meubel dat je niet mooi vindt, maar waarvan je denk dat het een goede investering is. Een goede investering is iets waar je elke dag plezier aan beleeft. Iets wat je koestert en mee verhuist, waar de volgende generatie van kan genieten. We hebben natuurlijk een mooie verzameling collector's items in ons magazijn. Door de relatie met de stukken ontstaat soms de twijfel : hou ik het bij of zullen we het toch ooit verkopen. Tanquette, de tafel ontworpen door Paolo Pallucco in jaren tachtig, verkocht ik onlangs met toch wel een beetje met pijn in het hart. Een belangrijk hedendaags ontwerp dat we nog maar één keer verkochten, is een tapijt van Stephanie Everaert. Een subliem ontwerp, gerealiseerd met een ongelooflijk vakmanschap door Vera Vermeersch. Het is natuurlijk erg specifiek, het moet zijn juiste bestemming vinden. De 'zoete broodjes' zijn de kleinere stukken die hun kwaliteit al bewezen hebben zoals de vlinderstoel van Arne Jacobsen of de plastic chair van Eames. Maar iets kan ook onmiddellijk aanslaan. De stoel. 03 van Maarten Van Severen is daar een mooi voorbeeld van : het fragiele, archetypische model dat semi-ambachtelijk werd gemaakt in het atelier van Maarten kreeg een zeer geslaagde industriële uitvoering bij Vitra en katapulteerde dit ontwerp meteen in de designtop-tien. Sterke ontwerpen hebben vooral tijd nodig. Soms zijn ze hun tijd te ver vooruit. Zo'n zes jaar geleden stonden we bijvoorbeeld met de collectie Moormann op een beurs. Mensen vonden het intrigerend, dat wel. Maar er werd nauwelijks verkocht. Nu loopt die collectie wel. Er zit humor in, eenvoud en een techniciteit die veel mensen nu appreciëren. Wij focussen nóg meer op originaliteit, op exclusieve en inventieve ontwerpen, zonder de prijs-kwaliteitverhouding uit het oog te verliezen. Een ontwerper in crisistijd werkt per definitie onder bepaalde beperkingen, dat kan voor een creatieve boost zorgen. Charles en Ray Eames ontwierpen vlak na de Tweede Wereldoorlog een groot deel van hun collectie in multiplex en glasvezel, materialen waarmee tijdens de oorlogsjaren volop geëxperimenteerd werd. De afgelopen jaren leek alles mogelijk in de meubelwereld. Nu dat niet langer zo is, zal er misschien op een andere manier nagedacht worden en dat kan alleen maar boeiende resultaten opleveren. Hetzelfde geldt voor de milieuproblematiek : het besef van de impact van bepaalde productieprocessen op het milieu zal zeker voor interessante ontwerppistes zorgen. Unica of beperkte series. Ook werk van designers die plots meer algemene belangstelling genieten kunnen in waarde toenemen. Dat zijn de gevoeligheden van de markt. Een leuk extra is een signering op het meubel. De Leather Lounge van Maarten Van Severen wordt door Pastoe genummerd en voorzien van een authenticiteitsgarantie, dat is een mooi gebaar voor wie originaliteit naar waarde schat. De Essaytafel van Cecilie Manz voor Fritz Hansen. Het is jammer genoeg een duur stuk, voor een nichepubliek dus, maar echt een sterk ontwerp : puur, met een zwevend blad en perfecte verbindingsstukken. De detaillering is af. Je voelt dat over alles is nagedacht. Het werk van Manz heeft veel weg van wat Poul Kjaerholm doet, en van zijn werk weten we ondertussen dat het de tijd doorstaat. Jean Nouvel ontwierp voor Pallucco de elegante tafel Grand Ecart. Dankzij een ingenieus systeem is die zeer eenvoudig verlengbaar. En ik denk ook aan industrieel vormgever Stefan Diez, die tekende twee jaar na elkaar een schitterend nieuwe stoel : vorig jaar voor Thonet het model 404, dit jaar Houdini voor E15. Unieke designstukken in gelimiteerde oplage vind je vaak bij avant-gardistische ontwerpers. Om namen te noemen : Ron Arad, Tom Dixon, Marcel Wanders... Ook snel een sterk designstuk van een jonge veelbelovende ontwerper kiezen kun je zien als een investering. Maar het belangrijkste advies : het object moet je op het lijf geschreven zijn. Een goed meubel is als goede architectuur een verlengstuk van jezelf. Je liefdesrelatie met het object is zijn intrinsieke waarde. Info : www.surplusinterieur.be Door Leen Creve en Piet Swimberghe Portret Ann Vallé"Veel vintage is goedkoper danheruitgaven. Vaakis de afwerkingervan ook beter." "Het zou jammer zijn dat je investeert in een meubel dat je niet mooi vindt."