Hoelang denk je dat het zal duren voor New York er weer helemaal bovenop zal geraken?" vraagt Victoria. Ik zit naast haar op een bank vanwaar we een postkaartachtig uitzicht hebben op de baai en de skyline. Links van ons aan een afsluiting wapperen zonverschoten herinneringen aan de ramp: foto's van vermisten, gele linten, Amerikaanse vlaggetjes en een kindertekening. "Hoelang?" herhaal ik. "Zonder nieuwe catastrofen misschien een generatie." "Oei", zegt Victoria, die vooraan in de zeventig is. "Tegen dan ben ik dood."
...

Hoelang denk je dat het zal duren voor New York er weer helemaal bovenop zal geraken?" vraagt Victoria. Ik zit naast haar op een bank vanwaar we een postkaartachtig uitzicht hebben op de baai en de skyline. Links van ons aan een afsluiting wapperen zonverschoten herinneringen aan de ramp: foto's van vermisten, gele linten, Amerikaanse vlaggetjes en een kindertekening. "Hoelang?" herhaal ik. "Zonder nieuwe catastrofen misschien een generatie." "Oei", zegt Victoria, die vooraan in de zeventig is. "Tegen dan ben ik dood." Mijn klein grijs Puertoricaans buurvrouwtje lacht terwijl ze het zegt. Ik kijk naar haar gevouwen handen op de open bijbel op haar schoot. Sinds 11 september komt Victoria, een diepgelovig lid van de pinkstergemeenschap, hier elke dag bidden voor de slachtoffers, toch als het niet regent. "Zo, ik laat je maar verder doen", zeg ik. "Zie ik je morgen op de vergadering?" "Als het God belieft", antwoordt Victoria. De volgende avond heeft het God beliefd om tachtig van onze buren uit hun huizen te koteren en naar coffeeshop The Muddy Cup in Van Duzer Street te lokken. Stel u geen Amsterdamse toestanden voor. Deze coffeeshop verkoopt gewoon koffie, zij het slappere dan wat de gemiddelde Belg verkiest. De naam van dit koffiehuis zal die gemiddelde Belg ook niet smakelijk vinden, want een muddy cup is een kop koffie in cowboy-kampvuurstijl, met gruis op de bodem. Maar deze kop heeft een dubbele bodem: de naam is ook een knipoog naar de oude bijnaam van de straat waarin het koffiehuis is gevestigd, Mud Lane of modderweg. We spreken hier over lang geleden, toen de Hollandse boer Van Duzer (naar wie de straat officieel is genoemd) en zijn buren nog door karrenwielsporen ploeterden met hun koeien en paarden en landbouwalaam. Wie in en rond Van Duzer Street woont, of hij nu van India, Californië of België is, wordt nog steeds een mud laner genoemd. Zelfs de naam van ons buurtcomité is door het slijk geïnspireerd. Cheryl, onze mooie voorzitster van Illinois, klopt met haar houten hamer op tafel. " Silence please", zegt ze. "Welkom, iedereen, op de vergadering van The Mud Lane Society." Het is vijf over acht. De vergadering was voor acht uur aangekondigd. Zo zijn Amerikanen. Zelfs op onze moddervergaderingen heb ik nog nooit iets anders dan stiptheid gekend. "We hebben onze meeting van september moeten uitstellen door de tragische gebeurtenis, maar het is tijd om terug aan de slag te gaan", zegt Cheryl opgewekt. De vergadering begint zoals tegenwoordig alle grote en kleine bijeenkomsten in New York beginnen. Met een minuut stilte voor de slachtoffers. Het vaderlands lied hoeft gelukkig niet gezongen te worden. Dat verbaast me niet. Daarnet vertelde Cheryls man Tom me hoe ze zich bij hun terugkeer uit Bermuda geërgerd hadden aan medepassagiers die luid juichten en applaudisseerden toen het vliegtuig in New York landde. "Iemand begon zelfs America the Beautiful te zingen," zei hij, "we waren diep gegeneerd." Cheryl overloopt de agenda: de inhoud van het volgende nummer van de Mud Laner, het jaarlijks Mud Lane-straatfeest, de stand van zaken in ons gevecht met de stad over een stuk groen dat we beschermd willen zien, enzovoort. De sfeer is gemoedelijk, de vergaderstijl efficiënt. Het verrast me nog steeds hoe goed Amerikanen, zelfs op simpele bijeenkomsten als deze, die dingen weten te combineren. Hetzelfde viel de Franse diplomaat de Tocqueville honderdvijftig jaar geleden ook al op. Negen uur. De voorzitster kijkt op haar uurwerk. "We verwachten de kandidaten elke minuut", zegt ze. Om vier over negen zwaait de deur open. Twee blanke heren in maatpak en een in het blauw gestoken zwarte dame die op Madame Nero lijkt, komen binnen. Joe de Republikein, Michael de Democraat en Debi de Liberaal zijn de drie kandidaten om ons stadsdeel te vertegenwoordigen in de New Yorkse gemeenteraad, en ze krijgen elk vijf minuten om hun verkiezingsprogramma uiteen te zetten. Meer dan de helft daarvan verkwanselen ze aan pochen over hun gezin, hun carrière en alle kleine en grote comités waarin ze het volk hebben gediend. In de resterende twee minuutjes leggen ze uit wat ze allemaal voor onze buurt gaan doen. "Ze zeggen allemaal hetzelfde", fluistert de jongen die naast me zit. Tijd om vragen te stellen. "Wat gaan jullie aan de junkies in het park doen? Aan de autowrakken? Aan het leegstaand militair domein aan de baai? Aan de smerige straten? Aan de lawaaierige dancings?" Telkens er een van de politici rond de pot draait (vaak dus), protesteert het publiek luid. Stipt om tien uur klopt de voorzitster voor de laatste keer met haar hamer. Iedereen wordt als bij toverslag rustig. Nog zoiets merkwaardigs. Terwijl ik met Victoria naar huis wandel, realiseer ik me plots dat niemand het vanavond heeft gehad over terroristen, miltvuur of andere bacteriologische gevaren. Als het van de Mud Laners afhangt, zal het verdomd geen hele generatie duren voor New York van zijn wonde is hersteld.Jacqueline Goossens vanuit New York