Waterskiën is ontstaan in de Verenigde Staten en Frankrijk in de jaren twintig, toen er motorboten verschenen die snel genoeg waren om iemand op twee smalle planken voort te trekken. Zelf wagen we onze kans in Lommel, bij Peter Maes, een van de 72 leden van de Limburgse waterskiclub én een door Bloso gediplomeerd initiator.

STAP 1: Zenuwen op het droge

De ontmoeting aan het clublokaal : onder een donkergrijze hemel, het kwik bereikt met moeite twaalf graden. Het weer vormt echter geen bezwaar. "Klassieke waterski heeft een middelgroot, smal meer nodig", zegt Peter. "Daar heerst geen stroming en de oevers vangen de golfslag op. De omliggende bomen matigen de wind."

Om niet te verstijven in het ijskoude water krijg ik isolerende wetsuit - een stuk minder modieus dan de doorsnee wakeboarduitrusting, geeft Peter toe - en het verplichte reddingsvest. Beginners vallen vaak in het water, en de blessureverhalen spreken voor zich : van blauwe plekken, knieletsels en spierverrekkingen tot ontwrichtingen en ribbreuken. Waterski is een snelle actiesport, en er hangt dan ook meteen zenuwachtigheid in de lucht. Míjn zenuwen.

Op het droge spreken we eerst enkele arm- en handgebaren af : een uitgestoken rechterarm om aan te geven dat ik een valpartij heb overleefd, een omgekeerde liftersduim om de trekboot te doen vertragen. Ook een noodstop heeft zijn eigen signaal : een snijbeweging over de keel. Eerst moet ik echter de typische waterskipositie onder de knie krijgen : de voeten twintig centimeter van elkaar, hoofd en bovenlichaam rechtop, de armen vooruit gestrekt in het verlengde van de treklijn, het bekken vooruit gekanteld en de benen licht gebogen. "Op het water is het een kwestie van evenwicht te vinden en schokken op te vangen", zegt Peter. "Met gestrekte benen krijgt de rug de volle lading." Het lijkt zo eenvoudig. Ook starten lijkt op het droge een peulschil. Met de treklijn en hendel in de hand zet ik het achterwerk vlak achter de hielen en druk ik mijn knieën tegen de borst. Met gestrekte armen laat ik me door Peter optrekken. "Vorm zo lang mogelijk een bolletje en laat je trekken", benadrukt Peter. "Geef de ski's tijd om te planeren. Pas als je voelt dat ze glijden, sta je op vanuit je benen en knieën. Je armen doen niets, anders trek je jezelf onderuit of riskeer je een face plant. Dan knal je voorover." Profetische woorden.

STAP 2: Verkrampt natuurtalent

Waterskiën is een doesport, de theorieles is snel afgelopen. Voor ik het weet, plons ik met twee combi- of dubbelski's van glasvezel het water in. Die zorgen onder water meteen voor geworstel en geploeter. Ze aantrekken valt nog mee, maar schoolslag kunt u vergeten. Languit op de buik in het water lukt het me amper om in startpositie te belanden. De ondingen aan mijn voeten, ruim anderhalve meter lang, zitten elkaar voortdurend in de weg en geven geen krimp. "Probeer te drijven", roept Peter me toe van op de trekboot, en het duurt even voor ik de boodschap begrijp. Ik maak me gewoon te moe.

Al gauw volgt echter de eerste sensatie : waterskiën aan de skiboom of 'stok', een horizontale staaf die aan de zijkant van de trekboot is gemonteerd. Terwijl Ronny de boot bestuurt, kan Peter me begeleiden en het contact met de piloot verzorgen. Veel werk heeft hij aanvankelijk niet : bij de eerste startpoging vergeet ik de tippen van mijn ski's boven het wateroppervlak te steken, maar bij de tweede ben ik meteen vertrokken. De ski's planeren als vanzelf, en ook de evenwichtsoefening lijkt even niets voor te stellen. Met 35 kilometer per uur varen we zowat de hele plas rond, en het lijkt zo hard op een snelle achtbaan of een racewagen dat ik wel uren kan doorgaan. "Een natuurtalent", roepen mijn begeleiders, die beseffen dat waterski wat aanmoediging vergt. Voor een moment geloof ik ze nog ook.

Zodra de treklijn uitgeworpen wordt en ik ruim twintig meter achter de trekboot dobber, heb ik minder praat. Met gestrekte armen een vrijbewegende hendel vasthouden is wat anders dan een stabiele stok, en rechtkomen uit het water is geen poespas. Ik zoek me rot naar mijn evenwicht en moet aan honderd dingen tegelijk denken. De voorwaartse snelheid maakt van elke lichaamsbeweging immers een risico : dan kom ik te snel recht of sta ik te ver voorover gebogen, dan zwermen mijn benen te ver uit elkaar of vergeet ik door de knieën te buigen. Bij het minste onevenwicht sjor ik bovendien aan de lijn.

Ik beland keer na keer met een smak in het water, en uiteindelijk lijken mijn spieren gewoon te verkrampen. Al na een kwartier hou ik het voor bekeken. "Het begin is het moeilijkst", zegt Peter. "De een is er sneller mee weg dan de ander, maar uiteindelijk kan iedereen waterskiën. Het is als fietsen : eens je het beet hebt, verleer je het nooit meer."

Bij de volgende poging vind ik mijn draai heel wat sneller. De lichaamsbeheersing gaat een stuk vlotter, en ik leer mijn benen en kniën te gebruiken : stevig genoeg om gewaggel te vermijden, en soepel genoeg om veerkrachtig de deining op te vangen. Na twee rondjes begrijp ik waarom Peter en Steven waterskiën "een verslaving" noemen. Zelfs bij slecht weer heeft deze sport veel weg van vakantie, en voor kopzorgen is gewoon geen tijd. Al schreeuw ik mijn enthousiasme ondertussen wel over de plas uit.

Ook mijn moment de gloire eindigt echter met een val. Even wat minder concentratie, en pats. Bovendien verlies ik onderweg een ski, die ramt mijn onderbeen, met een gapende wonde en een fikse zwelling tot gevolg. Tijd om te ontsmetten en te recuperen, zegt Peter. Voor iemand die zich "gewoon" heeft laten voorttrekken door een motorboot, ben ik de volgende dag trouwens behoorlijk stram. Vooral mijn armen en bovenbenen moeten het ontgelden.

STAP 4: Terug naar het droge

Bij de volgende afspraak schijnt de zon. Ik heb er zin in : ik wil die ski's en de hekgolf, de V-vormige golven achter de trekboot, onder controle krijgen. "Een goede starthouding en skipositie zijn belangrijk voor alle waterskidisciplines, dus we gaan daar aan werken. En straks sta je op één ski", zegt Peter. Hij toont me hoe ik op het water rustig één ski kan afleggen en mijn achterste been in het andere haak, in de knieholte. De trampoline naast het clublokaal, om sprongen in te oefenen, laat ik echter wijselijk links liggen.

De boot is nu zwaarder geladen, en de hekgolf is meteen een stuk groter en harder. We varen bovendien wat sneller, en dus ben ik de situatie nauwelijks meester. Als Peter op een wakeboard naast me skiet, gaat dat echter een stuk beter. Ik kopieer zijn houding. "Ontspan je een beetje," roept Peter, maar dat lukt maar half.

Berusting is trouwens niet de sterkste eigenschap van waterskiërs. Op het water wil ik als vanzelf mijn grenzen verleggen, en dat schijnt een typisch trekje te zijn. Spontaan wil ik de ski's aansturen tussen de hekgolf, en dat is opnieuw een kwestie van evenwicht : door gewicht op één ski te zetten, glij ik als vanzelf immers de andere richting uit. Vooral in de bochten gebeurt dat met een rotvaart, en pas met moeite eindig ik opnieuw achter de trekboot. Het water speelt met mij, denk ik, niet omgekeerd. Zelfs één been optillen lukt met moeite : de plank lijkt aan het water te kleven.

De landing, aan de steiger, eindigt zoals we begonnen zijn : niet al te elegant. Als ik dit ooit goed wil doen, moet ik de hele oefening herhalen op het droge, besef ik, de enige plek waar waterskiërs over hun fouten kunnen nadenken. "Ach, nog één les en je bent ermee weg", zegt Peter. Ik twijfel, maar snap wat hij bedoelt. Die hekgolf, die krijg ik nog wel.

Door Wim Denolf - Foto's Michel Vaerewijck