Opeens loopt de wereld vol regenjassen met kappen die aan de voorkant een leuk klepje tegen vallend hemelwater hebben. Wellicht komen ze uit de geheimzinnige fabrieken die modes en rages verspreiden over de mensheid. Op dezelfde manier ongeveer vind je nu charcoal in van alles: van deodorant over face scrub tot tandpasta. De mens heeft iets nodig om zijn heil in te zoeken. Als ik mag kiezen, dan liever houtskool dan nationaalsocialisme.
...

Opeens loopt de wereld vol regenjassen met kappen die aan de voorkant een leuk klepje tegen vallend hemelwater hebben. Wellicht komen ze uit de geheimzinnige fabrieken die modes en rages verspreiden over de mensheid. Op dezelfde manier ongeveer vind je nu charcoal in van alles: van deodorant over face scrub tot tandpasta. De mens heeft iets nodig om zijn heil in te zoeken. Als ik mag kiezen, dan liever houtskool dan nationaalsocialisme. Soms vraag ik mij af wie bepaalt wat er de wereld zal veroveren. Het moet geweldig zijn te beslissen wat miljoenen mensen de komende maanden zullen dragen of op hun gezicht smeren. Ik zou graag deel uitmaken van zulke cenakels. In de poppenkast van de wereld ben ik helaas slechts een toeschouwer. Ik zie de buitenkant van de mensen, en vang af en toe een glimp op van wat er daaronder echt schuilgaat. Soms vallen de maskers af. De volksvertegenwoordiger blijkt dan een drankorgel, de glazenwasser een seriemoordenaar. De goede huisvader een vuile poekie zoals er zoveel zijn. Ik heb niets tegen vuile poekies als die daar eerlijk voor uitkomen. Louis Paul Boon bijvoorbeeld, was zowel vuile poekie als begenadigd schrijver. Soms vraag ik mij af hoeveel mensen onder de dertig hem nog kennen. Wie kent nog Ebergiste de Deyne (1887-1943), in wiens boomrijke straat ik toevallig verzeild ben? Volgens het straatnaambordje was hij pedagoog en broeder van liefde, een combinatie die we tegenwoordig tricky vinden. Ik steek een vijver over zonder eendenkroos en wandel langs troosteloze gebouwen, waar het naar frietvet ruikt dat al te vaak gebruikt is. Schotelantennes als kolossale zuignappen reiken naar een leven dat groots is en meeslepend. De straten dragen namen van edelstenen, met een ironie die grenst aan leedvermaak. Op garageboxen is graffiti gespoten, door virtuoze artiesten die onbekend zullen blijven. Het licht schijnt mooi op het betonrot. Ik moet denken aan de woorden van een Franse dichter: echte poëzie loopt op straat. Wat jammer dat zoveel dichters haar in de wolken gaan zoeken. De schemering valt. Ik keer terug naar mijn huis zonder tapis-plain, waar kabouters weer de vaat niet gedaan hebben. Ik geef de kat te eten en vraag wat hij van tandpasta met houtskool vindt. Ik hou ervan hem bij mijn levensvragen te betrekken en af en toe een mop te vertellen. Ik moet niet bang zijn om de pointe te bederven. Je kan veel zeggen van katten, maar niet dat ze gevoel voor humor hebben. Soms vertel ik hem geheimen en pekelzonden, verhalen over vorstdraken en verschrikkelijke sneeuwmannen. Hij luistert aandachtig en lijkt er het zijne van te denken. Soms staat hij op het punt om iets terug te zeggen. Maar dat doet hij nooit, want katten wikken hun woorden meer dan mensen. Soms ga ik op zoek naar laatste woorden van beroemde mensen. Winston Churchill zei dat hij het allemaal zo beu was. Marie Antoinette zei sorry omdat ze op de voet van de beul gestaan had. Elvis Presley zei dat hij ging lezen in de badkamer. In bad lees ik Diamanten in de zoo van Jommeke, en voeg kristallen met eucalyptus toe die beloven dat je vrij kunt ademen.