Om gelukkig te leven, leef je het best wat verborgen. Dat oude gezegde geldt ongetwijfeld voor Marie-Chantal Regout, ontwerpster van het Belgische modelabel Rue Blanche. Zij vond haar stek op een bucolische plek, aan het eind van een lange laan, te midden van een park met ezels, een vijver, treurwilgen, kruisbessen, oude kerselaars en een moestuin. Maar toen ze deze plek in Humbeek ontdekte, ruim twintig jaar geleden, zag het er heel anders uit. Compleet verwaarloosd. Marie-Chantal woonde vlakbij en ging soms stiekem op verkenning in de mysterieuze, vervallen tuin met boomgaard. Ze klom over het hek, glipte tussen het gebladerte en plukte de rijpe vruchten van de bomen die bijna bezweken onder hun gewicht. "Wat erg" vond ze toen, maar droomde er geen moment van dat ze hier ooit zelf zou wonen. Tot de villa 'in Vlaamse stijl', uit de jaren dertig, in 1996 te koop kwam. Toen dacht ze : waarom niet ? Bang van het vele werk en het 'kamperen' was ze niet. Samen met haar man Hervé pakte ze eerst eigenhandig het park aan, maar na enige tijd vonden ze de juiste architect die begreep waar ze naartoe wilden. De 'afgrijselijke' veranda uit de jaren zestig werd afgebroken, de muren enkele centimeters verplaatst - "dat maakt een heel verschil"- en er kwam een mooie erker bij met uitzicht op witte rozen. Van het oude gebouw werd een home sweet home gemaakt in New England-stijl, op maat van het gezin met kinderen (een jongen en twee meisjes, 14, 12 en 11 jaar).
...

Om gelukkig te leven, leef je het best wat verborgen. Dat oude gezegde geldt ongetwijfeld voor Marie-Chantal Regout, ontwerpster van het Belgische modelabel Rue Blanche. Zij vond haar stek op een bucolische plek, aan het eind van een lange laan, te midden van een park met ezels, een vijver, treurwilgen, kruisbessen, oude kerselaars en een moestuin. Maar toen ze deze plek in Humbeek ontdekte, ruim twintig jaar geleden, zag het er heel anders uit. Compleet verwaarloosd. Marie-Chantal woonde vlakbij en ging soms stiekem op verkenning in de mysterieuze, vervallen tuin met boomgaard. Ze klom over het hek, glipte tussen het gebladerte en plukte de rijpe vruchten van de bomen die bijna bezweken onder hun gewicht. "Wat erg" vond ze toen, maar droomde er geen moment van dat ze hier ooit zelf zou wonen. Tot de villa 'in Vlaamse stijl', uit de jaren dertig, in 1996 te koop kwam. Toen dacht ze : waarom niet ? Bang van het vele werk en het 'kamperen' was ze niet. Samen met haar man Hervé pakte ze eerst eigenhandig het park aan, maar na enige tijd vonden ze de juiste architect die begreep waar ze naartoe wilden. De 'afgrijselijke' veranda uit de jaren zestig werd afgebroken, de muren enkele centimeters verplaatst - "dat maakt een heel verschil"- en er kwam een mooie erker bij met uitzicht op witte rozen. Van het oude gebouw werd een home sweet home gemaakt in New England-stijl, op maat van het gezin met kinderen (een jongen en twee meisjes, 14, 12 en 11 jaar). Aanvankelijk kwamen ze alleen in de weekends. Het huis was nog niet ingericht, het was kamperen met enkele matrassen op de grond. Maar ze vonden het er zo leuk dat ze er wel de communiefeesten voor de kinderen organiseerden. Nu is Marie-Chantal 58, ze heeft nog geen kleinkinderen - "niets in zicht" - maar ze denkt met plezier terug aan die mooie jaren. Als haar zoon plots opduikt, motorhelm aan de arm, zie je hoe haar blik oplicht van trots. Hij noemt haar bij haar voornaam - "dat doet hij altijd in gezelschap !" Een beetje anders doen dan de anderen, dat ligt deze creatieve dame wel. En dat zie je ook in haar interieur. De ontwerpster heeft een hekel aan eentonigheid, ze combineert vrolijk stijlen en tijdperken, ze heeft een flair voor shabby chic en is expert in koopjes op de rommelmarkt. Alles wordt gemixt : een sofa in belle-époquestijl, een tafeltje uit de fifties, een handgemaakt kussen dat een ambachtelijke hand verraadt, een Thonettafel die ze kreeg als huwelijkscadeau. "Ik hou van nieuwe, speciale, bewerkte dingen en tegelijk ben ik vrij klassiek", zegt ze. "Maar dat is niet negatief." Je kunt je afkomst niet loochenen. Marie-Chantal groeide op in Antwerpen, als vijfde kind in een Franstalige familie met vijf meisjes en één jongen. Haar moeder was avant-gardistisch, dol op moderne dingen, terwijl haar vader "meer gehecht was aan de meubels van zijn ouders", maar met "een open geest". Hij had een boontje voor haar, "ik bracht hem aan het lachen". Die achtergrond gaf haar een solide basis. En hoewel Marie-Chantal de havenstad achter zich liet toen ze achttien was, blijft ze gehecht aan haar roots : als ze naar de dokter moet, gaat ze het liefst naar de arts uit haar kinderjaren in haar geboortestad, ook al moet ze daarvoor wel wat kilometers afleggen. De ruime (300 m² van kelder tot zolder), rustig gelegen villa moest in de eerste plaats comfortabel zijn. "Ik wil een relaxte sfeer, ik haat alles wat geforceerd is, mensen moeten zich welkom en op hun gemak voelen. Mijn tapijt is misschien niet pico bello maar een huis dient om in te leven." In de eetkamer wordt zelden gegeten - "zo vreselijk burgerlijk" - behalve als er een feest is of als er gasten zijn. Dan ontruimt Marie-Chantal de grote tafel met het gehaakte tafelkleed, die vol ligt met papieren, aantekeningen, inspiratiebronnen en stalen van stoffen. Want ze ontwerpt graag haar collecties aan deze tafel waar ze alles kan etaleren. Op de vensterbank staat een buste - op de kop getikt bij een brocanteur - die naargelang van de stemming een ander hoofddeksel krijgt, vandaag "iets met pluimen en een tak". "Ik amuseer mij, verander graag, breng beweging." Wat verder staan oude kandelaars in kwikglas, een kluifje voor kenners. In een hoek bij de deur hangt een werk van Jeanine Cohen, een kunstenares die graag speelt met licht. Ze kwam het daar zelf ophangen, nadat ze een stuk muur wit had geverfd, zodat het glanzende, fluorescerende kunstwerk optimaal tot zijn recht zou komen, met de juiste lichtspreiding en weerkaatsing. Bij de andere vensterbank staat een fifties-lamp naast een sofa vol kussens. Die heeft een vriendin gemaakt van heerlijk kitscherige, geborduurde taferelen : een waterdraagster, een hond, de stad Brussel, vogels in een kerselaar... "Je houdt ervan of je houdt er niet van", zegt Marie-Chantal. Haar keuze is duidelijk. Overal aan de muren hangen schilderijen die ze kocht voor de kleuren of omdat ze mooi samengaan : werk van Per Kirkeby, Didier Duesberg en Jean Milo. Kunst vind je tot in de vitrinekasten in de keuken waar je het ceramieken tafelservies van Anatoly en Kinga Stolnikoff ziet staan. In 2004 ontwierp dit veelzijdige kunste-naarspaar al een kleine reeks polo's en T-shirts voor Rue Blanche. Zeer binnenkort, "als alles goed gaat", komt er in de collectie een zijden sjaal beschilderd door de jonge Belgische Elise Leboutte. Het is dit soort samenwerking waar Marie-Chantal veel plezier aan beleeft. Zo vindt ze het ook leuk om modestudenten te sponsoren bij hun afstudeerdefilé, door hun stages aan te bieden, of een plekje te geven in haar etalage in de Dansaertstraat in Brussel tijdens Modo, het modeparcours in de hoofdstad, of tijdens Design September. "Als ik hen kan helpen, dan doe ik dat met plezier." Marie-Chantals modelabel bestaat nu 28 jaar. Niet slecht, vindt ze zelf, maar relativeert meteen : "Het betekent natuurlijk ook dat het al een oud merk is." Er zijn goede en slechte tijden geweest, geeft ze toe. Drie keer is ze bijna over de kop gegaan. Maar vandaag gaat het beter, de ontwerpster heeft haar elan teruggevonden, wil ook internationaal gaan en werkt met vernieuwde creativiteit. Mooie materialen en kleuren zijn haar fort. Daar zal haar opleiding als interieurarchitect aan Sint-Lucas in Brussel niet vreemd aan zijn. Ze had liever mode gestudeerd, maar in de jaren 1970 bestond er nauwelijks een studie in die richting. En tijdens haar schooltijd was ze - naar eigen zeggen - nogal 'onhandelbaar'. Ze veranderde zeven keer van school. Uiteindelijk legde ze met succes examens af voor de centrale examencommissie. Dat gaf haar weer het nodige zelfvertrouwen om haar studie van binnenhuisarchitectuur aan te vatten. Met het diploma op zak ging ze aan de slag bij Scapa, waar ze de standenbouw op de beurzen superviseerde. In die tijd, de prille jaren tachtig, was Scapa nog een 'gezellige familiezaak' en werd niet op een cent gekeken. Marie-Chantal werd om advies gevraagd en al snel werd ze betrokken bij de creatie, eerst van de dameslijn, later ook bij de herencollectie en de kindercollectie. Ze leerde snel bij, luisterde, sloeg veel kennis op, maakte "ontelbare jacquardtruien". Maar uiteindelijk werd ze de typisch Engelse stijl beu. "Het kwam me de oren uit. Ik droomde van soberheid, eenvoud, meer grafische lijnen, wit, zwart, marineblauw, ton sur ton." Ze wist precies wat ze wou. En toen haar kozijn Patrick Van Heurck, die op dat moment bij Ralph Lauren werkte, zei : "Als je iets wil beginnen, doe ik mee", was het startsein gegeven. In het begin, in 1986, koos ze ervoor om te werken met katoen, een stof waar ze dol op was. Ze ontwierp een kleine collectie van zeven basics : T-shirts met lange mouwen en kleine knopjes, strepen en stippen ; shorts en plooirokken "met grote elastieken". Ze liet tweeduizend stuks produceren "maar op onze bestelbonnetjes stond nog geen naam. We wilden iets Frans, iets met het woord manufacture, maar toen vonden we een pand voor onze kantoren in de Rue Blanche." Et voilà, je moet het niet altijd te ver gaan zoeken. Als je dan nog weet dat Blanche in dit geval niet staat voor de kleur wit, maar voor de minnares van Leopold II, geeft dat extra pit. "En het klinkt goed, als een onbeschreven blad." Op korte tijd breidde Marie-Chantal haar collectie uit tot een basisgarderobe, hààr garderobe met daarin altijd een regenjas, tricot ("onze sterkte"), een mooi wit hemd, een degelijk jasje en een rok, vaak met plooien - erfenis van haar schooltijd in uniform. Sinds drie jaar werkt Marie-Chantal in duo met de jonge ontwerpster Céline Collard (34). "We vormen een goed team. Zij heeft een wat mannelijke kant waar ik van hou." Voortaan is alles dus teamwerk. Dat was voorheen niet het geval. Tot haar vijftigste ontwierp Marie-Chantal hoofdzakelijk alleen, maar het werd zwaar. Zij beseft ook goed dat zij verantwoordelijk is voor "een zaak die moet draaien", een zaak met 33 medewerkers en acht winkels in Vlaanderen en Brussel. Nu rekent ze ook meer. "Tot voor kort liep alles zo'n beetje instinctief. Misschien was dat niet de goede aanpak", zegt ze aarzelend. "Maar toch, mijn kinderen zouden niet geweest zijn wat ze nu zijn, als ik voor hen niet beschikbaar was geweest." Haar zoon en een van haar dochters hebben vandaag een 'satellietfunctie' bij Rue Blanche, de ene in de communicatie, de andere in de beeldcreatie. In de winter trekt het creatieve duo zich terug in het bureau, vooral sinds de kinderen zijn uitgevlogen. Niet de werkkamer van Marie-Chantal, want die heeft ze niet - zij zat liever aan de grote tafel in de eetkamer - maar die van haar man Hervé. Hij was racer, "zijn grote passie" en dat blijkt ook duidelijk uit de grote verzameling foto's aan de muur. Er is zelfs een foto bij van hem naast acteur en autoracer Jean-Louis Trintignant. "Alles draait rond hem en oude auto's", zegt ze lachend. "Maar pas op, het zijn geen rammelkarren, het zijn auto's die races wonnen in de jaren zestig en zeventig." Een collectie boeken over de bolides maakt de ambiance compleet. Marie-Chantal dist graag anekdotes op, wijst op souvenirs die ze samen verzameld hebben, de hond ligt te slapen op het parket, af en toe loopt een van de kinderen binnen om iets komt vragen. Dit is een huis dat leeft.TEKST ANNE-FRANÇOISE MOYSON & FOTO'S JULIEN CLAESSENS "Ik hou van nieuwe, speciale, bewerkte dingen maar tegelijk ben ik vrij klassiek"