Zo'n twintig jaar geleden was dat een naam die me magisch in de oren klonk: Flevopolder, een trekpleister voor duizenden baardmannetjes, grote zilverreigers en overwinterende zeearenden. Begeesterde ornithologen trokken toen allemaal naar de Knardijk en de Oostvaardersplassen. "Zeg nou niet Flevopolder, dat klinkt zo kneuterig." Antoinet kijkt me streng aan: "Het is Flevoland, een gigantisch project van drooglegging van de Zuiderzee. Flevoland is onze nieuwste Nederlandse provincie met een kwart miljoen inwoners in zo'n veertig jaar. Almere heeft al meer dan honderdduizend inwoners, talrijke bedrijven komen zich hier vestigen, we zijn al de derde tulpenproducent. Je hebt hier een bruisend leven, een unieke combinatie van ruimte, natuur, werkgelegenheid en recreatie."
...

Zo'n twintig jaar geleden was dat een naam die me magisch in de oren klonk: Flevopolder, een trekpleister voor duizenden baardmannetjes, grote zilverreigers en overwinterende zeearenden. Begeesterde ornithologen trokken toen allemaal naar de Knardijk en de Oostvaardersplassen. "Zeg nou niet Flevopolder, dat klinkt zo kneuterig." Antoinet kijkt me streng aan: "Het is Flevoland, een gigantisch project van drooglegging van de Zuiderzee. Flevoland is onze nieuwste Nederlandse provincie met een kwart miljoen inwoners in zo'n veertig jaar. Almere heeft al meer dan honderdduizend inwoners, talrijke bedrijven komen zich hier vestigen, we zijn al de derde tulpenproducent. Je hebt hier een bruisend leven, een unieke combinatie van ruimte, natuur, werkgelegenheid en recreatie." En landschapskunst, denk ik een beetje bedremmeld. Overal in dit Nieuwe Land staat die Land-Art verspreid en ik wil er een vijftal bezoeken: herkenningspunten in een kunstmatig landschap, kunst als een voetnoot bij de altijd ontembare natuur. In het veld staat een voorhoede van paardenbloemen, verderop vreedzame divisies koolzaad. Flevoland is geel. Het water staat hoger dan het ingepolderde land. Als zwarte ballerina's vissen aalscholvers op het Markermeer. Boven Almere sla ik de Pampushavenweg in. In het gras staan zilveren stèles, een woud van platen en balken. Het is Polderland Garden of Love and Fire van Daniel Libeskind, een Amerikaan van Pools-joodse afkomst die met de bouw van het Joods Museum in Berlijn meteen berucht is geworden. Overal krijgt hij opdrachten, zoals het Felix Nussbaum Museum in Osnabrück en een uitbreiding van het Victoria & Albert Museum in London. In Dordrecht zette hij ooit een reclamezuil van 22 meter neer, hier heeft hij tussen '92 en '97 dit landart-project gerealiseerd. Twee kanalen kruisen elkaar in een X, denkbeeldig verbinden ze Almere met Salamanca, waar de mysticus Juan de la Cruz leefde, en Berlijn waar de architect heden woont. Een met zwarte steentjes bedekte aanloopweg van beton loopt er dwars doorheen, recht naar de zilveren sculptuur. Kunst op de kruising van land en water. De platen weerkaatsen de weg en het gras en de bloemen en ook de bomen. Het is ruimte die wil herinneren aan menselijke ontmoeting: de lijnen zijn als grenzen, om te overschrijden, om elkaar te ontmoeten in een van die punten, of ergens ver weg in een oneindig verlengde. "Een abstracte geometrie in een heldere structuur van het polderlandschap", schrijft Esther Agricola. "Een tuin van meditatie", zegt Libeskind zelf. Ook de vogels aanvaarden het werk: een kwikstaart zet zich vrolijk op het staal. Een vlucht ganzen scheert door de weerkaatsing van de hemel. Die glinstering is als een technologisch zonne-uur, waarbij het er niet toe doet hoe laat het is: de schaduwen van de stèles draaien mee met de zon. Suggestief is het, ieder moet voor zichzelf uitmaken welke betekenis hij aan het werk wil geven. Een ander thema is dat van de ontheemding, de thuisloosheid van de mens: "Uiteindelijk komt niemand ergens vandaan en hoort niemand ergens thuis." In deze opgespoten polders, jong en zonder veel geschiedenis, voegt die tuin van liefde en vuur een extra dimensie toe aan het vlakke land. Als ik wegrijd, roept een koekoek me na.Wat zijn de wegen hier kaarsrecht. Allemaal dragen ze vogelnamen, die van reiger en lepelaar, roerdomp en wulp. Ergens langs de 'Vogelweg' houd ik halt. Maar de kievit houdt niet van kunst. Of hij houdt niet van mij, de indringer. Hij klapwiekt en krijst. Maar ik wil de broedende vogels niet verstoren, ik ben op zoek naar de Aardzee van beeldhouwer Piet Slegers, een werk uit '82. Eerst een bruggetje over het water, dan een grote grasvlakte vol paardebloemen. Midden in een landbouwgebied ligt dit kunstwerk van vijf hectare groot, ik kan het niet eens overzien. Pas na een lange tocht langs schuin aflopende muurtjes en paden, aardwallen en taluds, dijkjes, een vijver en waterstroken, krijg ik enig zicht op de sculptuur. Je zou zelf een vogel moeten zijn om alles te kunnen overschouwen. Vanop een steen kijkt een tapuit naar de vragende bezoeker: is de Aardzee een beschutting tegen storm en ontij, een veilig onderkomen? Zoekt ze openheid en verbondenheid met de aarde? Is dat gebeitelde land een overwinning op de zee? Voor de kunstenaar was het als "een gestolde beweging in de oude zeebodem." Gestold verleden, voelbare geschiedenis: dit gaat over landwinning en omgang met die nieuwe aarde. Welke bestemming groeit uit de ontmoeting van land en water, uit de confrontatie van natuur en menselijke ingrepen? Een pad met schelpengruis loopt leeg in de velden, een tractor ploegt de akker. De Aardzee is een reflectie over een land dat totaal kunstmatig is, gewonnen op het IJsselmeer en dat her en der z'n eigen gangetje gaat, zoals ook de Oostvaardersplassen ooit de landschapsplanners, bouwondernemers en speculanten een hak hebben gezet ten voordele van die miljoenen gevederde vrienden.Aan de rand van Almere-stad is het anders gelopen: waar de Oostvaardersplassen zich nog eigengereid en listig tot een natuurgebied van moerassen en rietvelden hebben ontwikkeld, lijken de Noorderplassen menselijke nabijheid te moeten dulden. Aan de rand van de stad groeien nieuwe buitenwijken, met huizen op het water, vernuftige paaldorpen met tuintjes en aangemeerde bootjes, een mini-Venetië waar de straten namen dragen als Land in zicht, Op Koers of Aan de wind. Misschien is dit geen representatieve, want dure woonwijk, maar onder de weidse hemel getuigt ze wel van de harmonie, die mens en natuur in het Flevoland van de 21ste eeuw zal verbinden. Die gedachte bekoort: dorpen groeien op de zeebodem, dit is nieuw land op de verdwenen zee. De bewegwijzering is slecht, ik vind niet meteen wat ik zoek. Maar de combinatie van provinciekaart en folder (van het Almeers Centrum Hedendaagse Kunst de Paviljoens) leidt me dan toch naar het landschapspark De Wetering in Zeewolde. Aan weerszijden van een brug staan op de zachte hellingen de twee lange blauwige betonmuren van Sea Level: ze zijn een kwart meter dik, 200 meter lang doorklieven ze diagonaal het park. Ze groeien in de grond, ze lijken uit de diepe aarde te komen, hellend en traag, maar onder de felle hemel is de bovenkant van de muur zo recht als de platste Hollandse polder. De bovenlijn geeft het vroegere zeeniveau aan: hier is echt een dorp gebouwd op de zeebodem, Sea Level is de zoveelste herinnering aan de geboorte van Flevoland. Zonder dijken zou er geen dorp zijn, zonder deze symbolische wanden zou Zeewolde als een verzonken ruïne sluimeren onder het wateroppervlak. De blauwe muur is massief, donker en dreigend. Ze "impliceert de aanwezigheid van de zee", zegt de Amerikaan Richard Serra over het werk dat hij hier in '96 heeft gezet. Voor het land dat nauwelijks geschiedenis en verleden heeft, gewoon omdat het nog te jeugdig is, heeft de kunstenaar een indringend geboortekaartje ontworpen. Op de vijver dobberen fuut en meerkoet, fietsers en rolschaatsende meisjes glijden argeloos en beschut voorbij het object. Voor Serra zelf had dit werk nergens anders kunnen staan, al zeker niet in een museum, maar ook niet in een ander landschap: de 'topografie van de plek' bepaalt het werk, het is plaatsgebonden. De voorbijganger is niet gedwongen ernaar te kijken, maar integreert zich in het geheel van kunstwerk en leefomgeving. Als het dan al Serra's bedoeling was dat ik dit werk eerder toevallig zou ontdekken, dan maakt het ongemak van de ontoereikende bewegwijzering misschien wel deel uit van een vrolijk 'complot'.Ella Derksen, directeur van het Kunst Centrum Flevoland in Zeewolde, wil Flevo-kunstenaars steunen en de 'Landschapskunst' promoten: "Sommige werken staan er al zolang dat zelfs Flevolanders het niet meer weten. Alles is begonnen met het Observatorium van Robert Morris. Flevoland is een land met een merkwaardige en jonge historie, we hebben hier geen oude kunst of musea. Meerdere gemeenten zijn geïnteresseerd in die 'Landschapskunst'. Zeewolde is de jongste gemeente van Flevoland, amper 15 jaar jong. Hier willen we een 'Kunstbaan' aanleggen, een route met zeven of acht werken langs bos, dijk en dorp. De wand van Serra staat er al, net zoals het open huisje met de muurschildering van Jan van der Pavert, die Diego Rivera in de Sovjet Unie heet. Bedoeling van dat traject is de geschiedenis van dorp en polder vorm te geven, met handgemaakte kunstwerken in een door mensen geschapen natuur. Daaromheen willen we ook experimenteren, met tijdelijke werken en manifestaties. Zeewolde als een soort openluchtmuseum. Maar als je ook alle andere kunstwerken wil bekijken, heb je een auto nodig. Of je moet een goeie fietser zijn." En je moet een goede overnachting zoeken. In het vreemde Lelystad, waar de eerste inwoners pas in 1967 hun intrek namen en waar vandaag de Batavia ligt aangemeerd, schrik ik even op: voor de nacht sturen ze me naar het industriegebied. Maar na wat zoekwerk kom ik voorbij de bedrijven in een biologische landbouwzone terecht. Aan de overkant staat een theehuisje, bij Dorothé Miggelbrink en Bas Paul krijg ik in Doors Logies een bed and breakfast, de rust en de avondzon zijn inclusief. Het is een perfecte uitvalsbasis voor de laatste in het land uitgestrooide kunstwerken. Het geurt lekker naar koeienstront, in de bomen zingen tjiftjaf en winterkoning, op een draad zit een roodborsttapuit. Ten noordoosten van Lelystad staat het Observatorium van Robert Morris, gebouwd in 1977 en geïnspireerd op de tempel van Hatsjepsut in Luxor, op het Cambodjaanse Angkor Vat en de muren van het Mexicaanse Saccaihumán. Vanuit de lucht moet dit eruitzien als een soort Stonehenge of een Keltische stenenring. Ik loop door een driehoekige poort, dan door een vierkanten toegang en sta in een cirkelvormige ruimte, met een diameter van 91 meter, met heuvels van 4 meter hoog, met cirkels en vizieren. Het observatorium wil de bewegingen van de zon aan de hemel volgen. Vanop een steen in het midden van de ring geven drie vizieren in het oosten me uitzicht op de veranderende zonsopgangen. In het middelste vizier: 21 maart en 21 september, equinox of de twee momenten dat dag en nacht even lang duren. Links de zomerzonnewende van 21 juni, rechts de winterzonnewende van 21 december. Stenen en staalplaten geven aan waar de zon op die dagen precies opkomt. De zon als kunstwerk, onzichtbare gebeurtenissen vastgehouden in staal en steen en aarde, vier geboortes van Flevoland. Voor de kunstenaar liggen religieuze noch militaire overwegingen aan de basis van zijn werk: het is "het vinden van een nieuwe benadering van tijd, plaats en functie." Tijdens mijn bezoek wordt het observatorium net gerestaureerd: dit is vergankelijke kunst, ingebed in het wisselen van de seizoenen en de cycli van de tijd, die het moet afleggen tegen de onoverwinnelijke natuur. Rondom zweven elektriciteitsmasten, atonale notenbalken overspannen de vruchtbare aarde, tulpenvelden kleuren de oneindige horizon. Zelfs hier op deze opgespoten gronden krijgt de natuur stilaan menselijke trekjes. Het vreemde is dat die hoogtechnologische decors ook mooi kunnen zijn. Langs de waterkant staan ridders van staal, molenwiekende masten in een strenge rij, een windmolenpark dat mega-watts elektriciteit produceert en toch, zo tussen de schapen en zeevogels, zijn ze altijd weer technologische poëzie.Eens over de brug van het Ketelmeer bereik ik Urk, ooit een eiland en nu een gesloten vissersstadje op het vasteland. Een sluimerende haven, nauwe straten met strenge zeden en gewoonten, een kerkje en een stralende vuurtoren. Aan de waterkant staat een beeld voor het harde vissersleven: het gedenkt hen die de steven wendden en zij die achterbleven en wachtten; er werd gebeden en geleden als tinge werd gebracht, de boodschap dat de vissers op zee waren gebleven, dat ze in de golven waren omgekomen. De tekst eindigt met het eerste vers uit de Apocalypse of de Openbaring van Johannes, hoofdstuk 21: "En de zee was niet meer". Op de terugweg wil ik langs de Tureluurweg nog een groeiend kunstwerk zien: de Groene Kathedraal van Marinus Boezem. Eerst is er een grasveld met beuken, 75 op 150 meter groot. Verderop staan monumentaal 178 Italiaanse populieren, ranke silhouetten die als de muren van een gotische kerk verticaal omhoog jubelen. Ze zijn geplant in 1987 en groeien, ze nemen de vorm aan van zuilen, transepten en kerkschip, en zullen ooit, als ze volgroeid zijn na 30 jaar, lijken op de Notre Dame van Reims. Een kerk puur natuur. Ergens rond 2006 zullen de bomen dan langzaam sterven en zal de kathedraal vervallen tot een ruïne van hout. Vooraan prijkt op een steen de plattegrond van de kerk met de naam van de kunstenaar, met daarachter een netwerk van lijnen in steen die de ribben van de gewelven moeten weerspiegelen. Ook dit is dus een kunstwerk dat appelleert aan ruimte en tijd, aan een snel veranderend landschap, nog jong en toch al getekend, gevormd en gekneed, met een almaar menselijker profiel dat niettemin veranderlijk en vergankelijk is. Misschien hoort bij een artificieel landschap wel tijdelijke kunst. In de folder schrijft Edna van Duyn over de kerk met haar miljoenen blaadjes en takken: "Er wordt in getrouwd, het is een ontmoetingsplek en misschien zal er in de toekomst ook nog begraven worden." Zo hoort het. En de muziek is er ook, ze zijn er nu allemaal: fitis en grasmus, tuinfluiter, wielewaal, zwartkop en heggemus, een veelstemmig koor in dit nieuwe land dat dan officieel wel Flevoland heet, maar dat met z'n open kunstwerken en miljoenen vogels voor mij altijd de schitterende Flevopolder zal blijven. Voor een rustige uitvalsbasis in het groen: Doors Logies, Bronsweg 18, 8222 RB Lelystad, Tel. (00-31) 320.233.801. -Kunst Centrum Flevoland, Stevinweg 2, Postbus 1, 3890 AA Zeewolde, (00-31) 36.522.70.37. -Inlichtingen: Nederlands Bureau voor Toerisme, Louizalaan 89, Postbus 136, 1050 Brussel 5, Tel. (02) 543.08.01, fax (02) 534.21.94, website: www.hollandtoerisme.beTekst en foto's Mark Gielen