"Is dit vlees?" vraagt mijn dochter van zes. Wantrouwig prikt ze in de chipolata die ik haar voorschotel, op een bedje van puree en appelmoes. Haar lievelingskostje.
...

"Is dit vlees?" vraagt mijn dochter van zes. Wantrouwig prikt ze in de chipolata die ik haar voorschotel, op een bedje van puree en appelmoes. Haar lievelingskostje. "Dat zou weleens kunnen", antwoord ik voorzichtig. Ze is al geen goede eter, en ik hoed mij ervoor om dit abstracte worstgegeven naar een dier van vlees en bloed terug te koppelen. "Is het kip of is het varken?" "Kip", zeg ik haastig. Ik vermoed dat pluimvee lager staat in haar rangorde van aaibaarheid. "En wás die kip al dood? Of hebben ze haar speciaal doodgemaakt?" Ik mompel dat ze al dood was. Ik hoor in de verte de haan kraaien. "Want om diertjes te eten die speciaal voor mij zijn doodgemaakt," glimlacht ze lief, "daarvoor zie ik diertjes te graag natuurlijk." "Natuurlijk", zeg ik en ik voel mij een verrader, terwijl ik de schaaltjes van piepschuim opruim. Celtic lamb, staat op het etiket te lezen. Hoe heette ook alweer dat lammetje dat wij gisteren aaiden? Die avond, wanneer zij de slaap slaapt der rechtvaardigen, lees ik over vleesvervangers. Ik maak kennis met kipstuckjes en gehacktballen van de Vegetarische Slager. Snij de ui in kleine stukjes, hak de peterselie fijn en verkruimel de beschuiten.Mijn verhouding met vlees is moeilijk geworden. Een stoofpotje hou ik voor bekeken als zich tussen de malsheid een stukje kraakbeen blijkt te verschuilen. Ik kan geen vuile vriend - aka salami - meer zien zonder te denken aan het leed in slachthuizen. In een sterrenrestaurant vond ik in de wilde eend twee korrels hagel. Ik at voort met lange tanden en voelde mij opdrachtgever van een sluipmoord. Toch kom ik uit een wereld waarin ze lever en hersentjes aten. Mijn lievelingsgerecht als kind waren vette darmen. Mijn grootvader bracht die mee van bij de dorpsslager, waar ze slechts af en toe voorradig waren. Het pannetje was geblutst. De darmen pruttelden in echte boter op het butagasvuurtje. Bruin en knapperig verschenen ze op tafel. Mijn grootvader vroeg met een hart van koekebrood of het mij smaakte. Ik stond er geen moment bij stil dat ik in ingewanden zat te graaien. We waren wrede wezens, daar in ons keukentje in de Sint-Amandusdreef, waar het licht hoopvol naar binnen viel. Licht trekt zich niets aan van zijn omgeving. Zelfs in het zaaltje waar de guillotine staat, is een zonnestraal poëtisch. Mijn grootvader had er geen moeite mee een kip de kop af te slaan of een konijn te kelen. Hij voedde zich met dieren die hij zelf had horen spreken. Nu is alles anoniemer geworden en weker. Ik walg als ik hoor dat snoep gelatine bevat, of dat ze visslijm gebruiken om wijn te klaren. Soms denk ik aan de lange stoet van weerloze dieren waaruit ik een hap of twee heb genomen. Vegetarisme kan een uitweg zijn, hoewel het vermoeden groeit dat zelfs planten een bewustzijn bezitten. Onderzoek toont aan dat zij complexe organismen zijn, die misschien niet zo heel erg van dieren verschillen. "Planten zijn geen robots", zegt een bioloog aan de universiteit van Bonn. "Het zijn levende organismen met hun eigen problemen. Je kan het misschien vergelijken met mensen die pijn of plezier voelen." Als dat waar is, wordt het voor gevoelig volk ingewikkeld om zich te voeden. Eten of gegeten worden: soms droom ik van een genadiger universum, met een klachtenloket voor natuurwetten die van de pot gerukt zijn.