Arme mensen hebben één ding voor op rijkaards : ze zijn inventiever. Noodgedwongen. Rover had de voorbije jaren nauwelijks geld om eigen types te ontwikkelen en zocht daarom toenadering tot het Indiase Tata voor de CityRover en maakte het Chinese SAIC het hof om te kunnen overleven. Bestaande modellen werden - al dan niet met succes - wat opgedirkt om een schijn van vernieuwing op te houden. Rovers met wat extra pk's kregen een MG-logo opgeplakt, zoals de turb...

Arme mensen hebben één ding voor op rijkaards : ze zijn inventiever. Noodgedwongen. Rover had de voorbije jaren nauwelijks geld om eigen types te ontwikkelen en zocht daarom toenadering tot het Indiase Tata voor de CityRover en maakte het Chinese SAIC het hof om te kunnen overleven. Bestaande modellen werden - al dan niet met succes - wat opgedirkt om een schijn van vernieuwing op te houden. Rovers met wat extra pk's kregen een MG-logo opgeplakt, zoals de turbodiesel die we een paar weken geleden testten. De MG ZT 260 is andere koek. Op het uitstekende onderstel van de Rover 75, een voorwielaandrijver van BMW-origine, probeerden de ingenieurs een gedurfde oefening uit : onder de kap werd een FordMustang V8-motor plus versnellingsbak gemonteerd die bovendien de achterwielen aandrijft. Dat vergde nogal wat aanpassingen van de bodemplaat omdat niet alleen in een transmissietunnel moest worden voorzien, de versnellingsbak eiste ook ruim plaats. Van buitenaf valt de MG ZT 260 niet echt te onderscheiden van zijn brave broertjes, al springt de dubbele uitlaat natuurlijk in het oog. Op welk publiek deze V8 mikt, is niet meteen duidelijk, maar de prijs van 46.895 euro is op zijn minst scherp gesteld. De motor is zeer Amerikaans : een ruim slagvolume van 4.6 liter (volgens het principe nothing equals cubic inches), dat een niet eens zo indrukwekkende 260 pk aflevert en een genereus koppel van 410 Nm, dat wat hoog in de toeren gezocht moet worden. Achter het stuur oogt alles nog behoorlijk Brits, maar wie de Mustang de sporen geeft, wordt op het zalige orkest van een V8 getrakteerd. In tegenstelling tot de Europese hogetoerenmotoren, klimt zo'n Amerikaan niet echt vinnig in de toeren en voor een sprintje naar de 100 km per uur zijn een volle 7,5 seconden nodig. Dat zijn niet echt sportwagencijfers, maar dat hoeft ook niet : het diepe geroffel en het rijgevoel zijn apart en door het genereuze koppel hoeft er ook nauwelijks te worden geschakeld. Opmerkelijk is ook dat het rijcomfort zeer behoorlijk is, absoluut niet Amerikaans zweverig en evenmin Duits hard. Over de grip kunnen we kort zijn, de ZT 260 houdt zich uitstekend in de bochten en de stoelen zorgen voor prima ondersteuning. Zodat het geheel ons wel wat kan verleiden. Wie het verstand laat spreken, ziet geen enkel heil in zo'n potige V8. Het verbruik is nauwelijks nog van deze tijd : wie een beetje doorduwt, zit in geen tijd aan 13 liter/100 km, wie voorzichtig rijdt, raakt nooit onder de 10 liter/100 km. En wie de aankoopprijs best interessant vindt, moet weten dat de fiscus elk jaar meer dan 1770 euro komt vragen, dat de BIV 4957 euro bedraagt en dat de brandstofkosten de pan uit swingen. En toch vonden we het ritje met de ZT 260 best aardig. Nostalgie zeker ?Pierre Darge