Nadat bioscopen, theaterzalen, karaokebars en internetcafés er zijn gesloten, mogen jonge koppeltjes in Peking nu ook niet meer trouwen. Op plaatsen waar veel mensen samenkomen, acht de overheid het gevaar voor sars-besmetting te groot. Dat kille vierletterwoord staat voor Severe Acute Respiratory Syndrome. Op het moment dat ik dit schrijf, heeft die ziekte wereldwijd al 133 mensenlevens gekost. Als u dit leest wellicht al veel meer.
...

Nadat bioscopen, theaterzalen, karaokebars en internetcafés er zijn gesloten, mogen jonge koppeltjes in Peking nu ook niet meer trouwen. Op plaatsen waar veel mensen samenkomen, acht de overheid het gevaar voor sars-besmetting te groot. Dat kille vierletterwoord staat voor Severe Acute Respiratory Syndrome. Op het moment dat ik dit schrijf, heeft die ziekte wereldwijd al 133 mensenlevens gekost. Als u dit leest wellicht al veel meer. Nu ben ik niet het type dat bij het horen van dergelijke onheilstijdingen meteen in paniek naar een mondmaskertje grijpt, of alleen nog met een papieren zakdoekje een deurklink durft aan te raken. Bomaanslagen en besmettelijkheden hebben mij altijd al minder angst ingeboezemd dan, zeg maar, de kartonnen desolaatheid van een verregende feestdag in mei. Dat verandert echter snel als ik De zwarte dood begin te lezen, het goed getimede boek waarin de New Yorkse hoogleraar Norman F. Cantor beschrijft "hoe de pest de wereld veranderde". Aan de 'pestilentie', leer ik daaruit, stierven tussen 1347 en 1350 rond de twintig miljoen mensen. Dat is bijna de helft van de toenmalige Europese bevolking. Liep een mens builenpest op, dan had hij tachtig procent kans om binnen twee weken te bezwijken aan longontsteking, hoge koorts en bubo's : bijzonder pijnlijke en lelijke zwarte builen in de liezen of oksels. De ziekte dook zo snel en onverwachts op dat sommige wetenschappers nog altijd denken dat ze afkomstig was uit ruimtestof. Je moet overigens niet tot de Middeleeuwen opklimmen om tegen een virus aan te botsen dat de bevolking decimeerde. In 1918 eiste de Spaanse griep een twee keer hogere tol dan al het wapengekletter van de Eerste Wereldoorlog samen : veertig miljoen mensenlevens wellicht. Een van hen, meen ik mij te herinneren, was een oudere zus van mijn vader. Volgden nog de Aziatische griep van 1957 en de Hongkonggriep van 1968, beide ook weer met miljoenen slachtoffers. Daarna werd het stil. Voorlopig tenminste, want al jaren verwachten wetenschappers een nieuw virus dat met zijn vuile staart vernietigend over de aarde zal vegen. De vraag is niet zozeer óf dat zal gebeuren. De vraag is meer : wanneer ? Wellicht is Sars een voorbode van een dergelijke wereldwijde plaag. Onfortuinlijk genoeg valt de recente outbreak ook nog eens samen met de ontdekking van talrijke vogelpesthaarden die al even bedreigend kunnen zijn. Een vogelgriepvirus dat overspringt naar een varken, zich mengt met een griepvirus dat dat varken bij zich draagt en zo een epidemie bij mensen veroorzaakt : het moet voor zowat elke viroloog de ergste nachtmerrie zijn. "Vijfentwintig jaar geleden was er nog een soort euforie over infectieziektes", bekent een van hen deemoedig. "We zouden ze er wel onder krijgen, allemaal. Inmiddels weten we dat dit niet zo is." En dan te bedenken dat we een kwarteeuw geleden juist met zoveel verwachting naar déze tijd vooruitblikten. Het magische jaar 2000 zou in de ogen van velen het startschot betekenen van een Gouden Eeuw vol voorspoed en welvaart. We zouden naar de sterren reiken en genieten van zeeën vol vrije tijd terwijl robots ons werk deden. En ziekten, ach... Daar zou de wetenschap toch allang korte metten mee hebben gemaakt. Hoewel we toen de geneugten van fax, e-mail en Temptation Island nog niet kenden, krijg ik hoe langer hoe meer de indruk dat die verre jaren zeventig minder bedreigend en veel meer "easy livin' " waren dan nu. Om mij toch vooral niet door jeugdsentiment te laten verblinden, leg ik de kwestie voor aan een collega die ergens in de jaren dertig is geboren en van wie ik dus meer overzicht verwacht. "Of we er nu beter voorstaan dan toen ?" herhaalt hij grimmig mijn vraag terwijl hij naast me in de auto zit. Met doodsverachting razen we weer over die ellendige versmalde rijstroken. "Ik weet alleen dat we met veel te velen zijn." Kwaad wijst hij naar al het glimmend blik dat rondom ons alweer vastklit tot een gigantische file. Met die instinctieve opmerking blijkt hij nog gelijk te hebben ook. "De volle wereld heeft sars gebaard", hoor ik een paar dagen later uit de mond van de vooraanstaande Nederlandse viroloog Jaap Goudsmit. "We leven met zijn allen op elkaar. Het vee wordt dicht op elkaar gehouden, de kans op het overspringen van virussen van dier naar mens neemt toe." Misschien moet ik straks toch maar eens mailen naar Marc of Patrick Dewulf, bedenk ik in een opwelling. Die Gentse broers zoeken tien "gepensioneerde bakkers of mensen met een klein kapitaaltje" die elk 125.000 à 250.000 euro willen investeren in de aankoop van een onbewoond eiland. Voor de kokosnoten, het kristalheldere water en het strand natuurlijk, maar vooral als levensreddend toevluchtsoord voor als straks ergens ter wereld een dodelijk virus uitbreekt. Hoewel op het eerste gezicht vrij onnozel is dat in deze verwarrende tijden wellicht een betere investering dan de typische kwaal van de dertiger : een oud huis waaraan je van het verbouwen een zere rug overhoudt. Jean-Paul Mulders