In de Westhoek is 'paardenmeester' (de oude benaming voor veearts), Hendrik Adriaen (1868-1951) nog steeds een bekende naam. Zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen houden een traditie in ere die hij heeft opgestart : het verzamelen van kunst, oudheden en antiquiteiten. Ondertussen zwermde de familie uit over heel Vlaanderen en tref je overal collectionerende nazaten. Ze spreken met ontzag over 'grootvader' wanneer ze de legendarische verzamelaar bedoelen, ook al is hij hun grootvader niet in rechte lijn. De paardenmeester verzamelde in de geest van de grote collectioneurs uit de Gouden Eeuw mooi...

In de Westhoek is 'paardenmeester' (de oude benaming voor veearts), Hendrik Adriaen (1868-1951) nog steeds een bekende naam. Zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen houden een traditie in ere die hij heeft opgestart : het verzamelen van kunst, oudheden en antiquiteiten. Ondertussen zwermde de familie uit over heel Vlaanderen en tref je overal collectionerende nazaten. Ze spreken met ontzag over 'grootvader' wanneer ze de legendarische verzamelaar bedoelen, ook al is hij hun grootvader niet in rechte lijn. De paardenmeester verzamelde in de geest van de grote collectioneurs uit de Gouden Eeuw mooie objecten, zoals Delfts aardewerk, archeologica en gebruiksvoorwerpen. "Zo bracht hij veel werktuigen, archiefdocumenten en bodemvondsten samen", vertelt kleinzoon Mark Adriaen (°1949). Door zijn beroep kwam hij op veel plaatsen en soms liet hij zich bijvoorbeeld betalen met een oude schotel. Niet alleen het bezit vond hij belangrijk, voor hem was verzamelen redden wat anders verloren ging. En dat was voor en na de Eerste Wereldoorlog heel wat."Van elk belangrijk object maakte hij een nauwkeurige wetenschappelijke beschrijving en tekening. Van de archeologica noteerde hij de vindplaats en hij deponeerde een kopie van zijn catalogus in het Jubelparkmuseum. Hij hield in zijn streek ook voordrachten over oude beroepen en geschiedenis, om de bevolking voor het erfgoed te sensibiliseren. "Dat lukte aardig", merkt Mark op. "Grootvader werd als een soort streekarcheoloog beschouwd. Als iemand iets vond, kwam men het hem tonen."Tijdens de Eerste Wereldoorlog stuurde hij niet alleen zijn kinderen maar ook zijn collectie naar Frankrijk. Bij de tweede wereldbrand begroef hij zijn houten beelden in betonnen afvoerbuizen in een weiland, waar ze door het water werden aangetast. Wat breekbaar was, werd in een waterput verstopt. Maar zijn grootste zorg was ongetwijfeld de toekomst van de collectie. "Grootvader was bang dat alles versnipperd zou geraken", zegt Mark. Wat ook gedeeltelijk gebeurde, want sommige stukken kwamen terecht bij aangetrouwde families, met wie de Adriaenstelgen, net daardoor, nog veel contact hebben. Het was immers een erg omvangrijke verzameling die duizenden oudheden telde. "Het wonderlijke is dat iedereen die een stuk van de collectie erfde ook ging verzamelen. Het collectioneren is een echte familietraditie geworden die de band versterkt. Een extra reden om elkaar te ontmoeten. Bovendien werken we ook dikwijls samen om tentoonstellingen te bouwen, zoals onlangs nog over de pottenbakkers van Poperinge", aldus Mark. Volgens hem schuilt het geheim van dit succes in de opvoeding. "De kinderen krijgen al snel een stukje antiek of een archeologische vondst als geschenk. Bovendien hebben verschillende leden van de familie een eigen klein museum van volkskunde en archeologie. Van kindsbeen af helpen de kinderen mee met het onderhoud, waardoor ook hun belangstelling wordt gewekt. We zijn ervan overtuigd dat de volgende generaties deze traditie zullen voortzetten." (Familiefoto zie volgende pagina). -ie Piet Swimberghe