Hij maakte zijn eerste foto vijftig jaar geleden, maar wel als tiener. De titel van zijn meest recente (en volledige) uitgave Skrebneski: The First Fifty Years klopt dus in theorie, maar zijn echte professionele loopbaan begon pas een tiental jaren later. Die eerste rudimentaire snapshot is in het boek opgenomen, haast achteloos tussen de rest van de technisch perfecte platen gegooid: een korrelig portret van zijn zusje, het gelegenheidsmodel van dienst voor de indertijd nog klungelig met camera en lichtmeter experimenterende Skrebneski. Ze ziet eruit als een hooghartige filmster, genre stille film, en dat was ook de bedoeling.

Victor Skrebneski, in 1929 geboren uit een Pools-Russische familie, hield en houdt van filmdiva's en glamoureuze houdingen, net als vele van zijn collega-modefotografen en -schoonheidsbelijders. Hij heeft zijn beroep gemaakt van het eeuwig vastleggen van mooie vrouwen, jonge modellen en markante beroemdheden, eerst voor de advertentie-industrie, later voor glossy magazines, en de laatste tijd alleen nog voor zichzelf, want het commerciële circuit is hij grotendeels ontgroeid. Nu maakt hij abstracte stadsbeelden, en lichaamsstudies, en portretten van niet eens zo bekende kunstenaars en Amerikaanse chef-koks.

Het grote publiek kent zijn werk, maar in veel mindere mate zijn naam: van 1962 tot 1989 was hij de vrijwel anonieme hoffotograaf van Estée Lauder, voor wie hij de reclamebeelden maakte. Glanzende en kraaknette prenten van Lauder-girls als Karen Graham en Paulina Porizkova, ter ondersteuning van alweer een nieuwe lipstick of crème. In de jaren tachtig trok hij vooral op pad voor Town & Country; hij zette dan zijn apparatuur op in de luxueuze appartementen en ateliers van gevestigde modeontwerpers als Karl Lagerfeld, Sonia Rykiel, Carolyne Roehm en Hubert de Givenchy. Met deze laatste werkte Skrebneski meer dan eens samen, voor reportages, maar ook voor catalogi en meer persoonlijk werk. Het in '98 verschenen boek The Givenchy Style staat vol met Skrebneski-foto's van langoureuze jurken en overdadig rijkelijke japonnen, naast vele intiemerige portretten van de nu afgetreden couturier.

De archieven van Skrebneski bevatten sowieso veel couturefoto's, van Galanos-mantels, Lacroix-bolero's en van Chanel-muiltjes. En van creaties van Ferré, Geoffrey Beene en Versace. Allemaal namen die klinken, maar niet langer in de oren van de laatste generatie modefans en -professionals. De connotatie met de luxe-elite heeft van Skrebneski een begrip gemaakt bij eerder traditioneel ingestelde liefhebbers van pracht en praal, maar zorgt er ook voor dat de huidige avant-garde de fotograaf als passé en oubollig beschouwt, als een bestoft relikwie van de oude stempel.

Wat een misvatting is, want Skrebneski is wel degelijk cool. Behalve dwarrelende jurken fotografeerde hij gedurende zijn carrière ook en vooral allerhande film- en theatergezichten, Factory-sterren, grafzerken, Parijse conciërges, vuurwerk, straatbeelden en stillevens. Van alles wat dus, en veel, en imposant. Zijn verscheiden werk is te vergelijken met dat van tijdgenoot Richard Avedon, omwille van de harde maar altijd zalvende zwartwitstijl, of met dat van Francesco Scavullo, voor de flamboyante, onverhuld glamoureuze look.

Wat Skrebneski wel onderscheidt van zijn collega's is zijn gevoel en voorliefde voor dramatiek, het liefst in de overtreffende trap: effectrijke schaduwen, heroïsche perspectieven, klassiek-Helleense houdingen. Zie een reeks portretten die hij in de loop van de jaren zeventig van bekende figuren maakte: allemaal kregen ze eenzelfde zwarte coltrui aan, zodat enkel het gezicht door de intense belichting afgelijnd werd. Truman Capote veranderde dus als vanzelf in een sfinx, Orson Welles in een Zeus-achtig personage en Bette Davis in een mysterieuze tragédienne. Een gezamenlijk portret van David Bowie en Iman, uit '91, toont de mannequin als een naakte, verheven Salomé, met onder haar arm het triest kijkende hoofd van haar net verworven echtgenoot. Met dezelfde Iman maakte Skrebneski in '88 de ondertussen beroemde en vaak geïmiteerde foto waarop ze in een onmogelijk strakke Valentino-jurk als een dominatrice leunt op de schouder van een neergeslagen blote man.

Volgepropt met zulke overduidelijke classicistische referenties komen dergelijke beelden vervaarlijk dicht in de buurt van de postkaartkitsch en de homo-erotische camp, maar ze blijven uiteindelijk indrukwekkend, op voorwaarde dat men ze oncynisch bekijkt. Dat geldt ook voor de vele naaktstudies die Skrebneski vooral de laatste twee decennia produceert en waarvoor hij enkel anatomisch perfecte modellen selecteert, een Cindy Crawford bijvoorbeeld, of een troep uit de kluiten gewassen bodybuilders. Hun lichamen worden dan in een pose geduwd en getrokken en zo contrasterend belicht dat ze in niets meer verschillen van de witmarmeren Griekse standbeelden uit de geschiedenisboeken. Of ze lijken op de spookfiguren van de doeken van Francis Bacon, Skrebneski's favoriete schilder waaraan hij allerhande fotografische hommages brengt. Waar Bacon zijn werken baseerde op bewogen actieplaatjes van lichamen en gezichten, draait Skrebneski het procédé om en brengt hij picturale foto's waarin de tot schimmen en vlekken gereduceerde menselijke contouren doorheen het beeld striemen.

De Bacon-replica's tonen aan dat Skrebneski niet alleen voor statische, verkilde poses staat; het belangrijkste voor hem, toch in het latere deel van zijn loopbaan, is het "vangen van het moment en tegelijk van het volgende moment", met andere woorden het tijdsaspect van de fotografie. Het merendeel van de portretten sinds de jaren negentig toont dan ook gezichten in beweging, aan het praten, aan het lachen, hun hoofd schuddend. Bijgevolg zijn de foto's onscherp, ietwat wazig en letterlijk gelaagd, tussen abstract en impressionistisch, maar dan in inktzwart en koel wit.

Op deze manier fotografeert hij ook zijn lievelingsstad Parijs: de Eiffeltoren en de oevers van de Seine bij nachte zien er door de lens van Skrebneski waarheidsgetrouw poëtisch uit, maar ook een beetje chaotisch en onheilspellend.

Het boek Skrebneski: The First Fifty Years bevat de hele plejade aan stijlen die hij zich de afgelopen jaren heeft toegeëigend; het is een onevenwichtige selectie, niet qua kwaliteit, eerder in de zin van: vol tegenstellingen en contrasten. Toch is de allermooiste foto een van de meest simpele. Het portret van Vanessa Redgrave uit '67, waarop de actrice zichzelf omarmt en/of streelt, haar ogen gesloten en haar haren wild om haar hoofd waaiend, waardoor de kijker niet weet of ze ligt of staat. Wie wil kan er een klassieke diva-pose in lezen, maar er ook een ontwapenende en humane bespiegeling in zien. Het is zo'n universeel beeld dat Skrebneski de foto indertijd gemakkelijk aan Estée Lauder had kunnen verkopen.

Skrebneski, The First Fifty Years. Edition Stemmle, 192 blz., richtprijs 3950 fr.

Peter De Potter / Foto's Victor Skrebneski