Nooit gedacht nog eens door weemoed te worden bevangen, scherp als vensterglas dat door een ontploffing kapot is gesprongen, in een baanrestaurant langs de Autoroute du Soleil, tijdens het eten van een gerecht waarvan de ingrediënten met enige moeite zijn weder samen te stellen.
...

Nooit gedacht nog eens door weemoed te worden bevangen, scherp als vensterglas dat door een ontploffing kapot is gesprongen, in een baanrestaurant langs de Autoroute du Soleil, tijdens het eten van een gerecht waarvan de ingrediënten met enige moeite zijn weder samen te stellen. "Ce sont des intestines de porc", heeft de vrouw achter de toonbank - vlezige armen, potsierlijke papieren koksmuts - nochtans gewaarschuwd, maar ik heb niet goed geluisterd of er mij anderszins toch niets van aangetrokken. Tot ik aan tafel de vork in de mond steek en op slag teruggekatapulteerd word naar de jaren zeventig van de vorige eeuw, zoals men nu al een jaar of tien zegt, wat het alleen maar onherroepelijker maakt. Vette dèrms, denk ik, met de mokerslag van de herkenning. Mijn grootvader bracht ze voor mij mee van de slager, speciale bestelling ongetwijfeld, om ze thuis in een wankele pan op het Butagazvuurtje in boter te bakken en ze dan goudgeel gebruind te serveren, gekruid met enkel wat peper en zout. Ik vond het een lekkernij, bijna even aanzienlijk als spaghetti of pannenkoeken. Dertig jaar allicht heb ik daar niet meer aan gedacht, terwijl de smaak nu werkt als een pijnlijk perfecte teletijdmachine, zoiets als de madeleinen van Proust, maar dan walgelijker. Dat iets tegelijk afstotelijk kan zijn en trigger van tedere herinneringen. De delicatesse behoort tot de dingen die mijn jeugd schragen, zoals de boterhammen met choco van Kwatta op woensdagmiddag, het geheimzinnige pad langs het funerarium, de geur van gommen in drukkerij Hermans en de stripverhalen De belevenissen van Jommeke, waarin de bankrovers nog ongecompliceerd de boeven waren, en niet de banken. De zwijgzaamheid van de nonkel die 'Steene' werd genoemd en die er naar 't schijnt communistische sympathieën op nahield, waarover gefluisterd werd als over een ziekte. Soundtrack bij dat alles is het geluid van verre wielerwedstrijden en marginale, meertonige autotoeters die gemonteerd waren op Ford Capri's of Opel Kadetts en klonken als tuu-de-luu-duu-tuu-de-lie-tie-tiet. In het verterende licht van het heden kauw ik op de vette darmen en slik ze door, plichtsbewust want mijn smaak is veranderd. Ik ben niet meer tuk op ingewanden en in het vlees dat ik eet, herken ik bij voorkeur niet het dier waar het vandaan komt - zoals onlangs in een beroemd restaurant, waar ons een stuk kort gebakken gevogelte werd toegestopt met een poot die erg geel en obsceen in de lucht stak. Kokhalzend haast hebben wij het verorberd, minder uit goesting dan uit beleefdheid. In het baanrestaurant langs de Autoroute du Soleil, voor we weer verder rijden : bezoek aan de toiletten, die haast zonder uitzondering brilloos zijn in deze contreien. Er hangen van die toestellen die je handen drogen met behulp van hete lucht, en die ooit een sfeer van moderniteit uitstraalden. Als kind was ik daar verzot op, zoals op alle nieuwe snuffen, ik zou mijn handen gewassen hebben tot ze krompen. Al vele jaren echter staat de traagheid van die apparaten mij tegen, hooguit hou ik er mijn handen nog symbolisch onder om ze dan vlug aan mijn broek af te vegen. De heteluchtblazers hoorden bij een bepaald soort vooruitgangsoptimisme, een geloof in de tijden die komen dat ons nu vrijwel geheel is ontnomen en dat gestoffeerd was met frisbees en laserpistolen, de Concorde, de Priba 2000 en de belofte van robots die voor ons zouden stofzuigen. Het is die sfeer die ik mis, ik zou nog eens de toekomst tegemoet willen trekken als op schoolreis, met een baanvaste buschauffeur en ruitenwissers van soepel rubber, die de neerslag wegvegen van de gebeurtenissen waar wij zingend doorheen rijden, zoals klimaatopwarming en duivelsuitdrijvingen, ratingbureaus en het nikabmeisje, de crisis in de Eurozone en de openbare verkoop van Ronald Janssens droogtrommel en tuinslang. Maar vooral die sfeer van constante dreiging, die als cocktailsaus gekwakt is over de mensen en hun zondagavonden. Aan de andere kant herinner ik mij, uit diezelfde tijden van de vette darmen, een artikel in het tijdschrift Zonnekind of Zonnestraal, het kan ook Zonneland geweest zijn. Er stond een naargeestige tekening bij die verbeeldde hoe wij, door de voortschrijdende luchtvervuiling, met z'n allen in ondergrondse paddenstoelen zouden wonen tegen 2015, de tijd die wij nu bereikt hebben. Als ik eens een dag niets te doen heb, wil ik die bladzijde opsporen in de archieven, om met eigen ogen vast te stellen dat de werkelijkheid soms ook genadiger uitvalt dan onze verwachtingen. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul MuldersAls kind was ik verzot op heteluchtblazers, zoals op alle nieuwe snuffen, ik zou mijn handen gewassen hebben tot ze krompen