W arning : transsexual gangsters. De folder die ik meegraai op de luchthaven van Chiang Mai spreekt boekdelen. Van het toerisme in de officieuze hoofdstad van Noord-Thailand worden niet alleen Italiaanse restaurants, golf resorts en wellnessspa's beter. De 'roos van het noorden' is leefbaarder en vaak goedkoper dan Bangkok, dat zevenhonderd kilometer zuidwaarts ligt, maar toch. Ik zit amper een minuut in mijn eerste tuktuk, of de chauffeur wil me al marihuana aansmeren.
...

W arning : transsexual gangsters. De folder die ik meegraai op de luchthaven van Chiang Mai spreekt boekdelen. Van het toerisme in de officieuze hoofdstad van Noord-Thailand worden niet alleen Italiaanse restaurants, golf resorts en wellnessspa's beter. De 'roos van het noorden' is leefbaarder en vaak goedkoper dan Bangkok, dat zevenhonderd kilometer zuidwaarts ligt, maar toch. Ik zit amper een minuut in mijn eerste tuktuk, of de chauffeur wil me al marihuana aansmeren. De 700.000 inwoners protesteren al jaren tegen verdere groei, maar ook het westers aandoende designhotel verraadt de toeristische ambities van de vorige Thaise premier Thaksin Shinawatra, een stadsgenoot. Troeven heeft Chiang Mai te over. De gelijknamige provincie is Thailands natuurrijkste gebied en aan 's lands drie hoogste bergen, de 2595 meter tellende Doi Inthanon op kop, hebben (sportieve) ecotoeristen een flinke kluif. Ook de culinaire traditie, de gastvrije reputatie en de kook- en massagecursussen voor toeristen dragen bij tot de populariteit van Chiang Mai. De Thai koesteren een idyllisch beeld van Chiang Mai, ook omwille van de geschiedenis. Ruim driehonderd boeddhistische tempels en ruïnes getuigen van de culturele rol van Chiang Mai van de dertiende tot de vijftiende eeuw. In het historische centrum, een door grachten en stadsmuren begrensde rechthoek waarin hoogbouw verboden is, krioelt het ervan. Vergeet uw stapschoenen niet. De voornaamste tempel, Wat Phrathat Doi Suthep uit 1383, ligt vlak buiten de stad op een hoogte van 1676 meter. Een lange, met mythische slangen afgeboorde trap leidt er naar een oogverblindende gouden stoepa, geflankeerd door vier paraplu's. Rond het heiligdom liggen onder meer een klooster en koninklijke vertrekken, al trekken vooral de devote monniken, de pagodes en het uitzicht op de stad de aandacht. Een onvermijdelijke attractie is de dagelijkse night bazaar rond Chang Klan Road. Ik verdwaal er al gauw tussen markthallen, winkelstraten, eetstalletjes en een eindeloze rij kramen. Laat u niet afschrikken door de namaakspullen, dankzij zijn ligging op de historische handelsroute tussen de Chinese provincie Yunnan en de (zee)haven van Mawlamyaing in Myanmar, is Chiang Mai al sinds de achttiende eeuw 's lands voornaamste centrum voor ambachtswerk. Behalve vaklieden vervaardigen trouwens ook de talrijke bergvolkeren hapklare souvenirs. Al beleef ik het grootste plezier overdag : de talrijke groenten- en fruitstalletjes en bloemisten zijn een lust voor het oog. Op zondag bieden de marktkramers op Ratchadamnoen Road stoffen, lederwaren, zilveren sierraden en aarde- of houtsnijwerk aan. Ziet u op tegen het onderhandelen over de prijs, dan verkiest u wellicht een korte taxirit naar de verkeersluwe Nimmanhemin Road, een charmante winkelbuurt. In de voortuinen van de design- en antiekzaken en op de terrassen van lokale Starbucksvarianten is het bovendien aangenaam verkoelen. De volgende ochtend vlieg ik met andere 'aliens' - dixit de Thaise douane - van Chiang Mai naar Jinghong. De hoofdstad van de autonome prefectuur Xishuangbanna in de Chinese provincie Yunnan ligt vierhonderd kilometer naar het noordoosten en is een belangrijke havenstad langs de Mekongrivier. Het grensoverschrijdende uitstapje wordt tegenwoordig gepromoot door de Thaise toeristische dienst, en niet alleen omwille van het handelsverleden. In Xishuangbanna ligt de bakermat van het Thaise volk, dat vanaf de achtste eeuw zuidwaarts migreerde doorheen de Mekongvallei. Jinghong zelf was ook de hoofdstad van het Thaise koninkrijk Sipsongpanna, dat in de 15de eeuw bezweek aan de aanvallen van zowel de Mingdynastie als Birmese veroveraars. Zoals vele etnische minderheden in Xishuangbanna blijft de belangrijkste bevolkingsgroep, de Dai, echter nauw verwant aan de Thai. Tot daar de gelijkenissen, want de verschillen tussen Chiang Mai en Jinghong, een stad met 375.000 inwoners, zijn groot. Met Engels kom ik er zo goed als nergens, en de luxe van Chiang Mai is veraf. De winkeltjes, cafés en eettenten zijn er vaak niet meer dan uitgebouwde garages. Mijn schroom om rond te neuzen is snel overwonnen - westerlingen zijn hier zeldzaam en dus is de verwondering wederzijds. Rond het centrale plein liggen brede boulevards met palmbomen en fietspaden. Ze doen zowaar mediterraans aan, terwijl de neonreclame van de discotheken in Las Vegas thuishoort. Vast een fetisj, want de lotto is hier een nationale sport en op de stoep wordt onophoudelijk gekaart en gedobbeld. Meest in het oog springen echter de juwelierszaken en chique groothandels waar u aan geboende tafels de befaamde Puerthee proeft. Beide bedienen de Chinese toeristenstroom, want ook Puerthee, aanbevolen bij hoge cholesterol en bloeddruk, bekoort de kapitaalkrachtigen. Net als bij wijn hebben de beste oogstjaren hun prijs. Zelfs peperdure sculpturen en kitscherige reliëfs van samengekoekte thee gaan vlot van de hand. Zelf beperk ik me tot enkele kleinere plakjes. Na de uitleg, in het Engels, van de voortdurend bijschenkende gastvrouw durf ik niet anders. 's Avonds waag ik me aan Good Chance en New Yes, de danstempels van Jing Hong. De muziek staat er loeihard en op menig tafeltje staat een piramide van bierblikjes, die warm en met ijsblokjes geserveerd worden. Drinken met verstand is hier niet cool. Het kost een halfuur om de obers ervan te overtuigen dat ik slechts één blikje wil. Al is dat buiten de locals gerekend, die de verdwaalde westerling graag trakteren - taalproblemen of niet. Ik wandel op tijd terug naar huis om te merken dat de terrassen van de eetstalletjes ook in de vroege uurtjes vol zitten. De bruutste cultuurschok volgt 's anderendaags, na een busrit van vijftig kilometer door het tropische landschap in de vallei van de Liusharivier. Op de dagelijkse markt van het kleinere Menghai kijk ik met grote ogen naar het vreemde voedsel in de eetstalletjes, het pluimvee en de glibberige vissen. Maar vooral naar de etnische minderheden die er hun oogsten en vangsten aanbieden en hun traditionele, vaak kleurrijke klederdracht. Het is er een drukte van jewelste, mede door de taalbarrière een ondoordringbaar schouwspel. Memorabel is de slagershal, waarvan de smalle gangen donkerrood kleuren van het bloed. De indringende geur is nauwelijks te harden. Overal hangen en liggen karkassen, zonder koeling of hygiëne. Het publiek kan er het vlees en de ingewanden vrijelijk betasten. Een hallucinante ervaring, waarna Mao-memorabilia en nep-Rolexen me niet meer kunnen boeien. In de namiddag bezoek ik, zoals de meeste toeristen in Xishuangbanna, een afgelegen dorp tussen de theeplantages. Op het programma staat Nong Yang, een thuishaven van de Bulang-minderheid. De vervaarlijke putten in de landwegen laten geen minibusjes toe, dus stappen we over op een Chinese tractor met één voorwiel. Neerzitten tijdens de hobbelige rit is zo goed als onmogelijk maar het uitzicht op de heuvelachtige rijstvelden, doorstikt met irrigatiekanalen, is eindeloos. Door de aangename temperatuur en zachte wind vergeet ik dat bleekscheten hier meteen verbranden in de zon. De kennismaking met de Bulang is confronterend, de armoede alomtegenwoordig. De tweehonderd huizen zijn gemaakt van hout of bamboe, op palen, en verstevigd met golfplaten en dies meer. De bereidwilligheid van het dorp om ons het schamele schooltje te tonen en te poseren voor foto's suggereert dat het etnotoerisme samen met de thee inkomsten oplevert, maar de bitterzoete authenticiteit van het achtergestelde oord beklijft. Bij het afscheid zijn de kushandjes van een kleine dreumes in een boeddhistisch gewaad gewoon hartverscheurend. Veel te snel moet ik terugreizen naar Noord-Thailand, 332 kilometer per boot over de Mekong, net geen tien uur varen. De 'moeder van alle stromen', een van de langste ter wereld, ontspringt in het Tibetaans plateau, stroomt zuidwaarts door Yunnan, vormt dan de grens tussen Laos en Myanmar, daarna tussen Laos en Thailand. Via Cambodja en Vietnam mondt de 4350 kilometer lange rivier uiteindelijk uit in de Zuid-Chinese Zee. De eindbestemming van het jacht is Chiang Saen, vlak bij de Gouden Driehoek. Ooit synoniem met de opiumhandel en smokkelkaravanen, is het grensgebied van Thailand, Laos en Myanmar nu een toeristisch centrum. De restaurants aan de oevers, de luxehotels en het hypermoderne opiummuseum trekken vooral westerlingen aan. De Thai maken liever de oversteek naar de casino's in Myanmar, want in eigen land zijn die verboden. Volgens internationale waarnemers blijven de bergvolkeren overigens verknocht aan de papaverkweek. Wat een mens zoals doet tijdens zo'n lange boottocht ? Zich vergapen aan het in mist en nevel gehulde tropische regenwoud (King Kong lijkt ieder moment tevoorschijn te kunnen springen). En lezen. Over prinses Sirivannavari Nariratana, een ontwerpster die haar prêt-à-porter tegenwoordig in Parijs voorstelt, en over de rubberplantages die de biodiversiteit van het regenwoud bedreigen. In Xishuangbanna alleen al herbergt dat regenwoud een kwart van alle diersoorten in China, en een vijfde van alle plantsoorten. We passeren visserssloepen, watertaxi's, benzinestations en grensposten, maar steeds meer oeverdorpen zijn verlaten. De pla buek, de reuzenzeewolf die alleen in de Mekong voorkomt en drie meter lang kan worden, laat zich al helemaal niet zien. De Volksrepubliek bouwt immers intensief dammen op de bovenstroom, die het waterpeil op de benedenstroom in de overige vijf Mekonglanden drastisch verlagen. De lakse milieuzorg in China zorgt bovendien voor watervervuiling. Als bron van voedsel, energie, commercie en transport is de Mekong nochtans de voornaamste levensader van Zuidoost-Azië en van essentieel belang voor negentig miljoen mensen. Meer toerisme in het grensgebied, iets waarrond de Mekonglanden samenwerken, zou paradoxaal genoeg de redding van dit ecologische museum kunnen betekenen. Tekst en foto's Wim Denolf