Waar onze voorouders tevreden moesten zijn met glasplaatjes van amper een paar vierkante centimeter groot, kunnen moderne vensters niet groot genoeg zijn. Architecten beweren dat zo de grens tussen interieur en exterieur vervaagt. Dat is slechts gedeeltelijk waar, want de moderne glasplaat laat geen geluiden door: je hoort geen fluitende vogels of spelende kinderen meer. Bovendien voel je binnen niet of het buiten fris of warm is, want de ramen zijn perfect geïsoleerd.
...

Waar onze voorouders tevreden moesten zijn met glasplaatjes van amper een paar vierkante centimeter groot, kunnen moderne vensters niet groot genoeg zijn. Architecten beweren dat zo de grens tussen interieur en exterieur vervaagt. Dat is slechts gedeeltelijk waar, want de moderne glasplaat laat geen geluiden door: je hoort geen fluitende vogels of spelende kinderen meer. Bovendien voel je binnen niet of het buiten fris of warm is, want de ramen zijn perfect geïsoleerd.Grote moderne glaspartijen verarmen in veel gevallen de architectuur. Neem nu de vliesgevels van kantoorgebouwen, van kop tot teen bedekt met glas. Vormelijk zijn ze zo vereenvoudigd dat er geen variatie of fantasie meer mogelijk is: al die gebouwen lijken erg op elkaar. Hiermee houdt het vensterraam op te bestaan en blijft alleen de glasplaat behouden. Het glas wordt eigenlijk gedegradeerd tot een wandbekleding, zoals hout, baksteen of beton. Vroeger overheerste de hang naar comfort nooit de aandacht voor de vormgeving. Tot de markt overspoeld werd met industriële bouwmaterialen en de ambachtelijke schrijnwerkerij teloorging. Doordat glas eeuwen geleden schaars en bovendien erg prijzig was, werd het minder gebruikt. De ramen waren klein, maar bij wijze van compensatie toch aardig van proportie en vormgeving. Soms waren ze minuscuul, zoals de gluurnisjes van sommige middeleeuwse huizen in de Brugse binnenstad. Toch waren er ook middeleeuwers die grote vensters nodig hadden: vooral ambachtslui probeerden zoveel mogelijk het daglicht te benutten. Dat had gevolgen voor de architectuur. Precies om het licht zo diep mogelijk te laten binnendringen in het interieur, hadden die oude gebouwen hoge plafonds en vensters tot tegen de zoldering. Op de tableaus van de Primitieven zie je dat glas tot het eind van de 15de eeuw niet voor iedereen beschikbaar was. Gewone lieden hadden vensters zonder glas, met houten luiken die openplooiden of die ophingen aan de zoldering. Eventueel werd het bovenste deel van de venster toch van glas-in-lood voorzien omwille van de lichtinval. De binnenkant van een middeleeuws raam is van eikenhout en meestal geschilderd. Van de meeste oude ramen in historische gebouwen is de verf dus afgeloogd. Aan de buitenkant leunt het raam tegen een kruisvenster van natuursteen. De oudste kruisvensters, uit de 13de eeuw, zijn soms met kapitelen versierd. Je ziet ze nog in kerken, kloosters en in sommige herenhuizen in Gent en Doornik. In archiefteksten worden ze trouwens omschreven als: dornixsche vensters. Niet verwonderlijk, want de Scheldevallei oefende grote invloed uit op de bouwkunst. Rond Doornik waren er grote steengroeven die heel de Lage Landen voorzagen van bouwmaterialen. Met de blauwe hardsteen werd de Scheldegotiek verspreid. Onderdelen van gebouwen werden immers in de groeven zelf afgewerkt voor de uitvoer. Het kruisvenster bleef in gebruik van de 14de tot het begin van de 18de eeuw. In die periode veranderde er weinig aan de constructie ervan. In de 16de eeuw werden rijke huizen verfraaid met kleurrijk brandglas dat tegen 1600 vervangen werd door blank glas. Het was bruin, groen of paars getint, omdat de samenstelling van wit glas onbekend was. Eind 17de eeuw werden de plaatjes steeds groter, meer dan 10 op 15 cm, maar het glas werd nog steeds in lood gevat. Begin 18de eeuw kwam daar verandering in door het succes van houten vensterramen. De mooiste zijn guillotineramen met een vast bovenstuk en een onderraam dat naar boven schuift. Ze zijn nog steeds in gebruik in Angelsaksische landen. In het midden van zo'n raam zit een horizontale sierlijst, het 'kalf': een dwarsregel om regenwater af te voeren. Deze schuifvensters zijn fraai, maar gevoelig voor vocht en moeilijk tochtvrij te houden. Daarom werden ze later meestal verbouwd. Het onderste deel werd voorzien van scharnieren en omgebouwd tot vleugelraam. Zo komen we bij het klassieke vensterraam dat nog steeds in gebruik is: met een vast bovenraam en twee opendraaiende vleugels. In de 18de eeuw werd dit type aangeduid als een 'Frans venster'. De glasplaten werden niet langer in lood gevat, maar in houten roeden en vastgezet met stopverf. In de Westhoek zijn er veel 18de-eeuwse Franse vensters bewaard.Eind 18de eeuw slagen glasblazers erin om grotere platen te fabriceren, van ongeveer een halve vierkante meter. Glas werd ook steeds goedkoper, en ook dat had invloed op de architectuur. De eerste serres verschenen en traphallen van grote herenhuizen werden opgelicht met immense vensters.Tegen het midden van de vorige eeuw kwamen ijzeren armaturen in gebruik voor monumentale overspanningen, zoals in het oude beursgebouw naast de Meir en het Centraal Station van Antwerpen. Terzelfder tijd onderging het straatbeeld een gedaanteverwisseling: de ouderwetse winkelpuien ruimden plaats voor imposante etalages met veel glas. Het effect op de handel was groot: voor het eerst kon de koopwaar goed worden uitgestald. Het spoorwegverkeer liet tevens een betere bevoorrading toe, waardoor winkels een stock konden aanleggen. De ambachtsman die zijn spullen achter de winkel in het atelier maakte en rechtstreeks aan klanten verkocht, moest het afleggen tegen winkels van fabrieksgoederen. Rond 1860 was de moderne commercie een feit. Het vensterglas had onrechtsreeks een grote rol gespeeld. Het gewone vensterraam van de woning bleef min of meer behouden, maar de kleine roedenverdeling verdween. Pas eind vorige eeuw, toen de façadearchitectuur hoogtij vierde, mochten schrijnwerkers ingewikkelde vensterramen maken. Vooral art-nouveau-architecten ontwierpen prachtig schrijnwerk met glas-in-lood. Er verschenen nieuwe soorten sierglas op de markt, zoals het oneffen, ondoorzichtige Amerikaanse glas, gegoten op een ruwe metalen plaat. Glas werd ook geëtst met zuren of het rad. Natuurlijk licht ging een grote rol spelen in de architectuur: een reactie op de donkere, met draperingen overladen interieurdecoratie van vroeger. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zetten moderne architecten nog een stap verder: ze bouwen heldere sociale woningen die makkelijk te verluchten zijn. Tot dan toe leefde de arbeider in een vochtige spelonk. De hang naar licht in huis ging gepaard met grotere aandacht voor hygiëne.In het interbellum krijgen moderne woningen extra grote glaspartijen. De hoge en brede vensters van Le Corbusier en zijn volgelingen, geraken overal ingeburgerd. Van deze vensters wordt het raam, meestal van ijzer, zo fijn mogelijk uitgevoerd voor een zo groot mogelijke glaspartij. Metalen ramen van toen zijn simpel en prachtig van lijn. Ze bleven tot in de jaren '50 in gebruik. Omdat het ijzer zo snel roest, worden ze tegenwoordig vervangen door lompe aluminiumramen met zware profielen. Op die manier wordt veel mooie interbellumarchitectuur verknoeid. Hier ligt een dringende opdracht voor de industrie: het ontwikkelen van fijne metalen ramen om verdere verminking van dergelijke gevels tegen te gaan. Ook de houten vensterramen van tegenwoordig zijn zelden mooi afgewerkt. Weinig schrijnwerkers beheersen hun metier. Ze gebruiken ramen van semi-industriële makelij en plakken het hout aan elkaar met siliconen in plaats van het te vergaren. Dit lompe schrijnwerk ontsiert ontelbare gevels. Zelfs van moderne gebouwen, hoe uitgepuurd van lijn ook, is het schrijnwerk zelden verfijnd. Aannemers en architecten vergeten dat vensters en deuren de sieraden zijn van een gevel. Wat een verschil met vroeger, toen ook avant-garde-architecten, elk onderdeel van een woning tot in detail ontwierpen.Ondertussen maakte de glasfabricage een grondige evolutie door. Tot de Eerste Wereldoorlog werd vensterglas vervaardigd zoals in de 18de eeuw: volgens de cilindermethode. De glasblazer blies grote glascilinders van bijna twee meter lang en een halve meter breed. Ze werden met een gloeiende ijzeren staaf over de gehele lengte opengespleten, verwarmd en opengeplooid tot een plat vlak. Dit ambachtelijk procédé leverde vensterglas op vol oneffenheden en luchtbellen, dat tegenwoordig erg gezocht is.Begin deze eeuw werd een nieuw procédé ontwikkeld waardoor cilinders overbodig werden: de gesmolten glasmassa werd continu over een plaat getrokken en vervolgens platgewalst. Zo konden grotere oppervlakten worden vervaardigd met minder foutjes. Tegenwoordig worden nog grotere platen gemaakt en zijn de oneffenheden helemaal verdwenen door het glas te gieten op een bad van vloeibaar tin. De glasfabrikanten hebben tal van nieuwe producten ontwikkeld. Het begon met dubbelglas dat na de oliecrisis furore maakte. Dit dubbelwandig glas (met droge lucht tussen twee platen) isoleert veel beter dan enkel glas. Het systeem werd ondertussen geperfectioneerd. Door tussen de twee lagen een speciale coating (van metaaloxiden) aan te brengen, wordt de warmtestraling voor 95 procent in de woning teruggekaatst. Dit Thermoplusglas van Glaverbel biedt een voortreffelijke isolatie: 's winters verhindert het de afkoeling van het interieur, 's zomers houdt het opwarming tegen. Het is dus ideaal voor grote glaspartijen en het kan ook worden beveiligd tegen inbraak. Vensters beveiligen is trouwens niet iets van onze tijd alleen. Veel oude huizen hebben tralies voor het raam. Het moderne glas kan worden voorzien van verschillende filters, onder meer voor het afweren van UV-stralen. De producenten denken ook aan de privacy. Er is dubbelglas op de markt met een jaloezie in de spouw, die elektrisch wordt bediend. De firma Saint-Roch brengt glas op de markt, Priva-Lite, dat mits het doorvoeren van een elektrische stroom ondoorzichtig wordt. Daarvoor wordt een laag vloeibare kristallen aangebracht tussen de lagen glas. Het wordt onder meer gebruikt om vergaderzalen en badkamers af te schermen. Wie er een ludieke toepassing van wil zien, moet naar het Cafe Theatre in Gent (naast de Opera, zie ook Tafelen p. 175), waar het werd aangewend voor de deuren van het toilet. Voor al deze glazen snufjes én het vele nieuwe sierglas dat op de markt is, verwijzen we natuurlijk naar Batibouw.Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde