Dat mij dat weer moest overkomen. Zit ik als Antwerpse in Brussel een hapje te eten en wie bespeur ik aan een iets verder gelegen tafeltje ? Buurman en z'n vrouw. Die ik op weg naar het toilet zo nodig een gelukkig nieuwjaar moet wensen. Alleen blijkt de dame met wie buurman intiem zit te tafelen bij nader inzien niét zijn wettelijke echtgenote te zijn. To putone's foot in one's mouth heet zoiets in het Engels. Ik stotter, ik stamel, ik kan mezelf wel slaan. Ook al omdat ik in deze materie niet aan mijn proefstuk ben. Liep ik op de vorige Boekenbeurs een man tegen het lijf met wie ik lang geleden nog Germaanse gestudeerd had. "Groeten aan je vrouw", zei ik vrolijk, want hij was destijds met een jaargenote getrouwd. "Euh, dit is mijn vrouw", antwoordde hij en wees op een mij totaal onbekend individu aan zijn zij. Tja, rozen verwelken, scheepjes vergaan, maar hoe kon ik weten dat ook die eerste liefde niet bleef bestaan ? Een vriendin van me deed nog beter. "Ik wist niet dat jij al zo'n grote zoon had", zei ze op een personeelsfeestje tegen haar nieuwe chef. Waarna ze een onmiddellijke transfer naar een overzees filiaal vreesde, want de man in kwestie bleek niet de zoon, maar de veel jongere partner van de chef te zijn.
...

Dat mij dat weer moest overkomen. Zit ik als Antwerpse in Brussel een hapje te eten en wie bespeur ik aan een iets verder gelegen tafeltje ? Buurman en z'n vrouw. Die ik op weg naar het toilet zo nodig een gelukkig nieuwjaar moet wensen. Alleen blijkt de dame met wie buurman intiem zit te tafelen bij nader inzien niét zijn wettelijke echtgenote te zijn. To putone's foot in one's mouth heet zoiets in het Engels. Ik stotter, ik stamel, ik kan mezelf wel slaan. Ook al omdat ik in deze materie niet aan mijn proefstuk ben. Liep ik op de vorige Boekenbeurs een man tegen het lijf met wie ik lang geleden nog Germaanse gestudeerd had. "Groeten aan je vrouw", zei ik vrolijk, want hij was destijds met een jaargenote getrouwd. "Euh, dit is mijn vrouw", antwoordde hij en wees op een mij totaal onbekend individu aan zijn zij. Tja, rozen verwelken, scheepjes vergaan, maar hoe kon ik weten dat ook die eerste liefde niet bleef bestaan ? Een vriendin van me deed nog beter. "Ik wist niet dat jij al zo'n grote zoon had", zei ze op een personeelsfeestje tegen haar nieuwe chef. Waarna ze een onmiddellijke transfer naar een overzees filiaal vreesde, want de man in kwestie bleek niet de zoon, maar de veel jongere partner van de chef te zijn. Gênante situaties, ze bestaan in vele vormen. Bovenstaande voorbeelden vallen onder de noemer sociale onhandigheid, waarbij je ongewild anderen in diskrediet brengt. Vervelend, dat wel, maar per slot van rekening heeft buurman meer reden om zich te generen dan jij. Dat geldt nog meer in het geval je een vriend moet herinneren aan een openstaande schuld of een collega op het werk betrapt op surfen naar een pornosite. Toch moet je al over een vrij schokbestendige persoonlijkheid beschikken om in zo'n netelige situatie geen plaatsvervangende schaamte te voelen. Onschuldiger zijn cognitieve black-outs. Je op een receptie om de dooie dood de naam van je gesprekspartner niet kunnen herinneren, je partner met de naam van je ex aanspreken, je eigen telefoonnummer niet kunnen ophoesten. Ook met blunders veroorzaakt door puur lichamelijke onhandigheid kom je nog redelijk goed weg. Je verslikken, over je eigen voeten struikelen, achter een telefoonsnoer blijven haken zodat je het toestel van een bureau sleurt of keer op keer je bocht te kort nemen en je eens te meer lelijk bezeren aan de hoek van de tafel. Binnen bepaalde grenzen kan zo'n aangeboren klunzigheid zelfs als charmant ervaren worden, mannelijke nerds doen er hun voordeel mee, vooral bij vrouwen met een sterk ontwikkeld moederinstinct. Dat geldt dan weer minder voor al te flagrante inbreuken op de etiquette zoals het leegslurpen van het vingerkommetje. En dat gekonfijt peertje dat maar niet op een vork gespietst wil raken en ten langen leste over de tafel van de chiquere eetgelegenheid gekatapulteerd wordt, is ook niet echt bevorderlijk voor een romance. Nog fataler is controleverlies over de meer fundamentele lichaamsfuncties. Dreigend borrelende ingewanden tijdens het voorspel, om maar iets te noemen. Een vriendin leerde haar grote liefde kennen op een receptie waar stevig gedronken werd. De volgende dag voelde ze zich beroerd, maar laat de charmante aanbidder haar bij hem thuis op een uitgebreide brunch uitgenodigd hebben. De vriendin kwam, zag en braakte de ziel uit haar lijf, waarna de gastheer haar vanachter de toiletdeur attent een nat washandje toestak. Dat kon alleen echte liefde zijn, wist ze heel zeker. En het is waar, vijftien jaar later zijn ze nog altijd samen. Gevoelige lezers slaan de volgende paragraaf beter over, want het wordt alleen maar erger. Zo vertelde een bloedmooie collega mij ooit dat ze na een diarreeaanval in Spanje dacht dat alle gevaar geweken was, waarna ze fluks een snoezig bikinietje in roze vichyruit aantrok en zich naar het strand begaf, waar de turista opnieuw genadeloos toesloeg. Meer nog dan het verhaal zelf alarmeerde mij de vrolijke schaamteloosheid waarmee de vrouw in kwestie het vertelde. Algemeen blijken vrouwen zich immers veel gemakkelijker te generen dan mannen. Volgens de Amerikaanse psycholoog Rowland Miller, auteur van Embarrassment : poise and peril ineveryday life, ervaren wij gemiddeld zo'n anderhalve keer per week een oepsgevoel. Wat mij een eerder lage schatting lijkt, nog afgezien van de vraag hoe je dat doet, je een halve keer generen. Dat vrouwen vaker last hebben van gêne lijkt me logisch, meer dan mannen worden we geacht te allen tijde aantrekkelijk en charmant te zijn. Volgens Miller zit een faux pas ons het meest dwars in het gezelschap van hogergeplaatsten, mensen die we niet goed kennen en leden van het andere geslacht. Anderzijds zijn vrouwen onder elkaar minder bekommerd om hun imago en niet te beroerd om bijvoorbeeld lichamelijke ongemakken of de minder romantische aspecten van het liefdesspel met elkaar te bespreken. Mannen zouden er versteld van staan hoeveel confidentiële en potentieel gênante informatie er in vrouwentoiletten uitgewisseld wordt. Noem het een vorm van female bonding, op dat vlak was de serie Sex & the City beslist waarheidsgetrouw. Sukkelachtige mensen in netelige situaties, het is het thema van menige filmkomedie. A fish called Wanda, waarin een harkerige John Cleese tijdens een striptease betrapt wordt door een voltallig bevriend gezin, Two weeks notice of Sandra Bullock ten prooi aan opspelende darmen in de file, zodat ze een beroep moet doen op de liefdadigheid van een stel caravantoeristen, zowat het hele oeuvre van Ben Stiller, de kampioen van de sociale zelfmoord ( There's something about Mary, Meet the parents, Meet the Fockers). Stiller die per abuis de geliefde raskat van zijn onheilspellende schoonvader molesteert , het penibele van die humor is dat je je onvermijdelijk voorstelt hoe vreselijk het zou zijn om jezelf zo in de puree te werken. Gêne is van alle culturen, maar er zijn lokale verschillen. Zo bleek uit een interna-tionaal onderzoek van de Amerikaanse psychologen Henderson en Zimbardo dat slechts 31 procent van de Israëli's er geregeld last van hebben tegenover 57 procent van de Japanners. Daarbij bleek er een duidelijke link te zijn met enerzijds assertiviteit en anderzijds de houding tegenover succes. Zo hebben Japanners de neiging om bij succes de steun van ouders, grootouders, mentors en trainers te benadrukken en mislukkingen aan persoonlijk falen toe te schrijven. In Israël zou het net omgekeerd zijn : succes wordt gezien als het resultaat van individuele ondernemingsgeest, bij falen wordt de schuld gemakkelijker op anderen afgeschoven. Hoe snel een mens ten prooi is aan het Guust Flatergevoel verschilt heel erg van individu tot individu. Neem nu een heel banale situatie : je bevindt je in een menigte en een onbekende wuift je toe. Enthousiast wuif je terug, tot blijkt dat niet jij, maar iemand achter je het object van de belangstelling is. 'Oeps, foutje', schokschoudert de één op z'n Hollands, terwijl een ander zich intens belachelijk voelt. Overigens is de lichaamstaal van gêne universeel : blozen, wegkijken, schaapachtig grijnzen, aan gezicht of haar prutsen, na een onhandige val zo snel mogelijk recht krabbelen en doen alsof er niets gebeurd is, ook al heb je je erg pijn gedaan. En het zit er al heel vroeg in : peuters van hooguit anderhalf jaar produceren al verontschuldigende glimlachjes als ze iets kapot hebben gemaakt. Gêne blijkt ook aanstekelijk te zijn, zo blijkt uit het verhaal van Mia, in de clinch met haar chef (die met de veel jongere partner). "Ik ben nogal een flapuit en van in het begin was duidelijk dat mijn baas zich bij mij niet op haar gemak voelde. Daardoor werd ik zelf verstijfd en ongemakkelijk en hoe harder ik op mijn woorden probeerde te letten, hoe meer stommiteiten ik eruit sloeg. Op den duur durfde ik mijn mond niet meer opendoen uit angst dingen te zeggen die verkeerd geïnterpreteerd konden worden." Gêne kan vervelend zijn en mensen afremmen : ze durven in bed met een nieuw lief niet met condooms op de proppen komen, op een vergadering treden ze collega's niet bij uit angst om de aandacht te trekken. Maar helemaal zonder kunnen we ook niet. Stel je voor dat niemand zich aantrok wat anderen van hem of haar dachten, dan zou het maatschappelijke verkeer pas goed in de knoop raken. Nee, een beetje gêne is een noodzakelijk glijmiddel, een vorm van sociale controle die maakt dat we ons aan de regels van de groep houden. Schaamte, dat is weer helemaal iets anders. In de eerste plaats is er een verschil in intensiteit : bij gêne voel je je hoogstens lullig, schaamte steekt en schrijnt. In het laatste geval zijn het immers geen sociale omgangsvormen die je met voeten treedt, maar morele wetten. En we falen niet alleen in de ogen van anderen, maar ook tegen de gedragscode die we onszelf hebben opgelegd. Vooral bij mensen die hoge zedelijke eisen aan zichzelf stellen, kan schaamte tot een schuldcomplex leiden. Anne (in werkelijkheid heet ze anders) : "Er zijn een paar dingen uit mijn verleden waar ik bepaald niet trots op ben. Ooit was ik op reis met een gehandicapte in het gezelschap. Tot mijn schande moet ik toegeven dat ik die jongen in zijn rolstoel zoveel mogelijk negeerde, ik vond hem afstotelijk, hij vergalde mijn plezier. Nu pas besef ik hoe egocentrisch ik toen was. Als ik daar tijdens een slapeloze nacht aan denk, krimp ik in elkaar van schaamte." Iets luchtigers nu. Een prima gelegenheid om te observeren hoe mensen met gêne omgaan zijn die situaties waarin ze ongewild en onverwacht in de schijnwerpers terechtkomen. De vrouw die door een goochelaar uit het publiek gehaald wordt om hem te assisteren, de onfortuinlijke kerel die op reis in Egypte door een buikdanseres bij haar act betrokken wordt. Vluchten kan niet meer, weigeren is flauw. Vooruit dan maar, iemand moet nu eenmaal de pineut zijn. Of je zit rustig met je partner in een restaurant en plots gaat het licht uit en rukt de hele keuken- en zaalbrigade aan met een taart, vuurwerk en een oorverdovende Happy birthday. Sommige mensen wentelen zich wellustig in al die aandacht, anderen gaan ter plekke een beetje dood. En dan zijn er nog quizzen als De slimste mens en De pappenheimers. Goed, de deelnemers zijn daar uit vrije wil, maar niemand gaat graag in het zicht van de natie af als een gieter. Prachtige televisie levert het op : de net iets te verbeten deelnemers, de slechte verliezers, de door de stress murw geslagen kandidaten. Maar evengoed zijn er die met opgeheven hoofd en zonder een spoortje gêne de duimen leggen : de Gentse burgemeester Daniël Termont, nota bene gestrand op een vraag over AA Gent en die andere onverstoorbare Gentse, Sarah Yu Zeebroek. Ouders die aanmoedigend zijn, maar niet te beschermend, het schijnt een niet te versmaden hulp te zijn bij het kweken van een positief zelfbeeld, nog altijd het beste wapen tegen overdreven gêne. En voor wie daar niet mee gezegend is, zijn er nog altijd de wijze woorden van de Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut in zijn roman Bluebeard : "Human condition can be summed up in one word : embarrassment."Door Linda Asselbergs Illustratie Inge Bogaerts