Mode is geen kunst. Daar lijkt iedereen het over eens. Tenzij in de textielindustrie, waar men zich soms graag inbeeldt dat het ontwerpen van broeken, truien en jurken de vingers van een Michelangelo vereist. Het Fashion Institute of Technology van New York hield vorige lente nog een symposium over The Art of Fashion. Je kon daar onder meer horen beweren dat mode weliswaar niet altijd kunst is, maar vaak toch wel. De discussies gingen ongeveer als volgt :
...

Mode is geen kunst. Daar lijkt iedereen het over eens. Tenzij in de textielindustrie, waar men zich soms graag inbeeldt dat het ontwerpen van broeken, truien en jurken de vingers van een Michelangelo vereist. Het Fashion Institute of Technology van New York hield vorige lente nog een symposium over The Art of Fashion. Je kon daar onder meer horen beweren dat mode weliswaar niet altijd kunst is, maar vaak toch wel. De discussies gingen ongeveer als volgt : Symposiumgast 1 : "Je hangt toch niet ongestraft een Versace naast een Michelangelo ?" Symposiumgast 2 : "Charles Frederick Worth (pioniercouturier) droeg in zijn tijd (tweede helft 19de eeuw) een enorme baret. Dat wil toch iets zeggen." Waarna de betrokkenen, schuimbekkend rollend over het spreekgestoelte, een niets ontziend duel zouden zijn begonnen. Ware het niet dat zowel fashionista's als kunstminnaars zelfs in uiterste omstandigheden hun cool weten te bewaren. Symposium of geen symposium : neen, mode is dus geen kunst. Al kunnen sommige ontwerpers natuurlijk wel als kunstenaars worden beschouwd (denken we aan de Brits-Cypriotische ontwerper Hussein Chalayan), en bestaan er voldoende voorbeelden van vooraanstaande kunstenaars die zich door bepaalde aspecten van het modecircus lieten inspireren. Zie onder meer het Prada Death Camp en de Chanel Guillotine, beide beeldhouwwerken van Tom Sachs ; of Andreas Gursky's beroemde foto's van een muntgroen winkelinterieur van Prada, nu eens met en dan weer zonder koopwaar. En wat te denken van het meest besproken kunstwerk van de afgelopen zomer : Damien Hirsts met diamanten bezet doodshoofd ? Bling is bling. Of het nu rond de hals hangt van een overmaats gespierde rapper of uitgestald ligt in een dure galerie. Kortom : als mode geen kunst is, dan kan kunst, zoals in het geval van Hirst, wel mode zijn. Dat er raakvlakken bestaan tussen beide disciplines is duidelijk. Natuurlijk worden zowel kunstenaars als ontwerpers verondersteld creatief te zijn. Met of zonder baret. Maar denk ook champagne, glamour, geld, stijl, snobisme : kunst en mode spreken vaak dezelfde taal. Voor de modewereld is kunst het hoogste goed. Kunst is het summum van luxe, want nog exclusiever dan haute couture, het hoogste trapje van de klerenindustrie. En hoewel het kunstcircuit vrolijk fluitend deel uitmaakt van het kapitalistische systeem, wordt daar zelden om gemaald. Kunst is verheven. Terwijl mode al snel op een hoopje wordt gegooid met distributieketens, kindslaafjes in Chinese fabrieken, en Paris Hilton. Met een immens Calimerocomplex tot gevolg. Dat de textielindustrie de mode tracht in te kapselen, is logisch en zelfs diepmenselijk. Het gebeurt voortdurend, op verschillende niveaus. Maar anderzijds profiteert ook de kunstwereld van de mode. Het meest opvallende fenomeen (want erg zichtbaar) is architectuur. Kledingmerken werken graag met toparchitecten. Misschien omdat een blits gebouw voor zo'n merk een uitstekend middel is om zijn macht te communiceren. In het verleden was architectuur met toeristisch potentieel de verantwoordelijkheid van regeringen en stadsbesturen (de Eiffeltoren, het Atomium). Hun rol lijkt tegenwoordig bijna volledig overgenomen door de multinationals van de mode. Tokio is een mooi voorbeeld, met oogverblindende consumptietempels van onder anderen het Zwitserse duo Herzog en De Meuron (de bijenkorf van Prada Aoyama), Toyo Ito (Tod's), Tadao Ando (de shopping mall Omotesando Hills), Renzo Piano (Hermès), en SANAA (Dior). In Europa, dat op het gebied van architectuur en stedenbouw conservatiever is, verwijzen we graag naar Birmingham en Keulen, met respectievelijk het grootwarenhuis Selfridges van Future Systems en de Peek & Cloppenburg van Renzo Piano. In de megasteden van Azië in het bijzonder rijst de nieuwbouw als paddenstoelen uit de grond. Elders huizen luxeboetieks voornamelijk in bestaande gebouwen, en voor de inrichting van die winkels worden regelmatig gereputeerde hedendaagse kunstenaars opgetrommeld. Te beginnen met Jenny Holzer, die in de jaren negentig kunstwerken leverde voor de winkels van Helmut Lang. De briljantste ingreep van de voorbije vijf jaar is, ons inziens, het werk van de Belgische kunstenaar Jan De Cock in opdracht van Comme des Garçons, voor de winkels van Dover Street Market in Londen en Tokio. Waarbij hij enigszins banale ruimtes transformeerde in functionele kunstwerken. Balenciaga probeerde, op kleinere schaal, iets gelijkaardigs met kunstenares Dominique Gonzalez-Foerster en light designerBenoît Lalloz. Ze ontwierpen niet alleen winkels voor het merk in Parijs, New York, Hongkong en de nieuwe boetiek in Milaan, maar ook de grote overzichtstentoonstelling die vorig jaar in Parijs aan Balenciaga werd gewijd. Ook niet slecht : de pashokjes bij Dior Homme, die door Hedi Slimane en diens kunstadviseur werden besteld bij toonaangevende hedendaagse kunstenaars, onder wie Pierre Huyghe (Milaan), Liam Gillick (Shangai), Ann Veronica Janssens (Parijs), Carsten Höller (Tokyo), Ugo Rondinone (New York), Banks Violette (Osaka) en Doug Aitken (Tokyo). Benieuwd wat Slimanes opvolger Kris Van Assche op dat gebied van plan is (hij loopt minder op wolkjes). Het recente vlaggenschip van Louis Vuitton aan de Champs-Elysées in Parijs, ten slotte, heeft installaties van onder anderen Tim White-Sobieski, James Turrell en Olafur Eliasson. Deze laatste bouwde een volledig verduisterde en geluiddichte lift, die leidt naar de Espace Louis Vuitton, de exporuimte op de zevende verdieping. Een eigen galerie is een redelijk gemakkelijke, steeds vaker gehanteerde manier voor merken en winkels om zich met kunst te associëren. Een geslaagd voorbeeld is de mezzanine van de stijlsupermarkt Colette, waar de voorbije tien jaar honderdtwintig tentoonstellingen waren te zien, de meerderheid op zijn minst interessant. In Brussel hield Stijl gedurende enkele jaren een galerie open in een aanpalend pand in de Dansaertstraat, en tegenwoordig nodigt Jean-Paul Knott geregeld kunstenaars uit. Hermès heeft galeries in zijn flagschip stores van Seoul en Tokio, maar ook in Brussel, met La Verrière, een door kunstliefhebbers gerespecteerde ruimte in een verbouwde garage achter in de zaak van de Waterloolaan. 's Werelds belangrijkste warenhuizen organiseren sinds mensenheugenis tentoonstellingen, vaak over een land of een thema waarbij zonder problemen koopwaar kan worden betrokken. Maar tegenwoordig zijn de expo's vaak ernstiger dan je zou verwachten. Galeries Lafayette presenteert in september bijvoorbeeld de derde editie van Antidote, een serieus opgezette groepstentoonstelling met jonge hedendaagse kunstenaars. Ongeveer terzelfder tijd loopt in negen kleinere winkels de operatie L'art, c'est renversant, met werken uit de verzamelingen van de FRAC's, de regionale fondsen voor hedendaagse kunst. Serieuze kost. De samenwerking met kunstenaars kan ook gebeuren op het niveau van producten, advertentiecampagnes of defilés. In het geval van producten gaat het vaak om gelimiteerde oplages, zoals de tassen die de Britse Tracey Emin vorig jaar ontwierp voor Longchamp, of de schoenen van Parijzenaar Claude Closky voor Adidas en Colette. Af en toe is de impact enorm. Legendarische voorbeelden : de tassen van Takashi Murakami (in kinderlijk frisse kleurtjes) en Stephen Sprouse (besmeurd met zwarte graffiti), beide voor Vuitton. Campagnes worden echter verrassend weinig aan kunstenaars toevertrouwd. Misschien is dat een kwestie van gewoonte. Advertenties bepalen, meer nog dan winkels of zelfs kleren, het gezicht van een merk. De textielindustrie heeft daarvoor machtige professionals : stilisten en modefotografen. Van wie ze gretig gebruik maken. Fotografie is overigens de enige kunstvorm die rechtstreeks door de mode wordt gegenereerd. Fotografen als Steven Klein of Inez Van Lamsweerde halen hoge prijzen in prestigieuze galeries ; zeldzame boeken van Bruce Weber zijn fortuinen waard. Als ontwerpers en merken in hun campagnes met kunstenaars werken, dan gaat het vooral over kunstenaars die hun sporen hebben verdiend in de mode : Jürgen Teller (voor Marc Jacobs), Paul Jasmin (voor A.P.C.), Bruce Weber (die ooit voor Helmut Lang de kunstenares Louise Bourgeois fotografeerde), Irving Penn (Clinique). Interessant is de samenwerking, in 1994, van Comme des Garçons en Cindy Sherman, omdat vermomming - toch ook een soort mode - zulke belangrijke rol speelt in het oeuvre van de kunstenares. Die overigens ook enkele modeproducties heeft gefotografeerd, voor Vogue en Harper's Bazaar. Modeshows zijn, net zoals advertentiecampagnes, precisiewerk van specialisten. Maar het resultaat is vaak des te magischer van zodra er een kunstenaar wordt bijgehaald. Noemen we Raf Simons, die voor zijn defilé van de wintercollectie in Parijs een gigantische installatie liet plaatsen door de in Londen geboren en getogen Conrad Shawcross. Een reusachtige, mechanische arm met een lampje draaide oneindige rondjes. Van bovenaan gezien bleek de mastodont een bloem in de lucht te tekenen. Welke voordelen haalt de kunstwereld uit een intense samenwerking met de textielindustrie ? Een beetje cynicus heeft onmiddellijk een antwoord klaar : veel geld. En soms klopt dat. Maar het is niet de hele waarheid. De passie van ontwerpers en beleidsmakers van de luxegroepen voor hedendaage kunst is gemeend. Ze zijn vaak ook verzamelaars. Het gaat hen bijna altijd om meer dan marktwaarde alleen. Mode is een gulle mecenas. Yves Saint Laurent en Pierre Bergé hebben enorme bedragen geschonken aan het Centre Pompidou. In ons land heeft de lederwarenspecialist DelvauxWiels gesteund, het recentelijk geopende centrum voor hedendaagse kunst in de voormalige brouwerij Wielemans in Vorst. Sponsoring is natuurlijk niet altijd van eigenbelang gespeend. Tijdens de officiële presentatie van een recente tentoonstelling van de portretten van David Hockney, in Londen, ging bijna evenveel aandacht naar Christopher Bailey, ontwerper van sponsor Burberry, als naar Hockney. Giorgio Armani gaf het Guggenheim Museum miljoenen dollar cadeau, en werd beloond met een controversiële tentoonstelling in Frank Lloyd Wrights cirkelvormige kunsttempel : had de Italiaanse ontwerper een van de belangrijkste Amerikaanse musea geholpen, vroegen de gespecialiseerde media zich af, of had hij op vulgaire wijze geïnvesteerd in een mausoleum voor zichzelf ? De indrukwekkendste liefdesuitingen van de modewereld voor de kunstwereld moeten op een hoger niveau worden gezocht. Nogal wat groepen hebben hun eigen stichting, gewoonlijk ondergebracht in een fonkelend museum. Een van de oudste is de Fondation Cartier, oorspronkelijk ondergebracht in een park in Jouy-en Josas, in de banlieue van Parijs. In 1994 verhuisde de stichting naar een geheel uit glas en staal opgetrokken gebouw van Jean Nouvel in de buurt van Montparnasse, een van de strafste stalen van twintigste-eeuwse architectuur in Parijs. Het tentoonstellingsbeleid is exemplarisch, met thematentoonstellingen die kwaliteit verbinden aan een grote toegankelijkheid (over liefde, over de nacht, over rock-'n-roll), retrospectieven van kunstenaars met een hoog cultgehalte (zoals recent David Lynch of enkele jaren geleden de Japanse fotograaf Daido Moriyama), en shows van jonge kunstenaars. De Fondation heeft ook een grote eigen verzameling. De Fondazione Prada van Miuccia Prada en Patrizio Bertelli bestaat sinds 1993, is vele keren kleiner dan de Fondation Cartier, maar verricht continu verdienstelijk werk, met gemiddeld twee expo's per jaar in een ruime galerie in Milaan (Barry McGee, Marc Quinn, Carsten Höller, Mariko Mori en Francesco Vezzoli...). Prada is gewoonlijk ook present tijdens de Biënnale van Venetië (zie kader), en Miuccia zou de Belgische kunstenaar Carsten Höller gevraagd hebben een bar in Londen te ontwerpen. François Pinault, van onder meer Fnac, La Redoute en de Gucci Group, heeft zijn Fondation Pinault vorig jaar ondergebracht in het Palazzo Grassi in Venetië. Pinault zou oorspronkelijk een gigantisch door Tadao Ando ontworpen museum laten bouwen op een eiland in de Seine, maar schrapte die plannen omdat de onderhandelingen met de overheid te lang aansleepten. Vorige lente geraakte bekend dat de stichting, met werken van onder anderen Piet Mondriaan, Robert Rauschenberg, Henry Moore en Pablo Picasso, binnenkort uitbreidt, naar een tweede locatie in Venetië. Pinault is overigens ook aandeelhouder van het veilinghuis Christie's. Alles welbeschouwd past zijn stichting niet echt in het rijtje : het gaat om een persoonlijk, niet-bedrijfsgebonden initiatief, en de focus van Pinault lijkt klassieker dan die van bijvoorbeeld Prada of Cartier. Wat met de Fondation Vuitton ? Pinaults aartsrivaal Bernard Arnault van LVMH installeerde een ruime galerie op de bovenste verdieping van het vlaggenschip van Louis Vuitton. Maar dat is klein grut vergeleken met de voor 2010 beloofde Fondation van het merk. Die krijgt onderdak in de prestigieuze Jardin d'acclimatation, een plantentuin aan de rand van het Bois de Boulogne in Parijs. Frank Gehry, bekend van onder meer het Guggenheim Bilbao, ontwierp een wolk van glas, met ruimte voor een permanente collectie en een tweetal tentoonstellingen per jaar. Het is de tweede poging van LVMH om een eigen stichting te beginnen, na een misgelopen project, op dezelfde plek, in 1992. Verklaarde Arnault eind vorig jaar in de krant Le Figaro : "We zijn begin jaren negentig met mecenaat begonnen om de gemeenschap een beetje terug te geven van de creativiteit die zich in onze groep vertaalt door fantastische economische resultaten. Maar het mag iets meer zijn. We hebben de voorbije vijftien jaar meer dan vijfentwintig grote tentoonstellingen gesteund, maar tentoonstellingen gaan voorbij. We wilden iets blijvends."Ook Donald en Doris Fisher, oprichters van het Amerikaanse kledingmerk Gap gaan een eigen museum bouwen, in San Francisco, om er hun unieke modernekunstcollectie voor de volgende generaties te bewaren. Door Jesse Brouns