door Piet Swimberghe

Een halve eeuw voor de bouw van het tentdak van het Antwerpse gerechtsgebouw experimenteerde architect Willy Van Der Meeren (1923- 2002) met zeildoeken, daken van triplex en gewapend polyester, luifels en schalen. Bij zijn afstuderen in 1948 werden moderne industriële materialen in de wereld van de woningbouw als minderwaardig afgedaan. In tegenstelling tot voor de oorlog was de algemene bouwstijl toen veel conservatiever.

Van Der Meeren koos resoluut voor een hedendaagse aanpak, net als zijn grote Franse voorbeeld, architect Jean Prouvé. Halfweg de jaren vijftig bouwde ook hij flatgebouwen en woningen met geprefabriceerde gevelelementen van gewapend beton. In 1954 presenteerde hij samen met architect Léon Palm het revolutionaire Ceca, een goedkope prefab familiewoning met een metalen geraamte. Hij werd ook geïnspireerd door Le Corbusier, die hij trouwens in Evere mocht vervangen. Daar had burgemeester Frans Guillaume aan Corbu gevraagd om een Unité d'Habitation te bouwen. Maar die haakte af en Van Der Meeren mocht aan de slag. Het flat- gebouw is nu aan een grondige renovatie toe.

Rond 1960 ontwierp hij voyante woningen, zoals de betonnen schrijfmachine van schrijver Maurice Roelants. Vijf jaar later overspande hij in Sterrebeek zijn eigen atelier met een zeildoek. Maar zijn latere creaties zijn niet allemaal even boeiend. De architectuurcultuur van de jaren zeventig en tachtig was nu eenmaal minder verfrissend dan de gekke jaren vijftig. De hommage in het Atomium, op het getouw gezet door Mil De Kooning, Michaël Marcy en Thierry Belenger, legt veel nadruk op de beginperiode.

Met zijn talrijke publicaties haalt architectuurprofessor De Kooning Van Der Meeren terecht uit de vergeethoek waarin hij zich decennia lang bevond. Designantiquair Michaël Marcy en collectioneur Thierry Belenger zorgen voor de internationale herwaardering van zijn meubilair. Want Van Der Meeren is, aldus Marcy, onze belangrijkste meubeldesigner van toen. Zijn designdebuut begon in 1950 met de wedstrijd Jeune Décoration. Daar werd hij ontdekt door de directeur van het Vilvoordse metaalbedrijf Tubax, waarvoor hij een gedurfde meubelcollectie met organische vormen tekende. Hij was tuk op bijzettafels, sommige in de vorm van een boemerang, andere driehoekig of met een onregelmatige vijfhoek, die tegen elkaar kunnen worden geplaatst. Alles, ook de kasten en stoelen, rustte op een soort geplooide betonijzers. Zoals de beroemde vlinderstoel die vanaf 1945 door Knoll werd geproduceerd en die populair was bij architecten en beeldende kunstenaars. Die metalen poten zijn stabiel, elegant en van industriële makelij. Dat is van belang, want Van Der Meeren beoogde een industriële productie. Met dat metaal combineerde hij meubelplaten, soms geschilderd, gefineerd of bekleed met formica. Hij ontwierp ook lampen die op de mobielen van Calder leken. In het jarenvijftigmeubilair van Van Der Meeren ontdek je een verwantschap met creaties van grote namen, zonder dat hij echt schatplichtig aan hen is.

Dankzij de tentoonstellingsmakers wordt Van Der Meeren internationaal hoger gewaardeerd. Wat niet evident is, want weinig Belgen slagen daarin, niet door gebrek aan originaliteit, maar doordat ze te lokaal actief waren en zelden in het buitenland gepubliceerd werden. De tentoonstelling is om nog een reden belangrijk : Van Der Meeren, die als de vader van de typische Atomiumstijl wordt beschouwd, was een van de opmerkelijke afwezigen op de Expo 58. Wat bij deze is rechtgezet. Door Piet Swimberghe

De tentoonstelling 'Furniture design,

Willy Van Der Meeren' loopt van 27 september tot

30 maart. Info : www.atomium.be.