Jongelui, maak het thuis niet al te bont, want vader is in crisis. Dat laatste is althans de conclusie van een aantal Engelse psychotherapeuten die meewerkten aan het onlangs verschenen boek Facing it Out. De auteurs verdiepten zich in de psychologie van vaders die nu in de veertig zijn en die beschouwd kunnen worden als de eerste generatie die volwaardig participeerde in de opvoeding van de kinderen. Deze generatie wordt nu geconfronteerd met balorige adolescenten en weet daar blijkbaar geen raad mee. Vooral tussen vaders en zonen zou het niet boteren.
...

Jongelui, maak het thuis niet al te bont, want vader is in crisis. Dat laatste is althans de conclusie van een aantal Engelse psychotherapeuten die meewerkten aan het onlangs verschenen boek Facing it Out. De auteurs verdiepten zich in de psychologie van vaders die nu in de veertig zijn en die beschouwd kunnen worden als de eerste generatie die volwaardig participeerde in de opvoeding van de kinderen. Deze generatie wordt nu geconfronteerd met balorige adolescenten en weet daar blijkbaar geen raad mee. Vooral tussen vaders en zonen zou het niet boteren. "Wanneer thuis een tiener rondloopt die last heeft van zijn hormonen, veranderen de verhoudingen en omgangsvormen in het gezin. Dat leidt onvermijdelijk tot een sfeer van instabiliteit en crisis", stellen de auteurs-psychotherapeuten. En vooral vaders schijnen niet over de emotionele vaardigheden te beschikken om met die situatie om te gaan. Dat het er tussen ouders en pubers wel eens bovenarms kan opzitten, is geen nieuw fenomeen. Iedereen die jong geweest is, herinnert zich een situatie waarin ouder en kind als vijanden tegenover elkaar stonden. De auteurs zijn ook niet van mening dat het pubergedrag van jongeren op het eind van de twintigste eeuw meer de spuigaten zou uitlopen dan bij vroegere generaties: "De combinatie van onzekerheid en zelfreflectie zorgt ervoor dat het zeer moeilijk is om met adolescenten te leven; het ene ogenblik zijn ze teruggetrokken, het andere ogenblik uit op conflict." Zo is het altijd geweest. Wat wel typisch lijkt te zijn voor het eind van de jaren negentig, is het totale gebrek aan zelfvertrouwen bij de vaders. Ze weten niet meer hoe ze moeten reageren op het wispelturige gedrag van hun zonen en ook niet meer welk rolmodel ze hen kunnen voorhouden. Hoe komt het toch dat hun pogingen om vriendelijk advies te geven er alleen maar toe leiden dat zoonlief woedend de trap opstormt en op zijn kamer de muziek keihard gaat zetten? Een verklaring voor dat gevoel van machteloosheid zou te vinden zijn in het feit dat deze vaders, geboren in de jaren vijftig, hun zonen opgevoed hebben in een sfeer van gemoedelijkheid en met respect voor hun kind-zijn. Maar nu die kinderen opgroeien, kunnen ze niet meer terug naar de afstandelijke, autoritaire stijl van vroeger om hen tot de orde te roepen. Diegenen die zelf onder een streng regime zijn opgevoed, zullen graag met een beschuldigende vinger wijzen naar een al te grote toegeeflijkheid van de ouders en naar een overvloed aan materieel comfort. Nochtans is er volgens de psychotherapeuten een minder verwijtende verklaring mogelijk: deze vaders zouden namelijk een andere ingesteldheid hebben tegenover huishouden en gezin. Het gaat immers om de eerste generatie mannen die probeerde van in het begin praktisch betrokken te zijn bij de opvoeding hun kinderen. Ze gingen met hun vrouw mee naar de prenatale lessen, hielpen in de verloskamer mee de contracties opvangen en gaven de baby de fles. In de daaropvolgende twintig jaar deden ze de alledaagse klussen die nu eenmaal bij de opvoeding van een kind horen maar waar hun vaders nog niet aan dáchten. Op die manier ontdekten ze ook de leuke kanten van zo'n vaderschap: er groeide een nauwe band met hun kinderen, en ze stelden vast dat ouderschap gebaseerd op zorg en intimiteit heel aangenaam kan zijn. Voor deze vaders is het eerder regel dan uitzondering dat hun kinderen ook hun vrienden zijn. Maar wat gebeurt er als zo'n kind, dat je als je vriend beschouwt, zich op weg naar zijn volwassenheid van je afkeert? Zo'n houding wordt dan ervaren als een pijnlijke, persoonlijke afwijzing. Dat er onvermijdelijk een dag zou komen waarop zoonlief de rust van de gezellige thuis brutaal zou verstoren, lag niet in de lijn der verwachtingen. Dat hij commentaar zou hebben op kledij of hobby's van zijn vader, dat hij elk vriendelijk woord zou beantwoorden met een snauw en een beet, dat hij zijn vader diep zou kwetsen... wie zou dat van een maatje verwachten? Blijkbaar gaat men ervan uit dat het gevecht dat men indertijd zelf met zijn ouders heeft gevoerd, zich niet in het eigen nest zal voordoen. Juist daarom komt het zo hard aan. Misschien is het daarom maar beter er rekening mee te houden dat die clash er hoe dan ook komt en dat het gedurende enkele jaren thuis behoorlijk lastig zal zijn. Zoals verstandige ouders vroeger wisten dat de bui wel zou overwaaien, zou men er ook nu van kunnen uitgaan dat, behalve in uitzonderlijke gevallen, het uiteindelijk toch wel allemaal goed zal komen. Voorlopig blijft het nog een raadsel wat voor soort relatie deze pionier-vaders later met hun volwassen zonen zullen opbouwen. Waarschijnlijk zal die toch rijker zijn dan de relatie die zij zelf met hun eigen vader hadden. En dat kan, in afwachting van die betere tijden, een troostende gedachte zijn.Jo Blommaert / Tekening Sandra Schrevens