Het belangrijkste is : kortstondig aan de schermen te ontsnappen. Miljoenen jaren heeft de mens erover gedaan, via de uitvinding van minder ingrijpende zaken zoals het wiel en de kauwgom met zachte vulling, om in één generatie tijd volslagen gekoloniseerd te worden door schermen. Mocht een buitenaardse beschaving ons vanuit de ruimte in de gaten houden, zij zou geredelijk tot de conclusie komen dat het scherm op aarde de dominerende levensvorm is en de mens een bleek en minderwaardig organisme waarmee schermen groot en klein zich doorlopend en schaamteloos voeden.
...

Het belangrijkste is : kortstondig aan de schermen te ontsnappen. Miljoenen jaren heeft de mens erover gedaan, via de uitvinding van minder ingrijpende zaken zoals het wiel en de kauwgom met zachte vulling, om in één generatie tijd volslagen gekoloniseerd te worden door schermen. Mocht een buitenaardse beschaving ons vanuit de ruimte in de gaten houden, zij zou geredelijk tot de conclusie komen dat het scherm op aarde de dominerende levensvorm is en de mens een bleek en minderwaardig organisme waarmee schermen groot en klein zich doorlopend en schaamteloos voeden. De eerste schermloze dagen voel je je als een dier dat zijn poot heeft afgebeten om uit de klem te ontsnappen. Als een alpinist die tegen een glibberige bergwand opklautert zonder veiligheidskoord. Daar in de diepte, ver weg en bijna lachwekkend, gaapt de buitenwereld met zijn premières, vernissages, housewarmings, vergaderingen, partytenten en boekvoorstellingen, zijn buitenkansjes voor snelle beslissers, zijn onheilspellende nieuwsberichten, zijn reclamefolders ondanks je reclamewerende sticker (de lulligheid dan toch zo'n vod in je brievenbus aan te treffen waarop kaas te geel afdruipt van een pizza). Ver weg van al die dingen schurk ik mij aan tegen de deugddoende randen van de verveling - unplugged, offline, in sluimerfunctie. Ik zit achterstevoren op een stoel en kijk naar de velden, die zich uitstrekken zover het oog reikt met slechts een bomenrij in de verte. Daaronder, in miljoenvoud zou men zeggen, het groene gebladerte van telkens weer dezelfde biet die ik als stadsmens niet bij naam kan noemen. In mijn biogroentenpakket betaal ik ze duur als goud, terwijl men ze hier maar uit de grond heeft te trekken. Big men are driving big machines / they're ready to collect the corn, zingt Daan op mijn iPod (toch nog een scherm dat ik niet van mij af heb kunnen schudden) en het lijkt alsof de boeren uit de omgeving hebben afgesproken om dit nummer van een passende videoclip te voorzien. Allemaal tegelijk rijden ze tractors en dorsers uit stallen en schuren. Ondanks de schaamte die ik soms voel voor het menselijk ras (de toeristen die in het gezicht van de gekooide oehoes blazen), bekruipt mij een soortverbindende trots als ik die reusachtige gele torren over de velden zie kruipen, gewassen oogstend alsof het niets is. Honderden generaties lang werd elke raap met paard en kar onmachtig aan de grond ontworsteld. Jammer dat het zo moeilijk is de balans blijvend in ons voordeel te bewegen en dat tegenover de winst hier elders verlies staat, zoals het poolijs dat over dertig jaar al verdwenen kan zijn dankzij onze machtige machines. Niet aan denken nu, het poolijs is veraf en bij ontstentenis van Google Earth en Wikipedia kun je je afvragen of het daadwerkelijk bestaat. Wat er met zekerheid is : de Gids voor Onderweg die de eigenaar van het vakantiehuis heeft achtergelaten en waarin paddenstoelen en korstmossen, amfibieën en varenachtigen opgelijst staan, evenals de courantste verschijnselen uit de wereld der insecten. Af en toe loopt er een over haardsteen of de tafelrand, tot huiver van mijn vriendin, maar tot mijn fascinatie. Aan de hand van de gids probeer ik het schepsel dan te benoemen, waarbij ik gemakkelijk verdwaal in het boekje en mij afvraag wie toch al die prachtige namen heeft verzonnen, van de Glanskop tot de Rotgans, van de Braamsluiper over de Bontbekplevier, de Hageheld en het Bootsmannetje helemaal tot bij de Stalkaars, het Ruigklokje en de Bosooievaarsbek. Over elk van die namen moet iemand zich ooit het hoofd hebben gebroken, om opeens iets te opperen waarover vrouwlief heeft gezegd : "Ja, da's mooi Fred. Dat is het helemaal !" Wij nemen ons voor om vaker in de aanwezigheid van die wonderlijke schepsels te vertoeven, al weet je natuurlijk dat hun bestaan bij terugkeer in de beschaving al snel zal verdampen. Al vlug weer zal je compleet vervreemden en wekelijks braaf je biopakket in het café afhalen en tot voedsel dienen van de schermen met hun lokdraden van parelende, stroperige informatie. Nu al moet je je inhouden om niet het radiootje aan te zetten en naar het nieuws van elf uur te luisteren, al weet je dat het nieuws van elf uur je nog maar zelden vrolijk heeft gemaakt. In plaats doe je waar je in het jaar een rothekel aan hebt : een gezelschapsspel spelen dat vrienden hebben meegebracht. Dixit, heet het, en met zijn surrealistische kaarten (een madelief die haar eigen blaadjes uittrekt, een sneeuwbol waarin een mannetje zich verweesd aan de sneeuw buiten vergaapt, een zaaier die nietsvermoedend de zon tegemoet gaat terwijl achter hem vleesetende planten opschieten) blijkt het dieper en prettiger dan alle gezelschapsspellen die je voorheen zag. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders