Goeiedag. Hoe maakt u het? Met mij gaat het goed, dank u. Fijn dat ik zomaar bij u binnen mag. Mag ik mijn schoenen aanhouden, of had u me liever op kousenvoeten?

Kijk, zoiets zul je witte muizen nooit horen zeggen. Die doen andere dingen, ze kweken als gek, bijvoorbeeld. En als ze met te veel samen zitten, dan gaan ze uit de bol.

Dat, heb ik me laten vertellen, is wat ons nu ook overkomt. We zijn met te veel en daarom slaan onze stoppen door. Daarom snauwen en schelden we, bumperen we tegen elkaar op, slaan we elkaar de hersens in. Daarom is de zuurtegraad van deze maatschappij zo hoog.

In het ABC van onze samenleving staat A voor agressie, B voor brutaliteit en C voor compleet geschift. Burenvetes, familiedrama's, afrekeningen op het asfalt: er zijn dagen dat ze diepe deernis bij mij oproepen. Als ongemakken ontsporen in doodslag op soortgenoten, moet de mens er wel zeer erg aan toe zijn, denk ik soms. De sukkelaar, ocharme.

Doorgaans roept dat soort wangedrag heel andere gevoelens op. Gevoelens van boosheid, verbijstering, verontwaardiging, ja zelfs plaatsvervangende schaamte. Kortom, uit de kluiten gewassen varianten van de ergernis die in mij opwelt als mijn vraag een kreet in de woestijn blijkt, mijn opgewekte goeiemorgen op zure smoelen stuit, kinderen het vertikken alsjeblief of dankjewel te zeggen, duwen met de ellebogen tot nieuwe olympische discipline wordt verheven. Onbeleefdheid heet dat, onbeschoftheid.

Mij bekruipt stilaan een vervelend vermoeden. Zou het kunnen dat alles daar begint? Dat daarom de machine zo vierkant draait? Dat het ons ontbreekt aan sociaal smeer, net nu we dat meer dan ooit nodig hebben?

Connie Palmen, las ik, is een hevige tegenstander van praatjes bij de bakker. Een verraad aan jezelf, vindt ze dat, een verdoken aanslag op de waarheid. Ik begrijp wel wat ze bedoelt, uit een zelfde soort weerzin heb ik zelf ooit een jaar lang mijn mond gehouden. Maar ik ben daarop teruggekomen, en vandaag ben ik geneigd te denken dat wie zich zo verbeten afkeert van onbelangrijkheid vooral zichzelf belangrijk vindt. (Al wil ik voor de duidelijkheid, beste bakker, toch even aanstippen dat geleuter over regen of zonneschijn nog altijd niet mijn favoriete conversatie is).

Misschien zou Connie Palmen eens op de thee moeten bij Frances Mayes. U weet wel, die Amerikaanse geluksvogel die een huis kocht in Toscane en haar verbouwingswerken betaalde door daar een bestseller over te schrijven. Time is in Amerika money, een traditie van praatjes slaan bestaat daar niet en dus deed Frances Mayes dat ook nooit. Tot ze er in Toscane haast toe gedwongen werd, en tot haar verrassing ontdekte ze dat het haar levenskwaliteit verbeterde.

Wat ze in Italië had geleerd, ging ze ook in de Verenigde Staten toepassen. Nu is ook daar haar leven veel aangenamer geworden en haar bakker meer mens.

Zijn we met te veel? Reden te meer om het een beetje draaglijk te maken, zou je dan denken. Maar nee, we rennen heen en weer als redeloze en radeloze witte muizen. Geen glimlach, geen gratuit woord, geen beetje beleefdheid. Weg, dat soort flauwekul. Voor ons geen vluchtheuvel tussen slijmen en slaan. Wij willen de waarheid en zeggen meteen waar het op staat, we zeggen het met de vuist. En daarna: gezellig samen in de rechtszaal.

Zou het kunnen dat het dàt is wat er aan de hand is? Dat we ons gedragen als witte muizen, hoewel wij kunnen wat zij niet kunnen? Zal ik dan toch maar een poging doen om mijn witte muizenlot te ontlopen?

Goeiedag! Fijn dat ik bij u binnen mocht. Nee, doet u geen moeite, blijft u vooral rustig zitten.

Ik zal de deur héél zachtjes achter me dichttrekken. Tot de volgende keer.

Ingrid Vander Veken