Overmorgen verhuizen ze, naar de Bastille. Maar voorlopig zit het voltallige team van Tsé & Tsé zich nog uit te sloven in een wat groot uitgevallen konijnenpijp, een atelier over twee verdiepingen op een donkere binnenkoer, vlakbij place de la République in Parijs. Flikkerende lampjes op de voordeur, beneden. Een smalle trap die naar de eerste verdieping leidt. En dan, op een andere deur, twee namen, die van Catherine Lévy en Sigolène Prébois, met de vermelding Industrial Designers, op een in India vervaardigd metalen plakkaat. "Ginder hebben alle zaken zo'n uithangbord aan de deur. Wij wilden er ook een."
...

Overmorgen verhuizen ze, naar de Bastille. Maar voorlopig zit het voltallige team van Tsé & Tsé zich nog uit te sloven in een wat groot uitgevallen konijnenpijp, een atelier over twee verdiepingen op een donkere binnenkoer, vlakbij place de la République in Parijs. Flikkerende lampjes op de voordeur, beneden. Een smalle trap die naar de eerste verdieping leidt. En dan, op een andere deur, twee namen, die van Catherine Lévy en Sigolène Prébois, met de vermelding Industrial Designers, op een in India vervaardigd metalen plakkaat. "Ginder hebben alle zaken zo'n uithangbord aan de deur. Wij wilden er ook een." Ze zijn precies tien jaar geleden met Tsé & Tsé begonnen. Lévy en Prébois kenden elkaar van de Ecole nationale supérieure de création industrielle, waar ze samen aan enkele projecten hadden gewerkt. Eenmaal afgestudeerd, bleken de interessante opdrachten karig. "Veel keuze was er niet. We hebben voor enkele designbureaus gewerkt, verpakkingen ontworpen, erg marketinggerichte toestanden. Maar marketing interesseert ons eigenlijk niet. Wat we graag doen, dat zijn dagdagelijkse voorwerpen bedenken. Toen we van school kwamen, wisten we echt niet goed waar beginnen. We wilden het liefst voor eigen rekening werken, zonder toegevingen te moeten doen. Als je pas begint, krijg je nooit te horen: doe maar waar je zin in hebt. Na twee jaar hebben we gezegd: stop, nu doen we zelf iets. Eigenlijk was het de bedoeling de aandacht te trekken van de grote fabrikanten, zodat men ons zou komen halen. Uiteindelijk zijn we zelfstandig gebleven. Ons fabriekje is een enorm bedrijf geworden, en we zitten in zekere zin vast in onze eigen val. Zelfstandig blijven is niet de beste manier om rijk te worden. Een ontwerper ontwerpt. Wij produceren ook. Wat betekent dat je materiaal moet aankopen, fabrikanten moet zoeken, de verdeling moet verzorgen." Ze delen de vreugde, zeggen ze, en de drama's. "Tot vijf jaar geleden waren we helemaal alleen. We zaten op de plankenvloer, blij dat alles op zijn pootjes viel. We monteerden zelf de vazen, tikten zelf de facturen op een oude schrijfmachine. En we leverden ook zelf, met de fiets. We wilden andere voorwerpen ontwerpen, maar er was te veel werk. En toen de Amerikanen kwamen, en de Japanners, en de Engelsen, moesten we wel iemand aanwerven om ons te helpen." Tegenwoordig stelt Tsé & Tsé Associés twaalf mensen tewerk. "Ze werken n'importe comment", zegt Catherine. "En zo gaat het al een jaar of twee. We hebben geen tijd om diep na te denken. We doen maar. Elk jaar zeggen we: volgend jaar organiseren we ons. Maar dat lukt nooit." Hoe moeten we ons hun werkwijze voorstellen? Gaan ze rond een tafel zitten, potlood in de hand? Catherine: "Idealiter wel." Sigolène: "Maar de tijd ontbreekt. We tekenen spullen die we zelf graag zouden hebben. We laten ons gaan. Trachten verder te gaan dan de gemakkelijkste oplossing." En zo functioneren ze naar eigen zeggen beter dan als ze zouden werken volgens de normen en verwachtingen van de industrie. "De voorwerpen die we zelf het liefst zien, verkopen ook het best. Maar het duurt altijd lang voor onze ontwerpen aanslaan. Dat kan twee jaar zijn. Tegenwoordig iets minder, omdat we al wat bekender zijn. De mensen moeten onze spullen eerst gewoon worden. Ze bij andere mensen zien. Mond-tot-mondreclame heeft veel bijgedragen tot het succes van Tsé & Tsé." De zaak opzetten was moeilijk. "L'Enfer", zegt Sigolène. "Vrouwen die een onafhankelijk bedrijf beginnen, dat ligt niet voor de hand. De designwereld is nu eenmaal erg macho. We zitten op ons schip. Het kan stormen en regenen, maar de boot blijft van ons. Seule maitresse après Dieu." Catherine: " Et après les clients. Neen, ernstig: we zitten goed op ons schip." Het succes hebben ze te danken aan hard labeur. En aan een vaas. "We zochten voortdurend naar ideeën, naar pistes. En op een dag recupereerden we per toeval een oude stock proefbuizen. En daarmee hebben we de Vase d'Avril gemaakt, ons grootste succes." Ze dateert van 1991. Zonder bloemen erin zag het ding er nauwelijks als een vaas uit. "Er was eigenlijk niets verleidelijks aan. We beseften al gauw dat alleen een bloemist onze vaas aan de man kon brengen, en dan liefst niet de eerste de beste." Sigolène en Catherine gingen op de koffie bij de toonaangevende bloemenhandelaar Christian Tortu, en die was onmiddellijk enthousiast. Hij kocht de volledige voorraad: vijftig stuks. "We zweefden op ons wolkje." Daarna volgden de boetieks van het Musée des Arts Decoratifs en het Centre Georges Pompidou. "De aankoper was net zo enthousiast. Gaf ons dezelfde complimenten als Tortu. Maar toen zei hij: 'Ik neem er twee.' Wat ons weer met beide voeten op de grond bracht." Intussen zijn er van de Vase d'Avril wereldwijd meer dan 10.000 exemplaren verkocht. Op de eerste vaas volgde een tweede, en toen een lamp, bestek, nog een vaas, nog een lamp. "Onze voorwerpen worden meestal in kleine oplage gefabriceerd. Soms blijft het een artisanale bedoening." Ze denken aan meer lampen, meer vaatwerk. Stoelen, tafelgoed. Sigolène: "Op dit ogenblik staat ons hoofd meer naar de inrichting van het gebouw waarnaar we verhuizen dan naar onze voorwerpen. We zoeken mooie schakelaars, maar die zijn onvindbaar. Ik had ze graag zelf ontworpen, maar het is een oud gebouw, en de veiligheidsvoorschriften zijn zo streng dat we ons tevreden moeten stellen met wat er op de markt is." En meubels? "Ja, graag. Dat wordt ook van ons verwacht. Maar we moeten er echt zin in hebben. Het moet klikken met de fabrikant." In opdracht werken blijft moeilijk. "Zelfs na tien jaar. Ze willen onze naam wel gebruiken. Maar ons laten doen? Ho maar." Sigolène: "Ik zeg al drie jaar in allerhande interviews dat ik graag sanitair wil ontwerpen: badkuipen, lavabo's. Er is nooit reactie op gekomen van fabrikanten. En de productie van dergelijke ontwerpen is te zwaar om er ons zelf aan te wagen. Vandaar dat ik er nu maar de stopcontacten aan toevoeg." "De trend is: onzichtbare dingen ontwerpen: beige computers, schakelaars in vies wit. Maar eigenlijk zijn ze niet onzichtbaar: het zijn de lelijkste spullen in huis. Ze zijn ontworpen met het idee van le moindre mal. Terwijl wij liever iets maken dat een minderheid van de mensen mooi vindt, dan iets wat niemand echt lelijk vindt en niemand echt mooi. Op de advertenties voor i-Mac van Apple stond: Sorry no beige. En dat vind ik buitengewoon. Zij hebben het begrepen. Er bestaan waarschijnlijk wel mensen die de i-Mac lelijk vinden, maar er bestaan er ook die hem heel mooi vinden, en dat is veel belangrijker." Waar zien ze zichzelf over tien jaar? Catherine: "Op dezelfde weg. Zoeken in alle richtingen. Ik denk dat we de hele zaak in de breedte kunnen laten evolueren. Niet alleen voorwerpen ontwerpen. We kunnen alles doen, op ons domein. Een restaurant, een reisbureau, een hotel." "Anderzijds zal het altijd wel permanente chaos blijven", zegt Sigolène. "Dat, en goede voornemens." "We willen blijven doen wat we graag doen", zegt Catherine. "Ons niet vervelen." Is dat moeilijk, het spannend houden? "Neen, op dit moment niet. Je niet opsluiten in een succesformule, dat is moeilijk. Daarvoor moeten we echt wel opletten. Want veel klanten en partners willen graag meer van hetzelfde."Kleren, zien ze daar iets in? Zeker, klinkt het in koor. En ze voegen eraan toe dat ze onlangs hun eerste stappen hebben gezet in de textielsector. "Tijdens een van onze reizen, in India, waren we volstrekt wild van een viltachtige stof, die in alle mogelijke kleuren werd geverfd. Met die stof als basis hebben we een minicollectie ontworpen: een vrouwenjas, een mannenjas, wanten en een tas. Uiteindelijk blijkt dat de kleren uiteenvallen terwijl je erbij staat. Ze verslijten bijna net zo snel als Kleenex. Dus hebben we ze niet in de handel gebracht. We hebben ze wel verkocht tijdens onze jaarlijkse kerstmarkt, hier ten kantore. Konden we de mensen tenminste waarschuwen: misschien heeft u binnen drie dagen gaten in uw nieuwe jas." Als je Tsé & Tsé vraagt naar wie ze opkijken, antwoorden ze bijna onmiddellijk: Agnès B. "Ze heeft haar eigen kunstgalerie, waar ze haar zin doet. Ik heb daar bewondering voor, zelfs al kom ik er nooit", aldus Catherine. "Ik ben ook geen grote fan van haar kleren. Ze is in dat opzicht geen absoluut model. Maar we houden van haar open geest. En uiteindelijk heeft ze alles uitgevonden." Ze verplaatsen zich met de fiets. "Omdat we geen rijbewijs hebben, en omdat we geen fans zijn van auto's." Catherine: "Eerlijk gezegd: ik vind het wel leuk om in een auto te zitten en door de ramen te kijken. Maar zelf aan het stuur gaan zitten, neen, liever niet." Sigolène: "De fiets is echt een ongelooflijke uitvinding, ik maak me die bedenking elke dag. Maar we vermijden wel het achttiende arrondissement en de Butte Chaumont, vanwege de heuvels. We zouden graag een fietstenue ontwerpen, een pak tegen regen en wind dat je onder het zadel kan vastklikken. Beschermend en goed zichtbaar." En een fiets? "Graag. Maar je hebt er wel een producent voor nodig. Het probleem met fietsen is ook dat nieuwe modellen onmiddellijk gestolen worden. In Parijs toch. En de vraag is of mensen wel willen investeren in een nieuwe fiets. Wij in elk geval niet." Catherine: "Het is ook zo dat we de fiets sowieso al perfect vinden. We zijn tevreden met wat er is. Het is niet zoals mannen die absoluut auto's willen ontwerpen. Dat begrijpen we niet goed."Ze vinden zich modern en ouderwets tegelijk. Baba cool, maar niet van gisteren. Catherine: "We zijn redelijk gehecht aan het verleden. We zijn modern, maar dan alleen als je modern niet definieert in termen van tijd. Het gebeurt dat we uren zitten te huilen om voorwerpen die niet meer bestaan." Sigolène: "We zijn modern omdat we lampen ontwerpen die geen licht geven. We ontwerpen lampen die aangenaam zijn. Goede lampen, die bestaan al." Catherine: "We zijn modern omdat we lampen maken met een onderdeel uit India, een onderdeel uit Turkije en een onderdeel uit Polen. Vanmorgen heb ik getelefoneerd met een fabriek in Jaipur om te horen hoe het zat met een levering. Zo'n gesprek is een instantwereldreis. En het is leuk om te weten dat de wereld nu zo functioneert." Ze werken dikwijls met fabrikanten in de lageloonlanden. Dat is inderdaad goedkoper, geven ze toe. "Maar die goedkope arbeidskrachten zijn niet onze belangrijkste zorg. Het is ons vooral om verloren technieken te doen. Kijk, deze porseleinen lamp hebben we in Turkije gevonden. Wordt hier niet meer gemaakt." Werken, dat is ook de wereld afreizen, op zoek naar industriëlen en handwerkers om hun ontwerpen te fabriceren. "We reizen zo veel mogelijk. Vijftig procent werk, honderd procent plezier." Hun grootste project voor dit jaar is het Tsé & Tsé-café in Fukuoka, een moderne stad in de buurt van Tokio. Zoals Sigolène het beschrijft, lijkt het geen onverdeeld succes. De zaak komt in de kelder van een gezichtsloos shoppingcenter. "Aanvankelijk waren we enthousiast. Eindelijk, dachten we: de kroon op ons werk. We waren echt opgewonden. Totdat we het menu onder ogen kregen, met daarop een selectie Franse specialiteiten. Of beter gezegd, Franse specialiteiten gezien door de ogen van Japanners: panini's en omeletten. We zijn dan beginnen discussiëren. We hebben heel Tokio afgezocht naar een geschikte keuken, en toen zijn we zelf aan de slag gegaan. Die zakenmannen waren in de war. Je kon de paniek van hun gezicht lezen. Maar het was wel een succes. Nu blijkt dat ons menu misschien wel te ingewikkeld is. Misschien bestelt zo'n Japanner wel een Hachis Parmentier plus een kom noedels plus nog iets anders, en in dat geval zal het niet echt smaken." "We zitten een beetje verveeld met dat café. Ook omdat we zo ver weg zijn. We kunnen het niet echt controleren. Maar we hopen natuurlijk dat het een succes wordt, zodat we gevraagd worden voor een tweede filiaal in Tokio, en dan niet onder de grond." Zijn ze in die tien jaar erg veranderd? "We zijn kalmer geworden. En veel toegeeflijker tegenover anderen. We weten nu zelf hoe moeilijk het allemaal is."Jesse Brouns