Ik vond dit wijwatervaatje in een curiosazaak in Brussel. Er staat onderaan het bakje op de voorkant: 'Maes', en op de achterkant 'A.Maes'. Is dit Torhouts aardewerk?
...

Ik vond dit wijwatervaatje in een curiosazaak in Brussel. Er staat onderaan het bakje op de voorkant: 'Maes', en op de achterkant 'A.Maes'. Is dit Torhouts aardewerk?Dit prachtige volksaardewerk helpt ons een heel eind vooruit in de studie van het Torhoutse aardewerk: het is een sleutelstuk dat een aantal problemen oplost. Het West-Vlaamse stadje Torhout kende in de 19de en begin 20ste eeuw (tot 1939) bloeiende pottenbakkerijen. Van een industrie was er evenwel geen sprake: het waren kleinschalige bedrijven. Omstreeks 1816 waren dat er drie: Willemyns, Van Acke en Samyn. Van Samyn en Willemyns weten we zeker dat ze naast gewoon gebruiksaardewerk - het overgrote deel van de productie - ook siergoed maakten, want enkele gesigneerde objecten bleven bewaard. Het bedrijf Willemyns werd, nadat het een tijdje door een veearts uit Diksmuide werd beheerd, in 1885 verkocht aan Auguste Maes (1826-1919) die er als pottenbakker werkte. Onder de leiding van zijn zoon Leo (1864-1941) kende de pottenbakkerij een bloeiperiode. Er werd steeds minder gebruiksgoed gemaakt en meer siergoed. Ook de stijl veranderde: niet langer de traditionele Lodewijk XVI-stijl, zo karakteristiek voor het Willemyns-aardewerk, maar art nouveau. Leo Maes maakte prachtig aardewerk dat ook buiten Torhout grote bijval kende, want het werd niet enkel in Brussel verkocht maar zelfs uitgevoerd naar Engeland en de Verenigde Staten. Verwonderlijk is dat niet, want de hernieuwde belangstelling voor pottenbakkersgoed kwam immers uit die hoek. Het was de Britse Arts and Crafts-beweging die de pottenbakker in eer herstelde, als reactie op de overconsumptie van industriële ceramiek. Het Torhoutse aardewerk veranderde wel van vorm, maar nauwelijks van techniek. Zowel bij Willemyns als bij Maes ging het om gedraaid goed, versierd met oplegwerk. Van het Willemyns-aardewerk is er weinig bewaard, de productie lag niet hoog. Tot vandaag kampten we met een hiaat in de productie. Stijlkundig lijkt het meeste Willemyns-aardewerk uit de eerste helft van de 19de eeuw te stammen, want het leunt nog nauw aan bij de Lodewijk XVI-stijl. De Maes-productie kwam pas tegen het einde van de 19de eeuw op gang. Wat werd er in die tussentijd gemaakt aan versierd aardewerk? Dit wijwatervaatje brengt ons een oplossing. Het is het oudste stuk Maes-aardewerk dat tot nu bekend is, bovendien gemaakt door Auguste Maes, de illustere overnemer van wie we geen enkel object kenden. Iedereen dacht dat hij enkel gebruiksaardewerk maakte en zag in hem niet meer dan de vader van Leo, de grote kunstenaar. We merken op dat we voor de precieze toewijzing van dit stuk ook de mening hebben gevraagd aan kunsthistoricus Paul Peremans, een van de specialisten ter zake en bekend als auteur van enkele boeken over het onderwerp. Ook hij ziet hierin een overgangsstuk dat stijlkundig nog volledig past bij Willemyns, maar het oudst bekende Maes-product is. Het kan overigens nog best voor de overname in 1885 zijn gemaakt. Het is stijlkundig niet meer zo zuiver als de oudere vuurkorfjes en koffiekannen uit de periode Willemyns, maar de basisversieringen en technieken zijn er: de ajour-roos, de opgelegde blaadjes, de slingers, de gezichtjes en de bloemen, gemaakt van een combinatie van rood aardewerk met witte slib en wat koperoxide. Dit stuk wijkt dus wat af van het oudste Torhoutse aardewerk en heeft enkele karakteristieken, zoals de ingestempelde decoratie en de grovere afwerking van bladeren en slingers. Op basis van dit voorwerp kunnen we weer heel wat andere objecten thuiswijzen. Het vermoeden wordt bevestigd dat een aantal voorwerpen dat tot de dag van vandaag onder voorbehoud aan Willemyns werd toegeschreven, waarschijnlijk door Maes of een van zijn collega's werd gemaakt. We denken onder meer aan het tuintje dat bewaard wordt in het Museum van Sierkunsten van Kortrijk. Dit wijwatervaatje is ongetwijfeld gemaakt in de tweede helft van de 19de eeuw. Gezien de museale waarde van dit stuk, onthouden we ons van een waardebepaling. Op een unicum als dit staat immers geen prijs. Voor meer informatie over dit onderwerp raden we aan het Museum voor Torhouts Aardewerk te bezoeken in Torhout. De Koninklijke Gilde van Vlaamse Antiquairs organiseert haar 31ste kunst- en antiekbeurs van 20 tot 28 januari in de Sint-Pierstersabdij, Gent. Op dinsdag 23 januari is er een privé-bezoek voor lezers van Weekend Knack. Twee groepen (ongeveer 50 personen in totaal) zullen worden onthaald als vips en rondgeleid door een kunsthistoricius. De eerste groep start om 19 uur, de tweede om 19.30 uur, en daarna is er nog een hapje, een drankje en een extra vrijkaart om later nog eens terug te komen of om door te geven. Belangstelling? Stuur een gele briefkaart naar Weekend Knack, Raketstraat 50 bus 3, 1130 Brussel, met vermelding 'antiekbeurs' en het tijdstip dat u verkiest.Piet Swimberghe