Marjolein Pottie ( 27) haalde op de kinderboekenbeurs in Bologna de opdracht binnen om "100 Nursery Rhymes" van uitgeverij Penguin te illustreren. Een jeugddroom.

Op mijn tiende ging ik naar de academie. Toen al zei ik vastberaden tegen iedereen die het horen wilde: "Ik word illustratrice!" Komt daar bij dat mijn moeder in een jeugdbibliotheek werkte. Er slingerden altijd boeken rond in huis. Dat heeft zeker een grote rol gespeeld bij mijn beroepskeuze.

Ik heb Grafiek gevolgd aan het Sint-Lucasinstituut in Gent. In het laatste jaar had ik Illustratie als keuzevak. Toen ik afgestudeerd was, dacht ik dat mijn toekomst in de vormgeving lag. Vier jaar geleden rolde ik toch nog als vanzelf in het wereldje van de jeugdliteratuur. Ik deed mee aan de wedstrijd De Gouden Ezel, georganiseerd door uitgeverij Bakermat, en kreeg een eervolle vermelding. De winnaar mocht de kaft van een kinderboek ontwerpen. Ik greep naast de hoofdvogel, maar even later kreeg ik van Bakermat toch een eerste kans. Ik mocht Traan van Dirk Nielandt van prentjes voorzien. Het was voor ons beiden een debuut.

En plots kwam het ene na het andere op mij af.

Voor mij is tekenen maar een bijberoep. 's Morgens buig ik mij in mijn werkkamer thuis over het papier. Na de middag vertrek ik naar mijn dagtaak op de krant. Ik ben lay-outer bij Het Nieuwsblad. Voltijds illustreren lijkt me een te eenzame bezigheid.

In '97 won ik de Boekenpauw met Muu. Eén van de tekeningen uit dat boekje sierde de catalogus van de jeugdboekenbeurs in Bologna. Daar legde ik contacten met een aantal buitenlandse agenten. Ik sleepte er opdrachten in de wacht van de Engelse uitgeverijen Ladybird en Penguin. Ik kreeg als kind wel eens Nursery Rhymes van Penguin cadeau, en nu wil het toeval dat ik net voor die reeks mag gaan werken. Da's dus een jeugddroom die werkelijkheid wordt.

Ik volg de kinderboekenmarkt zoveel mogelijk op de voet. Ik lees zelf trouwens nog altijd graag jeugdliteratuur. Vaak kunnen volwassenen daar even goed van genieten. Soms denk ik zelfs dat sommige kinderboeken te moeilijk zijn voor hun doelgroep.

Doorgaans ben ik niet 100 procent tevreden over wat ik doe. Maar blijkbaar is mijn werk toch goed genoeg om uitgegeven te worden. De auteurs stimuleren me. Zeker Geert De Kockere, met wie ik Muu maakte, hecht veel waarde aan een echte wisselwerking. Ik maak eerst schetsen, die we dan samen bespreken. Als ik eens vraag om het verhaal aan te passen, wil hij dat overwegen. Dat is niet zo bij alle schrijvers, hoor. Voor sommigen is de tekst heilig.

Hoe ik aan die speciale, warme kleuren kom? Door met acrylverf op zwart papier te schilderen. Da's eigenlijk een omgekeerde tekentechniek. Anders teken je zwarte lijnen, nu spaar je ze gewoon uit. Ik kijk op naar een heleboel artiesten. Neem de Amerikaan Lane Smith: hoe die met kleuren tovert! Ik vernam op Internet dat hij heel toevallig zijn eigen techniek ontdekt heeft. Hij maakte een foutje met een verfdroogversneller en gebruikte twee soorten verf door elkaar. Daardoor kreeg hij een stippeltjeseffect.

Ja, ik heb nog ambities genoeg. Zo pas heb ik samen met mijn vriend een prentenboekje geschreven. Dat zou begin volgend jaar moeten verschijnen. Het gaat over een vrouw die elke nacht een ander kind wakker kietelt. De kinderen worden dat spelletje beu en komen ertegen in opstand. Ik maak ook beeldjes. Als ik ooit wat meer tijd kan vrijmaken, wil ik me daar ook op gaan toeleggen. Je ziet, plannen zat.

Peter Van Dyck / Foto Hypnovisuals