Peter Ruyffelaere (37) leidt als direkteur samen met hoofdredakteur Paul Van Calster (42) uitgeverij Ludion. Hun kunstboeken worden gewaardeerd van New York tot Berlijn.
...

Peter Ruyffelaere (37) leidt als direkteur samen met hoofdredakteur Paul Van Calster (42) uitgeverij Ludion. Hun kunstboeken worden gewaardeerd van New York tot Berlijn. PIET SWIMBERGHEFOTO : LIEVE BLANCQUAERT Wat we doen is van deze tijd : twintig jaar geleden was dat onmogelijk. Onze generatie heeft meer mogelijkheden. Maar bekijk het ook negatief : we studeerden af in volle krisis. Toen wij in de late jaren zeventig de universiteit verlieten, was er geen werk voor historici. Ofwel gingen we het universitair proletariaat vervoegen, ofwel deden we iets anders. Je werd verplicht nieuwe paden te bewandelen. Ik deed als mediëvist twee jaar wetenschappelijk onderzoek voor de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis. Daarna was het afgelopen. Gelukkig heeft Marijnissen me een job bezorgd. Hij kreeg van het Mercatorfonds de opdracht zijn boek over Hiëronymus Bosch te bewerken voor heruitgave. Ik werd zijn assistent. Zo zag ik een boek groeien. De opdracht beperkte zich niet tot het bezoeken van biblioteken, ik verbeterde ook drukproeven. Na de publikatie waren er de kontakten met de pers. Zo leerde ik uitgever Jan Martens kennen, die me nieuwe opdrachten gaf. Paul, die een kunsthistoricus is, is ongeveer op dezelfde manier in de uitgeverij getuimeld. Hij was assistent, kon niet aan de universiteit blijven en moest opnieuw beginnen. Hij dacht als tentoonstellingsbouwer aan de slag te kunnen. Door zijn vertaalwerk voor het Mercatorfonds kwamen we uiteindelijk op hetzelfde spoor terecht. We zijn er ook geraakt dankzij de technologische vernieuwing van de laatste vijftien jaar. Door het elektronisch zetten en tekstverwerken konden we vlot thuis werken en de uitgever in een mum van tijd drukklare, gezette teksten leveren. Om dat zetterijproces onder de knie te krijgen, heb ik ooit lessen gevolgd aan een technische school, tussen de zetters. Op een bepaald ogenblik verdiepte ik me tegelijkertijd in middeleeuwse charters en in modern zetwerk. Eigenlijk zijn we uit het Mercatorfonds gegroeid. Daar werden de projekten steeds complexer, en had Jan Martens nood aan een redaktionele ploeg. Hij was een van de eerste uitgevers in België die daar het nut van inzag. We verzorgden de produktie volledig. Dat doen we nu nog. We begeleiden de manuskripten, zoeken beeldmateriaal, kontroleren het drukken, binden en afwerken, en doen ook zuiver redaktiewerk, zoals het herschrijven van teksten. Als historici kunnen we de auteur beter wijzen op inkonsekwenties in de tekst. We begeleiden ook de vertalingen en de lay-out. Paul vormt nu de kern van de wetenschappelijke redaktie. We kozen van meet af aan voor een internationale aanpak. Uit noodzaak, want hier is de markt voor kunstboeken te klein. Dus moeten we samenwerken met musea en buitenlandse uitgevers. We leggen ons vooral toe op museumcatalogi. In ons land werken we onder meer voor het Museum voor Schone Kunsten van Elsene en het Groeningemuseum in Brugge. Onze buitenlandse opdrachtgevers zijn belangrijk. Daar realizeren we de helft van ons zakencijfer. We werken voor The Royal Academy in Londen, het Museum of Fine Arts in Boston, de National Gallery in Washington en het Metropolitan Museum of Art in New York. Inderdaad niet vanzelfsprekend voor een kleine Vlaamse uitgeverij. In het begin spitsten we ons toe op het erfgoed van de Lage Landen, dat we goed kennen en waarvoor we een direkte afzetmarkt hebben. Zo brachten we de catalogus van de Newyorkse tentoonstelling Petrus Christus naar Europa. We hebben ertoe bijgedragen dat er een Nederlandse en een Franse editie verscheen. Een van onze meest recente publikaties is de tentoonstellingscatalogus From Manet to Gauguin van The Royal Academy. Omdat het gaat om werken uit een Zwitserse kollektie, dacht ik er meteen aan het boek in het Duits uit te brengen voor Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland. We vonden een Duitse partner, en nu is er bovenop de expocatalogus een Duitse handelseditie. Zo werken we meestal. Soms nemen we zelf het initiatief. Nu bereiden we een boek voor over Marcel Duchamp. We dachten : die kunstenaar is momenteel hot stuff, dus publiceren we een naslagwerk. Een Amerikaanse criticus schreef het essay. We weten nu al dat de lay-out in Chicago wordt gemaakt, en hebben vaste afspraken met een Amerikaanse uitgever. Het boek verschijnt volgend jaar. Nu zoeken we partners in Europa voor Franse, Engelse en Nederlandse versies. Laten we de sleutel tot dit internationaal sukses niet vergeten : de wetenschappelijke begeleiding. Anders zijn we niet geloofwaardig voor onze opdrachtgevers. The Royal Academy zoekt geen drukker-uitgever, maar een uitgever-uitgever. Veel uitgevers zijn, zonder namen te noemen, gewoon drukkers, en geven boeken uit om hun persen aan de praat te houden. Als historici hebben we meteen raakvlakken met onze opdrachtgevers. Een groot voordeel als je dezelfde taal hanteert van de konservators : je zit op dezelfde golflengte en weet waarover je praat. Peter Ruyffelaere (links) : "We kozen van meet af aan voor een internationale aanpak. Uit noodzaak, want hier is de markt voor kunstboeken te klein. "