Driekwart eeuw geleden debuteerden een jongen met een kuif en zijn hond Bobbie in Le Petit Vingtième, de weekbijlage van Le Vingtième Siècle. In enkele jaren groeiden ze uit tot een fenomeen en hun geestelijke vader George Rémi zou in de daaropvolgende vijf decennia vierentwintig albums met de avonturen van de jonge reporter voltekenen, waarvan het laatste onvoltooid is gebleven. Naar het waarom van het succes van het duo en zijn kleurrijke entourage is het gissen, maar de cijfers liegen er niet om : de albums werden wereldwijd op meer dan 200 miljoen exemplaren verkocht en in zestig talen vertaald, waarvan het Brussels dialect voorlopig het laatste is. Bovendien gaan elk jaar nog twee miljoen albums over de toonbank. Dat het succes tot alle lagen van de bevolking is doorgedrongen, bewijst een ander cijfer : de lezers van Le Monde plaatsten De Blauwe Lotus op de achttiende plaats op de lijst van de boeken die ze bepalend vonden voor de twintigste eeuw. Dat in tijden van snel wisselende modes en trends de avonturen van een eeuwig jeugdige reporter zonder spetterende vriendinnen blijven boeien, is op zijn minst opmerkelijk.
...

Driekwart eeuw geleden debuteerden een jongen met een kuif en zijn hond Bobbie in Le Petit Vingtième, de weekbijlage van Le Vingtième Siècle. In enkele jaren groeiden ze uit tot een fenomeen en hun geestelijke vader George Rémi zou in de daaropvolgende vijf decennia vierentwintig albums met de avonturen van de jonge reporter voltekenen, waarvan het laatste onvoltooid is gebleven. Naar het waarom van het succes van het duo en zijn kleurrijke entourage is het gissen, maar de cijfers liegen er niet om : de albums werden wereldwijd op meer dan 200 miljoen exemplaren verkocht en in zestig talen vertaald, waarvan het Brussels dialect voorlopig het laatste is. Bovendien gaan elk jaar nog twee miljoen albums over de toonbank. Dat het succes tot alle lagen van de bevolking is doorgedrongen, bewijst een ander cijfer : de lezers van Le Monde plaatsten De Blauwe Lotus op de achttiende plaats op de lijst van de boeken die ze bepalend vonden voor de twintigste eeuw. Dat in tijden van snel wisselende modes en trends de avonturen van een eeuwig jeugdige reporter zonder spetterende vriendinnen blijven boeien, is op zijn minst opmerkelijk. Om de vijfenzeventigste verjaardag te vieren, worden zowel in Leiden, Brussel als Londen prestigieuze tentoonstellingen opgezet, terwijl in de Studio Hergé aan de Louizalaan nijver voortgewerkt wordt aan de Chronologie d'une oeuvre waarin, verspreid over zes of zeven lijvige delen, alle tekeningen aan bod komen die Hergé tijdens zijn rijk gevulde carrière gemaakt heeft. Toch is de tekenaar, die in 1983 overleed, bij dat alles behoorlijk in de schaduw gebleven. Zelfs voor de jonge vrouw die in 1954 reageerde op een advertentie van een onbekende uitgeverij die een inkleurster zocht, en die niet besefte dat ze werd geselecteerd door de studio van de meester, met wie ze korte tijd later kennismaakte. "Ik was niet eens 21 en verwachtte een oude man", zegt Fanny Vlamynck een halve eeuw later op de vijfde etage van het gebouw aan de Louizalaan. "Maar Hergé zag er met zijn 48 verrassend jong uit. Hij zat met opgerolde hemdsmouwen achter zijn bureau, was erg hartelijk en sympathiek en had een sterke uitstraling." De jonge artieste zou zich niet alleen laten opmerken door de minutieuze manier waarop ze zich in de studio over haar werk boog. Ook Hergé zelf raakte in de ban van haar persoonlijkheid, trouwde haar en bracht de rest van zijn leven naast haar door. Een halve eeuw na die eerste ontmoeting spreekt de enthousiaste vrouw met enige reserve over haar leven met Hergé. "In het alledaagse leven was hij vooral iemand die van de kwaliteit van het leven hield en een perfectionist was, zonder emmerdeur te worden. Hij hield van mooie stoffen en kleren, van verfijnd eten en goede wijn, en van snelle wagens. Hij had Alfa's en Porsches en reed daar heel erg goed mee." Fanny Vlamynck : Uiteraard, bij de authentieke artistieke creatie is die vermenging onvermijdelijk. In het geval van Hergé waren die gelijkenissen over twee personages verdeeld : ik zag zowel karaktertrekken van hem bij Kuifje als bij kapitein Haddock. Niet dat hij echt onhandig was, maar hij was wel erg spontaan, zeer enthou- siast voor nieuwe plannen, soms op het explosieve af. In Kuifje zie ik vooral zijn ideaal van zuiverheid, zijn streven naar perfectie, de correctheid ten opzichte van anderen. Als hij één grote kwaliteit met Kuifje deelde, dan was het zeker zijn trouw aan de vriendschap. Hij heeft zijn vrienden nooit in de steek gelaten, zelfs niet als dat niet zo goed was voor zijn eigen reputatie. Vaak is hij vrienden en anderen die daar behoefte aan hadden materieel bijgesprongen. Hij was gewoon erg genereus en trouw. En de enkele vrienden met wie hij ooit woorden had, heeft hij zelf terug opgezocht om de zaak bij te leggen. Door zijn inlevingsvermogen kon hij erg goed luisteren, hij was zeer menselijk maar bleef tegelijkertijd altijd erg preuts en gereserveerd. En hij was zeer diep geraakt door wat over hem gezegd en geschreven is omdat hij tijdens de oorlog is blijven werken voor Le Soir, zonder bij de politieke consequenties stil te staan. Hij wilde gewoon creëren, voortwerken, zijn brood verdienen en dat is hem zeer kwalijk genomen, men heeft hem zelfs afgeschilderd als een sympathisant van de nazi's. Natuurlijk verkeerde hij in een rechts, katholiek milieu en uiteraard had hij sympathieën voor de beweging van de Ordre Nouveau, die in het prille begin een ideologie uitdroeg die absoluut eervol was. In Kuifje zit natuurlijk ook zijn onbewuste verlangen om te reizen. Vreemd genoeg was hij absoluut geen reiziger toen ik hem leerde kennen, hij was nooit verder gekomen dan Italië of Zwitserland. Dat hij in eerdere albums op zo'n spectaculaire manier beelden van vreemde landen kon neerzetten, heeft enkel te maken met zijn doorgedreven research, zijn zeer omvangrijke documentatie, zijn zin voor perfectie die vooral vanaf De Blauwe Lotus op een bijzonder hoog peil heeft gestaan. Het is pas toen hij naar de Verenigde Staten moest om zijn lever te laten verzorgen, dat hij echt op reis ging, al zag hij daar geweldig tegen op. Zelf had ik de gelegenheid aangegrepen om een heel parcours uit te zetten, wat hij een absolute folie vond, maar uiteindelijk bleek de trip zo'n succes dat hij de aanzet was tot enkele grote reizen in Azië. Kuifje in Tibet is in zeer moeilijke omstandigheden ontstaan, omdat Hergé persoonlijk door een heel moeilijke periode ging. Het hele verhaal is opgehangen aan de zoektocht naar een vriend, misschien ook een zoektocht naar zichzelf. Het album wordt gekenmerkt door een stijl die van alle franje is ontdaan en speelt zich af in het Verre Oosten, waar hij zeer vertrouwd mee was. Jaren eerder al raakte hij geboeid door de Chinese kunst, zowel door de bronzen beelden als door de tekeningen. Hij las al heel vroeg Lao Tse en de Tao Te King, en heeft zich later intens beziggehouden met het zenboeddhisme. Verwonderlijk is dat niet, want hij bezat zelf altijd al die grote terughoudendheid en zelfcontrole, die filosofie en die humor. Hij keek naar de wereld van op een zekere afstand, met een zekere wijsheid ook. Met ouder worden en met zijn ziekte is hij zich steeds meer gaan verdiepen in het taoïsme. Dat resulteerde in een zekere aanvaarding van het leven en van zijn ziekte, vaak met veel humor. Toen hij naar de kliniek ging voor zijn zoveelste bloedtransfusie, sprak hij bijna glimlachend over 'even gaan bijtanken'. Natuurlijk kende hij ook zijn angsten, maar hij was er de man niet naar om daar anderen mee lastig te vallen. De combinatie van een grote diepgang met een lichtvoetige humor kenmerkt hem helemaal. Een beetje op aandringen van zijn vriend Marcel Stal, die hiernaast een galerie runde en met wie hij vaak het aperitief nam, heeft hij zich aan het schilderen gezet, zelfs een jaar lang les gevolgd. Na dat jaar stond zijn conclusie vast en zette hij een punt achter zijn pogingen met de woorden : ' Je ne serais jamais qu'un peintre du dimanche.' En dat is weer typisch voor hem : als hij de hoogste kwaliteit niet kon bereiken, hoefde het niet. En voor de eer hoefde hij het helemaal niet te doen, want die liet hem volkomen onverschillig. Hij wilde alleen maar zijn eigen ding doen, en ondanks de kwaliteit die zijn hele oeuvre kenmerkt, vond hij in zijn vak bijvoorbeeld Franquin ( de man van Guust Flater) een veel beter artiest. Ik zou het zelf niet echt weten, ik hoor vooral dat het personage voldoende neutraal is opdat iedereen er zich in zou herkennen. Kuifje is tegelijkertijd discreet, is nergens bang voor, heeft nauwelijks last van zijn emoties, torent boven de dingen uit en vertrekt wanneer het hem past, zonder de minste geldzorgen. Hij geniet vooral van een soort vrijheid waar ieder van ons wel eens van droomt. Toch geloof ik dat het beeld mee bepaald wordt door de hele entourage, waarin een waaier van persoonlijkheidskenmerken verweven zijn. Kortom, Kuifje is een universum. Dat leek me de evidentie zelf, omdat het personage zozeer met Hergé verbonden was. Hij heeft nooit een script van iemand anders aanvaard, zette zelf alle tekeningen in de inkt. Als ik zie wat er met Blake en Mortimer is gebeurd na de dood van Edgar P. Jacobs, dan ben ik blij dat er geen nieuwe Kuifje is opgedoken. Maar ik heb er wel voor geijverd om Hergés verzameld werk samen te stellen, waarvan er inmiddels vier delen verschenen zijn. Omdat iedereen altijd alleen maar over Kuifje spreekt, terwijl hij zoveel ander werk heeft gemaakt, van Kwik en Flupke tot talloze affiches en kaarten. Als iemand die overal waar hij met zijn werk kwam, vreugde heeft gebracht. n Tekst Pierre Darge l Portret Lieve Blancquaert