Toen Michael Thonet in 1871 op 75-jarige leeftijd stierf, was hij rijk en beroemd, maar ooit had ook hij zwarte sneeuw gezien. Wat deze succes story uit de meubelkunst met- een een romantisch tintje geeft. Dat de naam Thonet ook nu nog, na bijna twee eeuwen, blijft voortleven, komt wellicht doordat deze 'grootvader van het de-sign' veel jonge ontwerpers van het modernisme heeft geïnspireerd. Wat meteen verklaart waarom zijn meubels zowel in klassieke als hedendaagse interieurs passen. En ook op economisch gebied was hij een voorbeeld voor de latere generaties : zijn fabriek was immers een van de eerste om modern design op grote schaal te produceren.
...

Toen Michael Thonet in 1871 op 75-jarige leeftijd stierf, was hij rijk en beroemd, maar ooit had ook hij zwarte sneeuw gezien. Wat deze succes story uit de meubelkunst met- een een romantisch tintje geeft. Dat de naam Thonet ook nu nog, na bijna twee eeuwen, blijft voortleven, komt wellicht doordat deze 'grootvader van het de-sign' veel jonge ontwerpers van het modernisme heeft geïnspireerd. Wat meteen verklaart waarom zijn meubels zowel in klassieke als hedendaagse interieurs passen. En ook op economisch gebied was hij een voorbeeld voor de latere generaties : zijn fabriek was immers een van de eerste om modern design op grote schaal te produceren. In Michael Thonets geboortejaar, 1796, stond Europa aan de vooravond van een revolutionaire tijd waarin de productie van goederen totaal veranderde. Na de Franse Revolutie verdween op vele plaatsen het middeleeuwse systeem van ambachten dat het moderne kapitalisme, de industriële serieproductie en de massadistributie van goederen in de weg stond. Toen Michael in 1819 in Boppard aan de Rijn een eigen atelier opstartte, waren overal meubelfabrikanten druk aan het experimenteren met nieuwe technologieën. De techniek van het gebogen hout, waarmee Thonet groot werd, is daar een uitstekend voorbeeld van. Het procédé was al bekend bij de Egyptenaren, die nat hout door verwarming konden buigen. Via deze weg werd in de zeventiende eeuw ook hout voor stoelen, wielen, draaitrappen, dakgebinten en scheepsspanten gebogen. In 1805 vervaardigde de Brusselse schrijnwerker Jean-Joseph Chapuis een gebogen stoel van gelamineerd hout. In 1808 nam de Amerikaan Samuel Gragg een patent op een gelijkaardige 'elastische stoel'. Thonet was dus niet de uitvinder van het procédé, zoals je wel eens leest, maar hij heeft het wel verfijnd, onder meer om wagenwielen te maken voor het Pruisische leger. De eerste Thonet-meubels waren, net als de stoel van Gragg, van gelamineerd hout : op elkaar gelijmde laagjes werden in gebogen mallen gedroogd. Daarvoor vroeg hij in 1840 in Pruisen een eerste patent aan, dat werd afgewezen. In 1841 exposeerde hij zijn meubelen op een handelsbeurs in Koblenz, waar ze de aandacht trokken van een Oostenrijkse prins. Dit was een cruciaal moment in zijn carrière, en de meubelmaker verhuisde naar Wenen, waar hij met open armen werd ontvangen. Toch liep ook daar niet alles van een leien dakje. Zo verkreeg hij niet meteen het verhoopte patent omdat zijn techniek door de regionale ambachtsvereniging niet als een vernieuwing werd beschouwd. Ongetwijfeld speelden ook andere motieven een rol : de lokale traditionele gilde stak de industriële nieuwkomer graag een spaak in het wiel. Uiteindelijk verkreeg Thonet zijn eerste patent in Frankrijk, waar die gilden waren afgeschaft, in 1842 gevolgd door een Oostenrijks patent. Desondanks ging het hem niet voor de wind, en er volgden nog onzekere jaren waarin hij met zijn zonen voor verscheidene fabrikanten werkte. Intussen waren ze wel actief in de Weense hofkringen en ontwikkelden ze voor het Liechtenstein-paleis een reeks superlichte en eenvoudige stoelen die veel bijval kenden. Uiteindelijk richtten ze vrij laat, in 1849, een zelfstandig bedrijf op. Hun eerste ontwerp, de 'nr. 4', gebaseerd op het Liechtenstein-model, trok op een handelsbeurs de aandacht van de eigenares van Café Daum, die er voor haar moderne koffiehuis in biedermeierstijl een reeks van bestelde. Omdat ze op deze druk bezochte plek veel aandacht trokken, stroomden de bestellingen binnen, zodat het succesnummer de geschiedenis zou ingaan als de 'Café Daum-stoel'. Hoewel dit een belangrijke doorbraak was, kreeg Thonet op de eerste Wereldtentoonstelling in het Londense Crystal Palace toch maar een bronzen medaille. De ontwerpen werden er als 'curiositeiten' afgedaan. En dus bleef het lot van het bedrijf onzeker. Ook al omdat sommige patenten reeds vervallen waren en verscheidene Oostenrijkse concurrenten de meubels klakkeloos nabootsten. Pas toen Thonet massief beukenhout ging buigen, stopte dit. In 1853 zag een nieuwe vennootschap het licht : Gebrüder Thonet. De vader bleef actief, maar werkte nu met zijn vijf zonen samen. Dat was de definitieve start. Het feit dat Michael zijn bedrijf meteen klaarstoomde voor een internationale carrière, toont aan dat hij een moderne zakenman was. Hij werd de eerste grote designfabrikant, die geen luxeartikelen maakte, maar consumptiegoederen. Het waren heuse serieproducten waarvan bijna alle onderdelen onderling verwisselbaar zijn, je kunt bijvoorbeeld de poot van de ene stoel in de andere schroeven. Door deze moderne productiemethode kon de assemblage overal gebeuren, wat ideaal is voor een ruime distributie. Vertrekkende van eenzelfde basismodel konden bovendien in een handomdraai verschillende versies worden geproduceerd. Van duur tot goedkoop, met een zwarte laklaag of mahoniebeits voor Zuid-Europa tot een ongetinte, lichte houtkleur voor Scandinavië. Dit leidde tot een voorheen ongekende massaproductie. Zo waren er rond 1930 al meer dan 50 miljoen exemplaren geproduceerd van de beroemde stoel nr. 14, nu de 214. Vanaf 1855 kregen de Thonet-meubels wereldwijde faam, tot in Zuid-Amerika toe. Wat niet wegneemt dat de fabrikant tot in 1867, toen in Oostenrijk de gilden werden afgeschaft, bij de aanvraag van patenten geboycot werd door de meubelmakers. Dat leidde er ook toe dat er veel concurrenten op de markt verschenen, waarvan de belangrijkste het Oostenrijkse bedrijf van Jacob & Josef Kohn was, dat werd opgericht in 1869. Bij Kohn bootsten ze Thonet jarenlang klakkeloos na, tot ze rond de eeuwwisseling belangrijke ontwerpers begonnen aan te trekken en een tijdlang zelfs interessantere designmeubels op de markt brachten dan hun grote voorbeeld ! Over heel de wereld waren er overigens enorm veel bedrijven die Thonet kopieerden, waaronder drie in ons land. Zo heeft Cambier-Frères uit Ath tot na 1945 geproduceerd. Later verdwenen veel van die bedrijven of werden ze door de Oostenrijkers opgekocht. In 1923 fuseerde Thonet met zijn belangrijkste concurrenten, Kohn, Mundus en Fischel, en werd op die manier de grootste meubelfabrikant ter wereld. De meubelcollectie van Thonet weerspiegelt de hele stijlevolutie die de meubelkunst sinds midden negentiende eeuw heeft doorgemaakt. Michael begon toen in Centraal-Europa de biedermeierstijl en vogue was, een vereenvoudigde vorm van het empire. De slanke stoelen van Thonet pasten daar perfect bij. Het gebogen beukenhout leende zich ook uitstekend voor de nog zwieriger meubels in neorococo, die rond 1840 opgang maakte. Thonet maakte niet alleen stoelen, maar ook bankstellen, tafels, kapstokken, bureaus en zelfs kroonluchters van gebogen hout. Toen omstreeks 1850 het historisme definitief doorbrak en er allerlei neostijlen populair werden, waagden ze zich zelfs aan de neorenaissance, een stijl die eigenlijk amper paste bij de zwierige vormentaal van het gebogen hout. De grote doorbraak kwam er eind negentiende eeuw met de art nouveau en de Jugendstil : de techniek van het gebogen hout was ideaal voor de zweepslagstijl. Maar ook ontwerpers met een meer sobere en strakke stijl deden een beroep op de fabrikant, zoals de purist Adolf Loos, die in 1899 het Weense Café Museum herschikte met dergelijke stoelen. Dit zorgde voor een belangrijke artistieke evolutie. Niettemin bleek in die tijd vooral concurrent Kohn het vooruitstrevendst. Die schatte als eerste het belang in van vooruitstrevende ontwerpers en werkte onder meer met Josef Hoffmann, die rond 1905 een heuse 'zitmachine' ontwierp voor het Purkersdorf-sanato-rium. Hoffmann en mensen als Otto Wagner en Marcel Kammerer hanteerden een heel sobere stijl, zonder zweepslagmotieven en met vrij rechte hoeken. Een vormentaal die toen als bijzonder smaakvol werd ervaren. Tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bleef deze stijl erg populair, en zowel Thonet als Kohn werkten met de beste Weense moderne architecten als ontwerper. Jammer genoeg weten we van veel stukken niet precies wie ze getekend heeft : de productie werd gewoon als Thonet verkocht, zonder de namen van de ontwerpers erbij. Het was pas later, toen de metalen buismeubelen opkwamen, dat de designers expliciet werden vermeld. Begin twintigste eeuw stelde het bedrijf ongeveer tienduizend mensen tewerk in zeven fabrieken, waar maar liefst 1,8 miljoen meubelstukken per jaar werden geproduceerd. Ruim een vierde daarvan waren de beroemde nr. 14-stoelen, maar in totaal was er toch keuze uit ongeveer 1400 verschillende modellen. Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog de meubelmarkt in elkaar klapte, vervaardigde Thonet militair materiaal, onder meer munitiekisten. Na de oorlog fuseerden eerst de twee concurrenten Kohn en Mundus, om uiteindelijk in 1923 samen te smelten met Thonet zelf tot de firma Thonet-Mundus AG. Ondertussen groeide ook de belangstelling van de nieuwe generatie avant-gardeontwerpers voor de houten plooimeubels. Op de Parijse Exposition lnternationale des Arts Decoratifs et Industriels Modernes richtte Le Corbusier in 1925 zijn Pavillon de l'Esprit Nouveau in met de zogenaamde Weense stoel, de B9 van Thonet, die hij uitriep tot een 'nobel object', omdat het een eenvoudig en goed ontworpen massaproduct was. De houten stoelen sloten qua lijn en techniek helemaal aan bij de eerste metalen buismeubels die in het begin van de jaren twintig het licht zagen, en veel architecten en interieurarchitecten gebruikten de twee door elkaar om moderne interieurs in te richten. Op zich is dat wel markant, gezien de vorm van nogal wat Thonet-stoelen toch geïnspireerd was op de classicistische biedermeierstijl van omstreeks 1830. Thonet begreep dat er een toekomst weggelegd was voor de metalen buismeubels en zorgde meteen ook voor de grote popularisering ervan. In 1928 sloot het bedrijf een contract met Marcel Breuer voor de productie van stalen meubels, onder meer de Wassily. Vervolgens ging Thonet Frères Paris buismeubelen maken van het ontwerperstrio Le Corbusier (onder meer diens beroemde Chaise Longue), Pierre Jeanneret en Charlotte Perriand, alsook van André Lurçat, Piero Bottoni, Béwé en Emile Guillot. En in 1929 begon ook het hoofdhuis in Frankenberg buismeubelen te produceren. In 1931 verwierf Thonet de rechten op de ontwerpen van Mies van der Rohe, met onder meer de beroemde 'boogveerstoel', en een jaar later kwam ook de achterpootloze stoel van de Nederlander Mart Stam in productie. Op die manier kwamen bij Thonet heel wat van de iconen tot stand die de gehele meubelkunst van de twintigste eeuw hebben beïnvloed. Inhoudelijk sloot deze massaproductie aan bij de designfilosofie van het Bauhaus. Maar niet helemaal, omdat de meubels toch vrij duur waren en in de interieurs terechtkwamen van rijkelui. Bovendien werden van de architectenmeubels, in tegenstelling tot de houten stukken van Wagner en Hoffmann, in de catalogi wel de namen van de ontwerpers afgedrukt. Iets wat indruiste tegen de ideologie van het Bauhaus, dat de anonimiteit van de indu- striële producten waardeerde. De personencultus in designersland, die nu meer dan ooit bloeit, was hiermee in het leven geroepen. In de jaren vijftig en zestig trok Thonet opnieuw de aandacht met ontwerpen van Edelhardt Harlis, Hanno von Gustedt, Günter Eberle, Verner Panton en Gerd Lange. Vooral de 652 uit 1952 van Harlis was een bestseller. En in 1955 creëerde dezelfde ontwerper de ST 664, een leuk kuipstoeltje met een schelpvormige zit van multiplex en een draadijzeren onderstel. Het wordt nu al een tijdje opnieuw geproduceerd en is weer een commercieel succes. In het midden van de jaren zestig ging Thonet aan de slag met Panton, die een voorloper van zijn bekende kunststofstoel ontwierp in gelamineerd hout. De ergonomische stoel herinnert duidelijk aan de Zigzag van Rietveld. In 1974 bracht Thonet de Flex van Gerd Lange op de markt, die als stapel- en kantoorstoel zeer populair werd, en in 1979 werden verscheidene art-nouveauontwerpen opnieuw in productie genomen. Ook de buismeubelen van de Bauhaus-ontwerpers Breuer, Stam en Mies werden weer geproduceerd, overigens met enorm succes. In de jaren tachtig en negentig deed het bedrijf wel een beroep op Ulrich Böhme, Wulf Schneider, Josef Gorcica, Christoph Knierim en Peter Maly, maar toch speelde Thonet de laatste jaren geen toonaangevende rol meer in het actuele design. Al zijn ze duidelijk van plan daar verandering in te brengen : om te bewijzen dat de techniek van het gebogen hout nog steeds inspireert, vroeg Thonet de Britse designer James lrvine (°1958) een stoel te ontwerpen. Het resultaat is de A660, die Irvine zelf de Loop Chair of lusstoel noemt. In plaats van het traditionele riet gebruikt hij een netbespanning van kunststof, en door de elegante lusvorm wordt een maximale stevigheid verkregen met een minimum aan materiaal. Uiteindelijk past ook dit weer helemaal in de lijn van de eerste Thonet-meubels. Het eindresultaat is, zoals Irvine het zelf aanstipt, een perfecte versmelting van technologie, functionaliteit en geschiedenis. n Tekst Piet Swimberghe