Onze obsessie voor de juiste cuisson hebben we te danken aan bekende tv-chefs en dankzij Instagram serveren we de laatste tijd graag bordjes die er op foto mooi uitzien. Maar er komt een nieuwe obsessie aan. Textuur. Hoe iets ruikt, smaakt en eruitziet, dat is waar we op letten als we een vorkvol bij elkaar pri...

Onze obsessie voor de juiste cuisson hebben we te danken aan bekende tv-chefs en dankzij Instagram serveren we de laatste tijd graag bordjes die er op foto mooi uitzien. Maar er komt een nieuwe obsessie aan. Textuur. Hoe iets ruikt, smaakt en eruitziet, dat is waar we op letten als we een vorkvol bij elkaar prikken, maar we zijn ons er meestal niet van bewust dat wat we eten een bepaalde textuur heeft. Tot het ons verrast. Omdat het glad en romig is (zee-egel), omdat het knapperig is (een verse appel), omdat het sponzig is (pens), omdat het weerstand biedt (kippenpoten), of omdat het slijmerig is (gefermenteerde sojabonen). Mondgevoel, heet dat officieel en het is vaak de combinatie die telt. Krokante bruschetta met smeuïg beleg, die stukjes chocola in stracciatella-ijs, croutons in je soep. In de Chinese en Japanse keuken is textuur een belangrijke factor bij het bedenken of combineren van recepten. Het Japans heeft 400 woorden om textuur in eten te omschrijven, tegenover de amper 78 Engelse woorden die hetzelfde doen. Pari-pari bijvoorbeeld, is de krakende crunch van iets als geroosterde nori, toro toro is iets smeuïgs als gesmolten kaas en gari gari de harde crunch van onder andere rauwe wortelen. De betere restaurants zorgen er al een tijdje voor dat ze toefjes romige zalf combineren met knapperige groenten en uit elkaar barstende korreltjes, maar ook amateurs gaan vandaag met geroosterde pijnboompitten, gefrituurde uitjes en granaatappelpitten op zoek naar de juiste combinatie van texturen om een gerecht nog smakelijker te maken.