Op je vijftiende een boek schrijven is niet bepaald gewoon. Als puber over je depressie en anorexia getuigen nog minder. Toch deed Mathilde Monaque dat. Met een verbazingwekkend introspectief vermogen en een trefzekere taal vertelt ze het verhaal van haar terugkeer naar het leven.
...

Op je vijftiende een boek schrijven is niet bepaald gewoon. Als puber over je depressie en anorexia getuigen nog minder. Toch deed Mathilde Monaque dat. Met een verbazingwekkend introspectief vermogen en een trefzekere taal vertelt ze het verhaal van haar terugkeer naar het leven. Op haar veertiende werd ze ijlings naar het ziekenhuis gebracht. Ze was zo depressief en had zoveel gewicht verloren dat een opname de enige kans op overleven leek. In de speciale jongerenafdeling leverde ze een zwaar gevecht met zichzelf, op leven en dood. Een zwarte periode, die ze neerpent zo gauw ze weer wat beter is. "Anderhalf jaar nadat ik uit het ziekenhuis werd ontslagen, ben ik eraan begonnen. Hier in Frankrijk is het boek al twee jaar uit. Ik was toen zeventien", zegt ze. Nu ze negentien is, is haar boek vertaald in onder meer Italiaans, Portugees, Japans, Roemeens, Engels. De Franse titel Trouble tête werd in de Nederlandse versie : Ik was veertien en depressief. Ze studeert en woont in Bordeaux, maar we ontmoeten elkaar in Parijs : een ballerina-achtige verschijning, met pretlichtjes in de ogen en een stralende glimlach. In haar hand een takje roze bloesem : "Gevonden op straat." Ze oogt nog steeds erg mager onder haar ruime trui, wijde rok en laarzen. Uitstekend. Ik heb een moeilijke tijd gehad, maar ik denk daar nog maar zelden aan. Het is ook niet simpel om erover te praten. Het is alsof ik toen iemand anders was. Het gaat dus goed, maar eigenlijk ben ik uitgeput, want sinds ik hersteld ben van mijn depressie heb ik mezelf nog geen moment rust gegund. Ik wil geen tijd verliezen, zie je. Vanuit het ziekenhuis ging ik meteen weer naar school. Niet lang daarna schreef ik mijn boek en nu studeer ik aan de universiteit, ik volg het tweede jaar geneeskunde. Psychiatrie heb ik voorlopig laten varen. Eerst zien hoe ik dit ervan afbreng. Nee. Ik weet alleen dat ik op een bepaald moment merkte dat ik uitgeput was. Waarschijnlijk was dat al maanden aan de gang, zonder dat ik het wist. Vermoedelijk is er niet één oorzaak, maar is het een samenloop van omstandigheden. Ik haat het om dat woord te gebruiken, maar het feit dat ik hoogbegaafd ben, zal er wel mee te maken hebben, want dat gaat vaak gepaard met overgevoeligheid. Ik piekerde aan een stuk door en analyseerde onophoudelijk alles rondom mij. Ik was altijd de eerste van de klas, een echte bolleboos en een haantje de voorste. Daardoor was ik altijd het lievelingetje van de juf, en dan ben je niet geliefd bij je klasgenoten, hè ? Vanaf de eerste klas voelde ik me ongelukkig tussen de andere kinderen. Ik haatte ze en vond geen aansluiting bij hen. Nadat ik het vijfde leerjaar mocht overslaan, verbeterde dat enigszins. Nu heb ik daar geen tijd meer voor, maar als kind verveelde ik me steendood. En toch... Er waren momenten van grote leegte. Ik was vooral eenzaam. Toen ik naar het tweede middelbaar ging, verhuisden toevallig mijn twee enige vriendinnen naar een andere stad. Ik had niemand meer, ik voelde me in de steek gelaten en vond mezelf waardeloos. Ik had het gevoel dat ik niet zo alleen zou zijn als ik iets betekende. Toen ik dan ook nog klierkoorts kreeg en een hele poos weg moest blijven van school, was ik zwaar verzwakt, totaal uitgeteld en vereenzaamd. Was dat maar zo (lacht). Niks zoenen. Ik ben gewoon besmet door een van mijn broers. Met die klierkoorts begonnen de uitputting en de lusteloosheid, en ik stopte ook met eten. Nee, want dat was een deel van het probleem. Ik kom uit een groot en druk gezin. Mijn vader is bij de marine, hij is vaak afwezig. Mijn moeder is huisvrouw, ze stond er meestal alleen voor. Mijn oudste broer en zus hebben allebei mucoviscidose of taai- slijmziekte, een erfelijke en ongeneeslijke aandoening met constant verstikkingsgevaar. Thuis was het een komen en gaan van fysiotherapeuten en artsen. Bij een van mijn zusjes is een bipolaire stoornis vastgesteld, en dan waren er de kleintjes die óók aandacht eisten. Als oudste van de zes voelde ik me verantwoordelijk voor alles en iedereen. Ik stond altijd ten dienste van anderen en heb mezelf weggecijferd, tot ik bijna letterlijk weg was. Ik voelde me doorzichtig en transparant, alsof niemand me nog zag staan. Nu, er bleef ook niet veel van me over. Ik at niet meer. Ik had anorexia, maar dat besefte ik niet. Absoluut niet. Het moest verboden worden om jongeren met een depressie naar een ziekenhuis te sturen. Ik wou er zo snel mogelijk weg. Misschien is de kille manier waarop je benaderd wordt een truc om je weer aan het eten te krijgen (glimlacht). Alles liet me ijzig koud, niets of niemand kon me iets schelen. Ik werd gedwongen om te eten, maar ik slaagde erin om toch nog af te vallen. Tot ik besefte dat ik pas uit het ziekenhuis bevrijd zou worden als ik aankwam en gewicht bij kreeg. Opnieuw beginnen te eten was heel moeilijk, want ik kreeg er gruwelijke buikpijn van. Ik wou geen grammetje vet aan en in mijn lijf. Daarom deed ik aan sport en at ik niet meer. Ik wilde ook geen truien dragen, omdat ik rillend van de kou meer calorieën verbrandde. Ik was zo mager dat het pijn deed. Ik had geen billen meer, niks om op te zitten tussen de stoel en mijn gebeente. Ik walgde van alle voedsel, ik vond alles even vies en afstotelijk : ik had mezelf gehersenspoeld. Al was ik een levend lijk en kon ik met één hand mijn vingers om mijn dij sluiten, als ik in een spiegel keek, zag ik een dik, verwerpelijk wezen van wie niemand kon houden. Nee, niemand in dat hele ziekenhuis. Ik wou dat men me opmerkte, dat men me hielp, maar ik werd alleen maar onderzocht als een merkwaardig insect. Ik werd niet verzorgd of behandeld, ik werd onder een microscoop gelegd. Ik wilde die niet, maar ik moest wel. Dit zeg ik met terughoudendheid, want dat is voor iedereen anders, maar bij mij werken die dingen niet. Antidepressiva slikken is als een masker opzetten, want je bent jezelf niet meer. Van het moment dat ik het ziekenhuis verliet, heb ik die pillen weggegooid. Nee, het was ieder voor zich. Iedereen zat opgesloten in zichzelf. Ook ik was destijds een perfecte autist. De andere patiënten maakten gewoon deel uit van het decor, zoals de planten en de meubelen. Ik was ook zo zwak, dat ik niet in staat was tot menselijk contact. Ik had hooguit wat vaag medelijden, maar ik voelde me ook schuldig. De anderen verbleven er omdat ze hyperactief of suïcidaal waren omdat hun broertje gestorven was of hun ouders gescheiden... Ik had geen enkele reden van buitenaf om depressief te zijn. Ik kwam uit een degelijk, groot en compleet gezin, er was geen armoede, ik had goede ouders. Akkoord, ik had misschien te veel verantwoordelijkheid, maar die was me niet opgelegd. Die heb ik zelf naar me toe getrokken omdat ik wou dat iedereen van me hield. Het is waar : mijn ouders hadden weinig tijd voor me. Ik neem hen niets kwalijk, dat heeft geen zin, maar het was wel zo. Dat telt niet. Moederliefde is blind. Zelfs al ben ik het lelijkste meisje ter wereld, dan nog ben ik mijn moeders mooiste. Het is normaal dat je moeder van je houdt. Iemand anders moet het je zeggen, niet je moeder : " Je t' aime et tu es belle." Nee. (glimlacht) Maar ik voel me niet meer eenzaam. Ik vind het ook niet meer erg om alleen te zijn. Een moment zou ik het niet noemen. Het was geen kwestie van seconden of minuten. Wat me écht heeft geholpen waren gesprekken met de aalmoezenier van het ziekenhuis. Ik had daar zelf om gevraagd omdat ik rooms-katholiek ben opgevoed en omdat ik met een buitenstaander wou praten. Het liefst wou ik een gesprek met de priester van mijn parochie, maar ik mocht geen bezoek krijgen van iemand die geen rechtstreekse familie is. In die aalmoezenier had ik vertrouwen, vraag me niet waarom. Hij sprak niet voor het ziekenhuis, hij sprak niet voor zichzelf, hij sprak voor God. Hij praatte me niet naar de mond en hij veroordeelde me ook niet. Hij zei dezelfde dingen als de anderen : dat ik ziek was, dat ik beter moest eten. Omdat hij van buiten de instelling kwam, hij had niets met het ziekenhuis te maken. Hij zei dat God hoe dan ook van me hield, of ik nu dun was of dik. Dat ene zinnetje veranderde alles, alsof er in mijn hoofd een knop werd omgedraaid. Ik hield niet van mezelf, maar God wel. God was perfect, God was zuiver, God was puur. Op hem wou ik lijken. Maar de wereld was slecht. Alles om me heen was slecht. Ik wees alles af, elk pleziertje leek me slecht of vies. Ik kon niet meer genieten, van niets. Ik worstelde nog steeds met anorexia. Ik wilde zo zuiver mogelijk worden. Zuiver in de zin van me opofferen en wegcijferen. Maar ook zuiver in de zin van wat je eet, en van hoe je eruitziet. Ik wilde niets minder dan volmaakt zijn. Ik streefde zuiverheid na, edelmoedigheid, onthechting, doorzettingsvermogen, geduld, toewijding, dienstbaarheid... Ik wilde alles doen voor anderen. Maar dat kun je niet als je niet eet, als je altijd te moe bent om wat dan ook te doen en als je voortdurend wil slapen. Om anderen te helpen, moet je zelf stevig op je benen staan. En zo ver ben ik nu : ik studeer geneeskunde om mensen te helpen. Maar van mijn depressie en anorexia ben ik genezen, en ik ben ervan overtuigd dat ik nooit meer zal hervallen in anorexia, nu vind ik dát walgelijk. Als ik op straat een anorectisch meisje zie, moet ik me tegenhouden om niet naar haar toe te rennen en te roepen : "Houd daarmee op ! Je bent gek !" "Ik was veertien en depressief", Mathilde Monaque, uitg. De Arbeiderspers, 16,95 euro, ISBN978 90 295 6606 3.Door Griet Schrauwen I Foto Ann Vallé