Je tilt een niet zo zwaar valies uit de lift, je rug getorst in een onnatuurlijke houding, en daar zit je opeens, à quattre pattes, in kikvorsperspectief aankijkend tegen een halletje dat sinds 1955 niet meer is veranderd, met in je rug een soort pijn die bij de minste beweging ondraaglijk lijkt te zullen worden. Als een dier kruip je naar binnen, achter de spionnetjes loerende ogen vermoedend, ogen van buren die wellicht zullen denken dat je strontzat op handen en voeten zit, ter grond neergezegen ten gevolge van de drank, wat een voor de hand liggender verklaring is dan een laf valies van Samsonite.
...

Je tilt een niet zo zwaar valies uit de lift, je rug getorst in een onnatuurlijke houding, en daar zit je opeens, à quattre pattes, in kikvorsperspectief aankijkend tegen een halletje dat sinds 1955 niet meer is veranderd, met in je rug een soort pijn die bij de minste beweging ondraaglijk lijkt te zullen worden. Als een dier kruip je naar binnen, achter de spionnetjes loerende ogen vermoedend, ogen van buren die wellicht zullen denken dat je strontzat op handen en voeten zit, ter grond neergezegen ten gevolge van de drank, wat een voor de hand liggender verklaring is dan een laf valies van Samsonite. Het lijkt nu alsof ik in een levensgrote mollenklem zit, die probeert mij dubbel te vouwen. Lumbago is een te gemoedelijke benaming voor dit soort zeer, dat meestentijds knagend is maar bij momenten scherp alsof er een breinaald in je rug wordt gestoken. Lumbago doet mij aan een goedgeluimde dikkerd denken, een vrolijke olijkerd die hobbelt op een schommelpaard. Woorden voeren mij wel vaker naar onverwachte oorden, die nog maar weinig te maken hebben met hun oorspronkelijke betekenis. Soms is de link vergezocht, soms ligt hij voor de hand. Zo levert het zeurderig gezongen Vicious van Lou Reed mij altijd weer even het beeld op van rotspartijtjes in een aquarium. Lumbago schijnt, in tegenstelling tot rotspartijtjes in een aquarium, een van de manieren te zijn waarmee je lichaam je laat merken dat je het rustiger aan moet doen. Noodgedwongen zeg ik een aantal verplichtingen af die gisteren nog zo belangrijk leken maar nu de duimen moeten leggen voor dat ene, al de rest uitsluitende verlangen : geen rugpijn meer te hebben. "Gezonde mensen hebben vele wensen, zieke mensen hebben er maar één." Je moet eerst zelf iets mankeren om deze tegeltjeswijsheid ten volle te snappen. Ik gebruik de vrijgekomen tijd om naar de Plat Préférés van Armand Pien en Charles de Gaulle te kijken, en een boekje te lezen van de Fransman Philippe Claudel : Het kleine meisje van meneer Linh. Dat kleinood van amper 140 bladzijden bevalt mij erg. In de hoofdrol een oude man, een vluchteling uit een ver en geurvol land, die als enige van zijn familie de oorlog overleefd heeft en met zijn kleindochter in de armen aanbelandt in een westerse stad, waar hij verweesde wandelingen maakt. Op een bank in het park sluit hij vriendschap met meneer Bark, een reus van een autochtoon die óók zijn vrouw verloren heeft. Ondanks het feit dat de twee mannen geen woord van elkaars taal begrijpen behalve goeie-dag, dat ze te pas en te onpas gebruiken, ontstaat er een vriendschap die diep is en aangrijpend. De taal is zo eenvoudig, het verhaal niettemin zo meeslepend en de ontknoping dermate verrassend dat ik van een juweeltje durf te gewagen. Misschien kun je de mensen indelen in twee soorten : zij die ontroerd raken door dit boekje en zij die er geen bal aan zouden vinden. Die laatsten maken weinig kans soulmates van mij te worden. Claudel (dezelfde die Grijze zielen schreef) staat op het achterplat als een ruwe bolster, blanke pit, een vent die van de wereld wel het zijne heeft gezien. Zo een die bij wijze van research door achterbuurten slentert om daar getuige te zijn van groepsverkrachtingen, maar niettemin zijn gevoel voor het schone en het zachte heeft bewaard. "Wat is een mensenleven anders dan een keten van leed om je hals ?" is waarschijnlijk de somberste zin uit het boek, zo een waar ik instemmend bij moet knikken, Toon Hermans ten spijt. Tegelijk is Het kleine meisje van meneer Linh echter ook een hoopvol boek, waarin mededogen zit en liefde die de dood overleeft. Samen met Kruisweg van Diane Broeckhoven en Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier behoort het tot de romans die het afgelopen jaar de meeste indruk op mij hebben gemaakt. Ik heb er een kratje van ingeslagen, om aan vrienden en bekenden cadeau te doen, in de hoop dat ze er rug- en andere zeren even bij kunnen vergeten. Met die lumbago van mij is het trouwens al een heel stuk beter, waarvoor dank. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders