Ettore Sottsass is een monument : niet alleen de voornaamste nog levende Italiaanse designer - hij vierde pas zijn negentigste verjaardag -, maar een van de belangrijkste designers tout court. Hij heeft na de Tweede Wereldoorlog het begrip van design helpen uitvinden, en stond later aan het hoofd van een rist baanbrekende artistieke bewegingen : radicaal design, antidesign en postmoderne architectuur. Zijn nalatenschap is enorm divers : meubilair, architectuur, industrieel design, glaswerk, ceramiek, schilderkunst, fotografie en schrijfwerk. In de lange geschiedenis van het meubel verdient de man minstens een hoofdstuk apart.

Sottsass is geboren in Innsbruck, in 1917. Zijn moeder was Oostenrijkse, zijn vader, een voorname architect, Italiaan. Ettore Sott-sass sr., die in zijn werk een doctrinair functionalisme genegen was, stippelde al snel een carrièreplan uit voor zijn zoon. In 1929, toen junior amper twaalf was, verhuisde het gezin naar Turijn, om de simpele reden dat die stad de meest gereputeerde architectuurfaculteit van Italië had. De jonge Sottsass speelde even met de rebelse gedachte om een kunstopleiding te volgen, maar koos uiteindelijk toch maar voor de bouwkunde. "Mijn vader werkte thuis", zegt Sottsass in een recent interview met het trendy Amerikaanse architectuurtijdschrift Pin-Up. "En als je vader architect is, dan zie je alleen maar pennen, papier, tekeningen. Als vierjarige kleuter tekende en ontwierp ik begraafplaatsen ! Ik ben opgegroeid met de geur van architectuur, de reuk van papier."

Onmiddellijk na zijn opleiding werd hij ingelijfd door het Italiaanse leger. Sottsass weigerde wapens te gebruiken, en werd dan maar ingeschakeld als kok voor de troepen. Toen het verbond tussen Duitsland en Italië werd verbroken, verdween hij een tijdlang in een Joegoslavisch gevangenenkamp. "Het was geen concentratiekamp", aldus Sottsass. "Ze hebben ons gevraagd of we wilden werken voor de Duitsers in plaats van naar een kamp te worden gestuurd. En dus hebben ik en twaalf andere soldaten beslist te werken. We zaten in een gevangenis van de Ustasa, de Kroatische fascisten." En een ouder citaat : "Ik heb niets van de ervaring geleerd. Het was compleet tijdverlies."

Na de Tweede Wereldoorlog werkte Sott-sass in Turijn met zijn vader aan een aantal woonprojecten, onder meer voor Sardinië. Ze bouwden ook een school in de Dolomieten en een groot cultureel centrum in Turijn, met onder meer een restaurant en een theater. In 1946 verhuisde hij naar Milaan, waar hij een tentoonstelling samenstelde voor de Triënnale. Hij werkte vervolgens tien jaar als curator en criticus, als medewerker van Gio Ponti's invloedrijke tijdschrift Domus. Hij schilderde, ontwierp theaterdecors, en begon een eigen praktijk als architect en designer.

Nomadisch bestaan

In 1956 reisde Sottsass met zijn eerste vrouw, Fernanda Pivano, naar New York. Hij ontwierp er een lijn ceramiek, en liep ook even stage bij George Nelson, artistiek directeur van de meubelfabrikant Herman Miller en boegbeeld van een hele generatie Amerikaanse designers. Sottsass had Nelson leren kennen bij Gio Ponti. "Hij vroeg me : 'Waarom kom je niet naar Amerika ?' En ik zei hem dat ik geen geld had. En toen zei hij : 'Als je naar Amerika komt, geef ik je 25 dollar per week.' In die periode was dat een immense som geld voor mij, en op de een of andere manier heb ik genoeg geld gevonden voor een vliegtuigticket. George Nelson was een zeer elegant man. Hij was als een vader, een goede vriend." In New York werd Sottsass voorgoed door de designmicrobe gebeten.

Terug in Italië kreeg hij een baan als creatief consultant van meubelfabriek Poltronova. In 1958 werd hij daarnaast ook adviseur van de industriële groep Olivetti. Die had net een elektronicadivisie opgericht. Met de hulp van ingenieur Mario Tchou ontwierp Sottsass een lange reeks technisch vernieuwende, esthetisch verbluffende producten. Zoals de Tekne, een elektronische schrijfmachine, de Elea 9003, de eerste Italiaanse zakrekenmachine (in 1959 bekroond met de gegeerde Compasso d'Oro), of nog de knalrode Valentine, een schrijfmachine die Sott-sass ooit op cynische wijze beschreef als "té voor de hand liggend : een beetje als een meisje met te veel make-up en een heel kort rokje". Desalniettemin : een heus popicoon.

Sottsass was tegelijk mainstream (door zijn werk voor Olivetti werd hij gerespecteerd door het establishment) en avant-garde (hij was een van de eerste designers die meubilair en popart verenigde). Hij reisde regelmatig naar Amerika en naar India, waar hij zich voor een ceramiekcollectie liet inspireren door oosterse vormen en transcendentalisme. Zijn eerste, drie maanden lange reis naar India werd onderbroken toen hij werd geveld door een mysterieuze ziekte. Olivetti stuurde hem naar een kliniek in de VS; zijn overlevingskansen werden niet hoog geschat.

Hij ontwierp in die periode fantastisch meubilair. Zoals de Superboxes, een reeks kasten in felgekleurd laminaat voor Poltronova, en de zogeheten Totems, een reeks pop-ceramiek. In 1970 leverde hij de spraakma-kendste bijdrage aan de groepstentoonstelling Italy : The New DomesticLandscape : een reeks mobiele, multifunctionele meubels in glasvezel. Sottsass behoorde tot de generatie die de wereld wilde veranderen. "Ik geloof", zei hij in een interview, "dat het onze plicht is als architect of designer om dingen te ontwerpen die het geluk aantrekken, kamers die de mensen beschermen. Ik ontwerp niet in een bepaalde stijl, en nog minder in een mode."

In de late jaren zestig, pas van zijn vrouw gescheiden, leefde Sottsass een seminomadisch bestaan met Eulàlia Grau, een jonge Spaanse kunstenares. Hij interesseerde zich meer voor kunst, literatuur en fotografie dan voor puur design. Hij publiceerde een aantal boeken en begon een literair tijdschrift, Planeta Fresco, in samenwerking met beatdichter Allen Ginsberg. Whipped Cream Memoirs, zijn in foto's uitgedrukte visie op de jaren zestig, reisde door Groot-Brittannië, terwijl Sottsass zelf een reeks lezingen gaf aan Britse universiteiten ; in 1968 kreeg hij een erediploma van het Royal College of Art in Londen. In 1976 toonde hij in het Cooper-Hewitt Museum in New York zijn foto's van architectuur, bergen en woestijnlandschappen. Sottsass was een zeer productieve fotograaf. Tijdens een twaalfdaagse trip naar Zuid-Amerika maakte hij welgeteld 1780 foto's - de digitale camera moest nog worden uitgevonden - en hij fotografeerde jarenlang elke hotelkamer waarin hij met een vrouw had geslapen.

Weg met het functionalisme

In de late jaren zeventig keerde Sottsass terug naar de meubelsector. Hij vormde kortstondig een collectief met Alessandro Mendini en Andrea Branzi : Studio Alchymia. In 1980 werd Mendini opzijgeschoven en begonnen Sottsass en Branzi een nieuwe groep. Ze werden geassisteerd door enkele getalenteerde, ambitieuze twintigers, onder anderen Michele De Lucchi, George Sowden, Matteo Thun en Nathalie du Pasquier. Memphis, genoemd naar een lied van Bob Dylan, had een enorme invloed. Denk design uit de jaren tachtig, en je ziet bijna automatisch felle kleuren, grijze spikkels, kolommen en driehoeken.

Hun succes luidde het einde in van het functionalistische tijdperk, van de Bauhaus-erfenis, van het tijdperk van vader Sottsass. "Toen ik jong was, hoorden we niets anders dan functionalisme, functionalisme, functionalisme. Maar dat volstaat niet. Design moet ook sensueel zijn, en opwindend." Anderzijds bleef Sottsass zijn hele leven een bewonderaar van Le Corbusier, die volgens hem het functionalisme versmeedde met iets mediterraans : "De muren van Le Corbusier zijn lichtjes sensorieel : je kunt ze aanraken, je kunt in de architectuur tussenkomen. Ze zijn niet zoals de Duitse muren van Gropius, waar je niets mee kunt aanvangen. Le Corbusier plaatste toiletten in zijn badkamers, je kon ze zien, hij begreep dat functionaliteit niet alleen ergonomie is, niet alleen rationalisme, maar iets dat verder gaat. Mens zijn, leven, dàt is functionalisme."

De vernissage van de eerste presentatie van Memphis, in Milaan, werd bijgewoond door tweeduizend mensen. Misschien niet bijzonder veel naar huidige normen - gelijk-aardige evenementen van Cappellini, enkele jaren geleden, en Established & Sons, tijdens recente designweken, kunnen nog het best worden beschreven als megafeesten -, maar destijds was het een opzienbarend hoge opkomst.

De stijl, die als postmodern werd bestempeld, kwam voor liefhebbers van Sottsass niet echt als een verrassing. De ontwerper gebruikte op dat moment al meer dan twintig jaar vrolijke kleuren, goedkope materialen en kitschmotieven. Maar de media haalden de grote koppen boven en roemden Memphis als de toekomst van design.

De groep werd opgeheven in 1988. Sott-sass was al drie jaar eerder opgestapt, om zich voornamelijk in te zetten voor Sottsass Associati, zijn eigen praktijk, die hij had opgericht in 1981. In 1985 keerde hij, voor het eerst sinds jaren, terug naar de architectuur, aanvankelijk met een winkelproject voor kledinggigant Esprit, later met een aantal privéwoningen, waaronder een legendarisch huis in Lanaken voor galeriehouder Mourmans, en een al even spectaculair paleis in Palo Alto, voor designer David Kelley. Sottsass : "Ik heb geprobeerd te begrijpen wat architectuur kan zijn. Elk onderwerp is goed, van een openbaar toilet tot een hospitaal of een wolkenkrabber. Maar niemand heeft me ooit gevraagd een wolkenkrabber te ontwerpen, precies omdat ik geïnteresseerd ben in architectuur, en niet in wolken- krabbers."

Sottsass Associati, met onder anderen James Irvine en Johanna Grawunder, was ook verantwoordelijk voor de niet bijster populaire, maar al bij al elegante luchthaven van Malpensa, buiten Milaan, en het bureau werkte in de loop der jaren onder meer voor meubelmerken maar ook voor technologische bedrijven als Apple, Philips en Siemens. Sottsass zelf heeft zich sinds de jaren negentig geconcentreerd op kleinschalige projecten : glas en ceramiek in beperkte oplage (onder meer in opdracht van het Franse huis Baccarat en de Manufacture de Sèvres), maar bijvoorbeeld ook een reeks tweeënhalve meter hoge sculpturen, bij wijze van marketingoperatie, voor het synthesemateriaal Corian. Bij Friedman Benda in New York loopt op dit moment een tentoonstelling met recente kasten in gelimiteerde oplage, allemaal ontworpen tijdens de voorbije drie jaar ; een mooi punt achter het retrospectief van Gent.

"Ik geloof", schreef Sottsass, "dat de toekomst pas begint als het verleden volledig ontmanteld is, als de logica van het verleden tot stof is gereduceerd en nostalgie alles is wat overblijft."

Ettore Sottsass, retrospectieve, met een tentoonstellingsplan van Sottsass zelf, 13 oktober tot 13 januari 2008, Design museum Gent, Jan Breydelstraat 5, van dinsdag tot zondag van 10 tot 18 uur, 09 267 99 99, www.designmuseumgent.be.

Door Jesse Brouns