De plaats van afspraak is ongewoon. Niet bij haar thuis, niet op café of op restaurant. Ze wacht mij op aan de rand van een Luxemburgs bos en brengt me naar een grot waar ze, enkele weken voor haar vertrek, vier dagen en vier nachten heeft doorgebracht. Zonder voedsel, zonder verwarming, zonder te spreken, zonder ook maar iets te doen.

"Het waren de donkere dagen voor Kerstmis en ik wilde uitzoeken wat de zin en de betekenis van mijn voettocht was", legt ze mij uit terwijl we in een flink tempo door het bos stappen. "En ik wilde ook zien wat er met een mens gebeurt als je alle franjes en uiterlijkheden verwijdert."

"En?" vraag ik nieuwsgierig. "Wat blijft er over?"

"Een nachtmerrie", zegt ze nuchter. "Het was ondraaglijk koud en ik had veel te weinig kleren bij. 's Nachts, in de slaapzak, had ik het iets warmer dan overdag, maar het bleef de hele tijd veel te koud om te slapen."

"Pure ellende dus?"

"Dát heb ik niet gezegd", antwoordt ze scherp. "Het was moeilijk en hard, maar niet negatief. Ik heb het verhaal geschreven van mijn tocht naar Jeruzalem."

"Hoezo?" vraag ik.

"Zo steekt het leven toch in elkaar", zegt ze laconiek. "Elk verhaal - van je reis, je relaties, je leven - maak je toch zelf, vaak voor er iets is gebeurd?"

De grot is een klein hol in de rotsen. In het voorste gedeelte, waar je net rechtop kan zitten, heeft Magdalena droge takken en houtblokken klaargelegd. Achteraan, onder een gewelf van nauwelijks een halve meter hoog, is voldoende slaapruimte voor enkele personen. Je kan er alleen maar liggen, of sluipen. Op je buik. Met een enorme rotsmassa boven je hoofd.

Terwijl Magdalena een vuur aanmaakt, lees ik de tekst die ze in de spelonk geschreven heeft.

"Alles gaat voorbij, maar het verlangen niet" is de titel van je grotverhaal. Welk verlangen heeft je naar Jeruzalem gedreven?

Magdalena: Als je het symbolisch beschouwt, was het een verlangen naar de kern van de dingen, een zoektocht naar het "hart van de wereld". Jeruzalem is een bijzondere plek: een smeltkroes van godsdiensten en culturen met een scherpe politieke betekenis. (lacht) En niet te vergeten, op de juiste afstand gelegen: een klein jaar stappen. Het had natuurlijk ook Madrid of Helsinki kunnen zijn. Rome niet, die stad is het centrum van de christelijke cultuur, en het was niet de bedoeling er een katholieke bedevaart van te maken.

Je schrijft: "Ik sluit de deur van mijn huis, ik stap over de drempel, en vóór mij ligt de weg. De wind en de wolken, de stenen en het zand, de zon en de regen zijn mijn huis." Is het écht zo eenvoudig?

Voor mij wel. Ik heb een jaar loopbaanonderbreking genomen, mijn huis verhuurd en ik ben vertrokken. Stappen kost mij geen enkele moeite. Als ik op weg ben, heb ik het gevoel overal thuis te zijn. Ook al slaap ik nooit op dezelfde plaats, ik ben thuis omdat ik onder de sterren lig. Ik ben thuis omdat ik op deze aarde ben, omdat ik onder de zon loop. Dat is een heel groot gevoel. Bovendien geniet ik ervan met niets anders dan met het stappen bezig te zijn. Op mijn weg hoef ik alleen maar voor wat eten en drinken te zorgen en een plek te zoeken om te slapen. Het is een eenvoudig leven.

Loslaten is de essentie van het stappen. Zoals je bij elke stap die je zet de aarde aanraakt en haar onmiddellijk weer loslaat, zo leer je ook te leven. Je ontmoet mensen op je weg maar laat hen even later weer achter. Ook op materieel vlak zijn er weinig dingen om vast te houden. Ik ben vertrokken met een rugzak van 11 kg. Na enkele maanden heb ik mijn winter- en regenkleding teruggestuurd, en nog later - in Syrië - ook de tent, zodat mijn rugzak op het einde superlicht was. Zes kilo ongeveer: een kaart, wat kleren en toiletgerief, en een paar sandalen. Dat was het. Die vereenvoudiging vind ik tegelijkertijd een grote luxe.

Op weg naar Jeruzalem ben je vijftig jaar geworden. Stelt je leeftijd stilaan geen grenzen aan zulke extreme prestaties?

(verontwaardigd) Stappen is helemaal geen prestatie, en in geen enkel opzicht te vergelijken met sportieve uitdagingen zoals het beklimmen van een achtduizender of op een slee de Zuidpool oversteken. Ik ben ook helemaal geen sportief type, heb op fysiek vlak niet meer mogelijkheden dan iemand anders en heb ook geen speciale uitrusting. Fysiek stelt stappen geen zware eisen. Iedereen kan het, daar ben ik van overtuigd.

Tijdens je tocht ben je wel 12 kg lichaamsgewicht verloren. Dat betekent toch dat het een zware inspanning was en dat je heel diep bent moeten gaan?

(met klem) Néén. Dat betekent gewoon dat ik de eerste maanden ontzettend weinig gegeten heb. In combinatie met zoveel kilometers stappen in soms barre omstandigheden verbruik je veel meer calorieën. Zo simpel is dat.

Stappen is geen kwestie van leeftijd en prestatie, maar van motivatie en graag doen. Als je een voettocht leuk vindt, hoef je alleen je rugzak te pakken en kan je zonder enig probleem naar het andere eind van de wereld. Wie geen zin heeft, krijgt al snel dat ik-kan-dat-niet-gevoel en is na drie dagen doodmoe.

Verder komt het er ook op aan nooit over je grenzen te gaan. Pas op, af en toe heb ik op dat vlak ook weleens geblunderd. In Turkije bijvoorbeeld ben ik door ondervoeding en uitputting onderuitgegaan. Ik heb een grote weerstand tegen honger, kou en vermoeidheid, maar af en toe ga ik zo sterk op in het ritme van het stappen dat ik, zonder het te beseffen, mijn grenzen overschrijd. Het stappen heeft zo'n repetitieve kracht dat het soms bedwelmt. Het ritme van mijn hart, mijn bloedsomloop en de stappen die ik zet, kunnen zo dwingend zijn dat ik het gevoel heb dat ik gestapt word.

Magdalena gaat het vuur oprakelen, en ik lees korte stukjes voor uit enkele brieven die ze tijdens haar tocht heeft geschreven. Ze luistert geamuseerd naar sommige verhalen en anekdotes. "Vreemd, dat was ik helemaal vergeten", zegt ze dan. We maken er een spelletje van. Ik lees voor en zij geeft commentaar.

Na drie weken stappen: "Mijn voeten zijn juweeltjes, en doen het nu al een hele tijd zonder pleisters. Mijn bottines moet ik wel dringend laten verzolen, en ook bovenaan beginnen ze te verslijten. Mijn knieën laten zich voelen, en verder ben ik af en toe doodmoe, en héél blij dat alles zo goed gaat."

O ja, mijn voeten! Die hebben het wonder boven wonder heel goed gedaan. Tijdens mijn vorige tochten - Nepal, Assisi, Santiago de Compostela - was dat wel anders. Toen heb ik letterlijk met bebloede voeten rondgelopen. Deze keer had ik zelfs geen blaren. Hoe dat komt, weet ik niet. Er zijn zoveel theorieën over blaren en voetverzorging, maar ik hecht er geen geloof meer aan. Ik had goede stapschoenen maar geen speciale trekkersuitrusting. Tegenwoordig rusten mensen zich met peperduur materiaal uit als ze twee weken in de Pyreneeën rondtrekken. Vroeger heb ik ook weleens sokken van 600 fr. per paar gekocht, maar tegenwoordig koop ik mijn kousen op de markt voor 25 fr. Ik geloof niet meer in al dat uitrustingsgedoe.

In Duitsland, na vier weken: "We zoeken onderdak bij pastoors en Seelsorgers. Zo kwamen we terecht bij een 70-jarige priester die heel blij was dat we bij de juiste - d.w.z. de Katholische en niet de Evangelische Kirche - hadden aangeklopt. Hij leefde samen met zijn 70-jarige nicht en we zaten elkaar er wederzijds van te overtuigen dat we géén koppel maar singles waren. Vandaag hadden we geen zin om weer een pastoor te versieren, en zijn we naar een jeugdherberg gegaan."

Ik was vertrokken met een vriend, en we waren inderdaad geen koppel. In principe stap ik nooit alleen. Ik ben daar bang voor. En zeker deze tocht - door landen als Turkije, Syrië en Libanon - kon ik als vrouw onmogelijk alleen maken. Dus vertrokken we met z'n tweeën, en gingen we aanvankelijk als bedevaarders bij pastoors aankloppen om eten en onderdak te vragen. We hadden zelfs een officiële verklaring van kardinaal Danneels waarin hij bevestigde dat wij als pelgrims op weg naar Jeruzalem waren.

Is dat niet wat hypocriet? Je noemt het zelf geen katholieke bedevaart, maar als het nodig was, kon je altijd dat papier van de kardinaal bovenhalen.

Ik was ook niet zo gelukkig met die aanpak, maar voor mijn eerste reisgenoot gold die bedevaartsgedachte wél, en bovendien zag ik de praktische voordelen van dat systeem in: onderdak en voedsel, vaak op plaatsen en in situaties waar niets anders te vinden was. Bovendien had deze tocht toch wel een spirituele bedoeling. Oké, niet als pelgrimstocht in de katholieke betekenis, maar het was ook geen avonturen-, trek- of natuurtocht. Wel een "tocht naar het hart". Uiteindelijk zijn priesters toch ook met spiritualiteit bezig? Dus dacht ik dat we voor een gesprek over dat thema misschien toch wel op de juiste plek zaten. Maar dat viel behoorlijk tegen. Zo deed het in Jeruzalem echt pijn toen we door de franciscanen aan de deur werden gezet. Eigenlijk wilde ik bij hen best thuiskomen, al beschouw ik mezelf niet als lid van de katholieke kerk.

Het pijnlijke was ook dat we voortdurend komedie moesten spelen. In het begin kregen we steevast het deksel op de neus als we vertelden dat we geen katholieken en geen echtpaar waren. Dus leerden we zwijgen, en zeiden we tegen elkaar: "We doen alsof we getrouwd zijn en samen vijf kinderen hebben." Te gek toch? Vaak dacht ik: "Als ze zouden weten wie ik echt ben, zouden ze niet zo gastvrij zijn."

De katholieke pastoors waren opvallend minder vriendelijk en spontaan dan hun evangelische collega's. Confronterend, want eigenlijk waren pastoors en wij, pelgrims, toch van dezelfde strekking? Eens zei een priester gewoon dat hij bang van ons was en de zaak niet vertrouwde. Een andere pastoor zei dat we "niet op het juiste moment" kwamen. Net als in de bijbel.

Vroegen jullie gratis onderdak?

In Duitsland was ons verblijf meestal gratis of heel goedkoop, maar vanaf Tsjechië begonnen we de priesters te betalen. Gewoon de prijs van een goedkope overnachting in die streek. We wisten dat die mensen geen behoorlijk inkomen hadden en echt hun tekort met ons deelden. De pastoors in Tsjechië en Slovakije waren anders dan de Duitse: zeer volks, meestal arm en weinig ontwikkeld, soms politieke activisten, nu eens achterdochtig, dan weer ontzettend lief.

Na twee maanden: "Onze weg is mooi, maar we hebben totaal geen zicht meer op de afstand. De kilometeraanduidingen kloppen niet, we lopen soms verloren en zullen dus nooit weten hoe ver Jeruzalem te voet is."

Mijn eerste reisgezel schatte het traject op 8000 km, anderen gokten op 10.000 km, maar dat lijkt mij overdreven. Als we goed op dreef waren, stapten we zo'n 30 km per dag. Dat is niet zoveel, maar met een rugzak wel voldoende. In de bergen, waar je niet in kilometers maar in aantal stapuren telt, haalden we dat niet, zodat 800 km per maand mij een realistische schatting lijkt. Gedurende negen maanden geeft dat 7200 km. Ongetwijfeld hebben wij meer kilometers afgelegd, want we gingen nooit langs grote wegen en namen vaak langeafstandswandelpaden die meestal in kringetjes vorderden. Maar eigenlijk heeft de afstand Leuven-Jeruzalem geen enkel belang.

Na negen weken, in Slovakije: "Voorlopig mis ik mijn thuisfront niet. Ik geniet van het alleen stappen - uren aan één stuk door. Elke dag is steeds opnieuw een opeenstapeling van onverwachte gebeurtenissen. Ik raak eraan gewend, maar het emotioneert mij allemaal niet meer zo. Ik hou de draad ook niet meer vast, weet niet meer waar ik gisteren was en met wie. Wie kan ooit het verhaal vertellen van deze dagen? Van de hoge toppen en de diepe dalen, van het ergste rotregenweer en de stralendste zon, van de grootste luxe en de schrijnendste armoe, van de corruptie en de eerlijkheid, van de relativiteit van afstand en tijd? Ik heb over deze reis geen verhalen te vertellen. Die verhalen zullen nooit geschreven worden, en nog minder mijn emoties. (...) Het is allemaal zo vanzelfsprekend. Dit is echt het leven waarvoor ik geboren ben. Ik ben gewoon gelukkig zonder speciale hoogte- en dieptepunten."

Ach ja, zo is het toch? Natuurlijk maak je ook spannende en sensationele dingen mee die je in straffe verhalen aan mensen of in boeken kan vertellen. Maar daar gaat het toch niet om? A la limite is zo'n tocht niet sensationeel. Het is echt het meest gewone dat er is, en ik wil daar geen avonturenverhalen over vertellen. Ik vergeet die gebeurtenissen trouwens. Je stapt van dag tot dag, en na verloop van enkele weken is het onmogelijk er nog een samenvatting van te geven. En ik voel mij inderdaad zo thuis in het stappen dat ik niemand mis. Dat heeft te maken met: doen wat je te doen hebt en rust vinden op de plek waar je bent.

Er zijn veel verschillende manieren van stappen. Voor mij is het meestal: alles loslaten, met niets meer bezig hoeven te zijn, geen emotionele toestanden in mijn hoofd. Met z'n tweeën stappen heeft praktische voordelen, maar belet mij niet om te genieten van het alleenzijn en het alleen stappen.

Op een kaartje aan je kleindochter vind ik wel een straf verhaal: "We lopen nu door de Mala Fatra in Slovakije en we hebben dus zo'n 1500 km afgelegd. Het is hier ongelooflijk mooi en wild. Op een nacht sliepen we in de tent en twee Duitsers die bij ons waren, hebben toen een beer gezien van twee meter hoog. En de hele dag hadden we al berensporen gezien. Echt waar! We hebben ons eten in een grote, reukvrije zak aan een boom gehangen en de hele nacht het vuur aangehouden."

(met een glimlach) Voor mijn kleindochter maak ik graag een uitzondering en vertel ik weleens een verhaal.

Na drie maanden stappen, in Hongarije, besloot je reisgezel plots zijn tocht stop te zetten en terug te keren naar huis. Dat kwam hard aan: "Ik ben geschokt, niet zozeer door zijn beslissing, maar door de kwetsbaarheid van mijn situatie, mijn afhankelijkheid en de mogelijke consequenties daarvan. Tegelijkertijd behoud ik mijn rotsvast vertrouwen in dit project en is het voor mij uitgesloten dat het op deze manier zal eindigen. Voor mij gaat deze tocht in elk geval verder, ook al zou de vorm weleens grondig kunnen veranderen. Tot Istanbul zie ik het alleen nog wel zitten, maar vanaf dat punt zoek ik een man die kan kaartlezen én graag stapt én bereid is het hele eind naar Jeruzalem mee te lopen."

Schokkend was vooral het feit dat ik niet had verwacht dat hij zou opgeven: " Ik heb mij misrekend, ik heb op mijn intuïtie vertrouwd en ik kom bedrogen uit." Want daar stond ik dan, goed wetend dat het vanaf Turkije onmogelijk zou zijn om als vrouw alleen verder te stappen. Ik werd heen en weer geslingerd tussen de hoop op een oplossing en de schrik dat er geen zou zijn. Ik vroeg mijn vrienden in Vlaanderen een advertentie in de kranten te plaatsen. Een zoekertje: "Geschikte stapgenoot gezocht." Het was een gok, maar ik had geen keuze. Intussen was het begin juli, Roemenië en Bulgarije stonden op het programma, en mijn vrienden en vriendinnen maakten van de zomervakantie gebruik om korte of langere tijd met mij mee te stappen.

In juli stap je met een vriendin. Vanuit Bulgarije schrijf je: "Ik zou een boel sensationele verhalen kunnen vertellen. Over hoe we 's ochtends om vijf uur door een 78-jarige Bulgaarse vrouw de deur werden uitgeschreeuwd nadat we de nacht hadden doorgebracht in het gezelschap van haar 47-jarige zoon Vesselin, en hoe die man er als een schaap bijstond. Over hoe arm en vervallen en onwetend dit land is. Over hoe we vaak geen eten vonden. Over hoe we in een verboden grenszone terechtkwamen, hoe we daar behandeld en afgesnauwd werden en hoe wonderbaarlijk we gered werden. Over hoe ontroerend mooi kinderen kunnen spelen met niks. Over hoe een streek eruitziet na een aardbeving. Maar de kans wordt steeds groter dat deze dingen nooit verteld zullen worden omdat ik ze vlug vergeet, én omdat ze afbreuk doen aan de veel belangrijker en minder sensationele kant van de zaak: dat dit leventje werkelijk het meest gewone en alledaagse is dat er bestaat."

Ik was blij en opgelucht dat we eindelijk de priesters achter ons konden laten. We hadden een tentje bij, maar sliepen in de dorpen ook weleens bij de mensen thuis. Op een avond donderde en bliksemde het en klopten we aan bij een oude man en vrouw die ons eerst niet wilden binnenlaten. Uiteindelijk overwon die vrouw haar argwaan en gaf ze ons een afschuwelijk kamertje, heel vies, echt een bouwwerf. Maar we hebben haar drie keer de prijs van een hotelkamer betaald, uit tevredenheid en respect omdat ze haar argwaan had overwonnen.

Er volgden steeds meer en steeds nieuwe meestappers, en het werd een vreselijk vermoeiende periode. Ik deed zo hard mijn best om mij aan alles en iedereen aan te passen dat ik er volledig in verzoop. En de meest pijnlijke confrontatie was dat zoveel mensen wel een eindje met mij op weg wilden, maar dat niemand in staat bleek de hele tocht tot het einde mee te gaan.

Maar toen je Turkije naderde, verscheen de reddende engel. Hij kwam af op het zoekertje in de krant: "Ik ken hem niet, maar hij is heel enthousiast wat 'onze' tocht betreft. Hij komt op 28 augustus. Dan ga ik op stap met een wildvreemde man, ook een avontuur... Ik heb aan het thuisfront laten weten dat ik liever geen andere meestappers meer heb. Ik ben aan rust toe op precies dezelfde manier als ik dat thuis soms ben: moe van de mensen, veel meer dan van het stappen."

Met de komst van die onbekende reisgezel wist ik duidelijk: "Nu is het erop of eronder. Ofwel gaan we samen het hele eind tot Jeruzalem, ofwel is het gedaan."

Toen ik hem zag, kreeg ik meteen goede hoop. Ik vond het wel jammer en confronterend dat we na die pastoorskomedie opnieuw hetzelfde spelletje moesten spelen. "Zijn jullie wel getrouwd?" was altijd de eerste en de laatste vraag die men ons stelde. Zelfs om een fles water te kunnen kopen, moesten we op die vraag bevestigend antwoorden. Blijkbaar moet je overal compromissen sluiten.

In Turkije waren de mensen heel gastvrij, al wisten we niet of het gemeend was of louter omdat de koran dat voorschrijft. Ze gaven vaak meer dan ze konden missen, maar weigerden iets van ons aan te nemen. Dat vond ik best moeilijk, want uiteindelijk voel je wel dat ze iets terug verwachten. Eerst gaf ik een zakmes of een balpen aan een kind, maar na een tijdje vond ik een betere oplossing. In Turkije is de oudste dochter vaak het slaafje. Ze staat voor dag en dauw op, doet al het werk, bedient en eet niet mee aan tafel. "Aan haar moeten we iets geven", besefte ik. En inderdaad, een bijdrage voor een juweeltje of oorringen namen ze wel aan.

Hoe groter de afstand, hoe minder berichten en verhalen. Op een bepaald moment, ergens in Turkije, ben je zelfs gestopt met schrijven. Hoe komt dat?

Je gaat steeds verder weg. De afstand wordt niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk groter. Ik wilde na die slopende vakantiemaanden echt alles loslaten. Natuurlijk blijf je wel enkele mensen in je hart dragen. Mensen aan wie je denkt of voor wie je iets voelt. Al zijn dat vaak andere mensen dan je vooraf zou bedenken.

Ook de cultuur werd hoe langer hoe vreemder. In Turkije sliepen we elke nacht bij mensen thuis. Elke dag opnieuw kwam het hele dorp naar ons kijken en vertelden we - heel gebrekkig - ons verhaal, de leugens incluis. In het begin vond ik dat scenario wel leuk, maar na een tijdje werd ik het beu en snakte ik naar wat tijd voor mezelf. Maar kom, we werden ontzettend vriendelijk ontvangen en we hebben ons nooit onveilig gevoeld.

Op de grens tussen Turkije en Syrië werd het nochtans eventjes spannend.

We wilden via een kleine grensovergang naar Syrië stappen. De plaatselijke bevolking had ons die route afgeraden, maar we legden die waarschuwingen naast ons neer. De mensen zijn daar zo bang en opgejaagd en hadden ons al zoveel nodeloze schrik aangejaagd. We dreven onze zin door. Plots kwam er een legerauto op ons af met achteraan twee rijen Turkse soldaten, de geweren in aanslag. Ze omsingelden ons, hun wapens naar buiten gericht in de stellige overtuiging dat onze aanwezigheid in dat gebied een afleidingsmanoeuvre van de Koerden was. Uiteindelijk pakten ze ons op en brachten ze ons voor verhoor bij hogere officieren.

We bleven de hele tijd rustig, vriendelijk en beleefd, en antwoordden zo waarheidsgetrouw mogelijk op hun vragen. Omdat Israël vijandig gebied is, vertelden we hen dat we naar de hoofdstad van Jordanië gingen. Hoe ongeloofwaardig en naïef ons verhaal ook klonk in de oren van die militairen - stel je voor, twee mensen die te voet van België naar Amman gaan - we hielden onze verklaringen vol. Op dat moment beseften we scherp dat alles van ons eigen gedrag afhing. Als wij ons anders hadden gedragen - ongeduldig, bang of brutaal - zou dat incident niet met een sisser zijn afgelopen. Wat je op zo'n moment uitstraalt, krijg je gewoon terug. Uiteindelijk klopten onze verhalen en hebben ze ons laten gaan. Waarschijnlijk zagen we er ook voldoende onnozel uit.

Volgens de oorspronkelijke planning zouden jullie via Syrië, Libanon en opnieuw Syrië naar Jeruzalem gaan.

Ja, maar omdat ik intussen mijn buik vol had van het gebergte, besloten we het bergachtige Libanon te vermijden en Syrië van boven naar beneden te doorkruisen, langs de rand van de woestijn. We raakten in een vreemde sfeer. We liepen de hele tijd door het stof, van het ene dorpje naar het andere. Steenwoestijn, zandwoestijn, lavawoestijn. Geen lange rechte weg, alleen maar zand, heel droog en warm. We waren allebei nonchalant, zorgeloos en onwetend, en bleken bijzonder goed tegen de hitte bestand. We huldigden maar één principe: zorgen dat we altijd voldoende water hadden. Ik herinner me dat we met vijf liter water tien kilometer konden overbruggen. Zonder water verdamp je in die verzengende warmte.

Verder bekommerden we ons nergens om. Eten en slapen, alles kwam gewoon uit de lucht vallen als we het nodig hadden. En altijd dook er wel iemand op die ons de juiste weg kon wijzen. In een lichte, zorgeloze sfeer vlogen we vooruit en kwamen we, met een enorme voorsprong op ons schema, rechtstreeks in Jordanië uit. Vandaar was het nog slechts een boogscheut naar Jeruzalem.

Uiteindelijk ben je maar één week in Jeruzalem gebleven. Waarom zo kort?

Het is natuurlijk een cliché om te zeggen dat het niet de bestemming maar de weg is die telt. En toch is het zo. De aankomst was echt niet belangrijk. Bij wijze van spreken had ik ook enkele kilometers voor het einddoel de tocht kunnen afsluiten.

Toevallig kwamen we eerst in de Palestijnse wijk terecht, waar we goed ontvangen werden. In de katholieke wijk was dat wel anders. Daar hadden ze het alleen over de prijs van de kamer die vijf keer duurder was dan bij de Palestijnen. We hadden een kamertje aan de Damascuspoort en keken uit op een kruispunt. Aan de ene kant stonden soldaten die met rubberkogels naar enkele Palestijnse jongeren schoten. Tussen de twee partijen liepen moeders met hun kinderen de straat over, terwijl de kogels en de stenen rond hun hoofd vlogen. Dat was voor mij het meest schokkende beeld van Jeruzalem: moeders die zelfs niet meer de moeite doen om hun kinderen te beschermen. Hoe murw moet een moederdier zijn als ze haar jongen niet meer beschermt?

En ondertussen stond er een minibusje aan de kant, en terwijl de kogels en de stenen door de lucht suisden, riep de buschauffeur: "Tel Aviv! Tel Aviv!" alsof er niets aan de hand was. Het busje liep vol en vertrok, en niemand leek zich iets aan te trekken van dat gevecht waarbij uiteindelijk twee doden vielen. Ik wist zelfs niet dat je met rubberkogels iemand kan doden.

Je tocht ging naar "het hart van de wereld", maar je kwam in een oorlog terecht.

Dat was inderdaad even slikken. Kort na dat gevecht zag ik in een winkeletalage een boek over Jeruzalem met de titel: Een gat in het hart van de wereld. Toen dacht ik: "Dat klopt. Er is inderdaad een gat in het hart van de wereld. Hier is iets onherstelbaars gebeurd, hier is een probleem dat nooit meer opgelost kan worden." En voor mezelf kwam ik tot dezelfde conclusie. Ook in mijn hart is er een gat. Een heimwee en een verlangen dat altijd zal blijven bestaan.

Alles gaat voorbij, maar het verlangen niet." Ik lees opnieuw de tekst die Magdalena in de grot geschreven heeft.

"Och, deze tocht is niets. Een lege cirkel in het zand, een spiegel van mijn verlangen. Deze tocht is niets. Een nutteloze beweging rond het middelpunt dat ik zelf ben, een uitvergroting van lege lucht. En toch zal ik gaan.

Deze tocht is alles. Want er is geen leven erbuiten. De gelukkige waarheid is dat ik geen keuze heb. Ik kan alleen maar gaan. Als nooit tevoren weet ik dat ik moet gaan. Er is geen weg terug. De enige manier om terug te komen is weg te gaan."

Annemie Struyf / Foto's Lieve Blancquaert