We zitten in het café met de naam die mij tegelijk aan rollende inhouden van scheepsruimen doet denken en aan inboorlingen van Moea Papoea, zo'n knook door hun kroeshaar gevlochten, als in de stripverhalen van Nero. De Hotsy Totsy heet het hier en het parkeerplein hiertegenover doodgewoon Poel, maar zoals vaker fladdert mijn verbeelding hoger dan de leeuwerik. Ik zou niet weten hoe een leeuwerik eruitziet, mocht ik er toevallig een tegenkomen, bijvoorbeeld bij valavond, gehuld in een oversized camouflagepak, zoals Johny Rotten op de Lokerse Feesten. "God save the Queen", zou die leeuwerik misschien zeggen, of iets helemaal anders, woorden van voldragen wijsheid wellicht, want áls een vogel je al eens aanspreekt, dan mag je ervan uitgaan dat het voor iets bijzonders zal zijn, en niet om je pakweg de ...

We zitten in het café met de naam die mij tegelijk aan rollende inhouden van scheepsruimen doet denken en aan inboorlingen van Moea Papoea, zo'n knook door hun kroeshaar gevlochten, als in de stripverhalen van Nero. De Hotsy Totsy heet het hier en het parkeerplein hiertegenover doodgewoon Poel, maar zoals vaker fladdert mijn verbeelding hoger dan de leeuwerik. Ik zou niet weten hoe een leeuwerik eruitziet, mocht ik er toevallig een tegenkomen, bijvoorbeeld bij valavond, gehuld in een oversized camouflagepak, zoals Johny Rotten op de Lokerse Feesten. "God save the Queen", zou die leeuwerik misschien zeggen, of iets helemaal anders, woorden van voldragen wijsheid wellicht, want áls een vogel je al eens aanspreekt, dan mag je ervan uitgaan dat het voor iets bijzonders zal zijn, en niet om je pakweg de weg te vragen naar de koelafdeling van de plaatselijke Colruyt, alwaar hij blinde vinken wil kopen, blindelings, zonder te durven kijken, omdat hij denkt dat het échte vinken zijn, vogels zonder kop zoals ze in sommige streken worden genoemd, iets wat elk kind walgelijk vindt. Maar goed, we zitten in de Hotsy Totsy. Aan de tapkast hangt slordig wat volk en aan de tafeltjes zijn mensen gezelschapsspellen aan het spelen, iets waarvan ik nog altijd niet zeker weet of ik dat gezellig vind. Er zijn van die dingen in het leven die je wel nooit zeker zal weten, tot je in de geriatrische afdeling aan je bed vastgebonden bent en er een streep zonlicht door de ziekenhuisramen valt en je opeens heel helder beseft : verhip, nu heb ik toch wel zin om Stratego te spelen. Maar dan is het te laat natuurlijk, want er is niemand meer om tegen te spelen, en je luier is vol, en je beschikt niet meer over de nodige geestesvermogens om te weten dat je de spion achter de generaal moet posteren voor als de maarschalk aanvalt, zodat je de maarschalk geniepig kunt pakken, zoals er wel meer geniepig gepakt wordt in het leven. Maar we zitten in de Hotsy Totsy. Boven ons tafeltje hangt de foto van een man. Hij ziet er vriendelijk uit en week en ook een beetje sluw, alsof hij nooit het achterste van zijn tong zal laten zien. De man is Al Capone en voor het eerst sta ik erbij stil wat voor iets raars dat is, figuren die iedereen wereldwijd kent. Iconen van de mensheid, die vaak niet uitblonken in menselijkheid. Dat deze Al Capone erin geslaagd is door gepruts met drank en vrouwen en geratel van machinegeweren, tachtig jaar geleden, helemaal vanuit Chicago tot boven mijn cafétafel te zweven : dat is een rare vaststelling. Al een beetje beneveld, voel ik fascinatie voor dit soort wereldroem. Hoe schaars de mensen die ze bereiken. Wat zou ik kunnen doen om in pakweg 2090 boven een cafétafel in Chicago, Sydney of Kortrijk te hangen ? Pogingen daartoe zijn bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Ik ben al in de helft van mijn leven en nooit zal ik de onvergankelijkheid genieten van figuren als Gandhi, Einstein, Hitler, Presley of Marilyn Monroe. Zelfs al deed ik het slechtste of het extreemste wat ik kon verzinnen, het zou nog niet de afdruk van een teennagel nalaten in het collectieve geheugen van de mens. Gedoemd te worden vergeten, en snel. Aanvaard ik mijn statuut van stof in de wind doorgaans gemakkelijk, dan heb ik het er op dit moment lastig mee. Hoe ik ook mijn best doe, wat ik ook raas, zo goed als spoorloos zal ik verdwijnen, dat staat nu onderhand wel vast. Niets van de uitzonderlijkheid waarvan ik als kind droomde, zal worden bereikt. Dat geldt natuurlijk voor de meesten van ons. Wij zijn als pluisjes van de paardenbloem, die achteloos worden weggeblazen om enkele ogenblikken door de lucht te zeilen, en waar vervolgens niets meer van wordt vernomen. Geen mens zelfs die weet of er een nieuwe paardenbloem uit is gegroeid. Enkele ogenblikken lang, zo tussen het tweede en het derde glas van probably the best beer in the world, drukt deze onbeduidendheid op mijn schouders. Maar dan is er gelukkig Daisy Van Cauwenbergh en nog wat andere welkome onderwerpen, waarover wij kunnen praten zonder te moeten verwijlen bij de vergankelijkheid waar wij meestal niet veel last van ondervinden - tevreden met de tamheid van de uren die ons toegemeten zijn. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders