Het is 's ochtends niet nevelig, maar er hangt een unieke klamheid in de lucht, die schitterende glinstering van het Afrikaanse tropische woud. We rijden op een brede piste door rode aarde. Langs de weg lopen in beide richtingen groepjes mensen, zowel mannen als vrouwen en kinderen. Moeders, met een schaal maniok op het hoofd, zetten er flink de pas in. De kleinsten lopen spelend voort, duwen met een stok tegen een fietswiel.
...

Het is 's ochtends niet nevelig, maar er hangt een unieke klamheid in de lucht, die schitterende glinstering van het Afrikaanse tropische woud. We rijden op een brede piste door rode aarde. Langs de weg lopen in beide richtingen groepjes mensen, zowel mannen als vrouwen en kinderen. Moeders, met een schaal maniok op het hoofd, zetten er flink de pas in. De kleinsten lopen spelend voort, duwen met een stok tegen een fietswiel. Het doel van de kleine volksverhuizing bevindt zich in het lager gelegen centrum van het dorpje Gamboula in de Centraal-Afrikaanse Republiek, een kruispunt van wegen waar goederen worden verhandeld en geruild. Af en toe neemt het geraas toe. Dan weet iedereen dat er een vrachtwagen in aantocht is. Even later dendert die, geladen met drie of vier reusachtige boomstammen, met duizelingwekkende snelheid voorbij. Die vrachtwagens komen uit het hartje van Afrika. Ze rijden honderden kilometers door de Centraal-Afrikaanse Republiek en Kameroen tot ze aankomen in de haven van Douala. Elke boomstam levert het bewijs dat men het woud achteloos laat teloorgaan, zonder respect voor de natuur, de aarde, de mensen. Richard Meerapfel zit al vroeg aan de ontbijttafel bij Etienne Yandji. Hij is gisteren uit Douala gekomen aan boord van een Beech 1900 D, een gehuurd vliegtuigje waarmee hij kan landen op het vliegveld van Gamboula, een grote open plek in aangestampte aarde. Enkele maanden later. Op een decembermiddag staat een kleurig ontvangstcomité klaar. Niet ter ere van Richard Meerapfel, maar wel om de terugkeer te vieren van Anne-Marie, de echtgenote van Etienne, die naar de stad was gegaan om weer gezond te worden. Enkele dansers pronken met een T-shirt van de Cetac, herkenbaar aan het logo in de vorm van tabaksbladeren. De Compagnie d'Exploitation des Tabacs Centrafricains werkt aan beide zijden van de grens, in die gemeenschappelijke zone die men Kadey noemt, naar een van de bijrivieren van de Congostroom. Met zo'n tienduizend plantersgezinnen en enkele duizenden loonarbeiders is de Cetac er in vijf of zes jaar in geslaagd een waanzinnige droom waar te maken, namelijk een van de allerbeste dekbladeren voor sigaren te produceren. De originaliteit en de uiteindelijke kwaliteit van de smaak wordt bepaald door de bodemstructuur van al die kleine perceeltjes, aangelegd in het bos, zoals dat ook met de traditionele voedingsgewassen gebeurt, op terreinen die al ontbost zijn en een ideale natuurlijke meststof leveren. Jammer dat Richard Meerapfel niet meer van dit succes kan genieten. Zijn glimlach, gehuld in de rook van zijn favoriete Don Carlos, is voorgoed verdwenen op 28 november 2003 in een straat van Miami. Hartstilstand. Hij was pas 52. "Deze datum zou vermeld moeten worden in de geschiedenis van de sigaar", schreef de beroemde Amerikaanse journalist van Wine Spectator, James Suckling, in zijn huldebetoon. Richard Meerapfel werd beschouwd als een van de grootste, de bekwaamste en de universeelste in zijn vak. Hij verbaasde meer dan één waarnemer uit de sector toen hij halfweg de jaren negentig de beslissing nam om zich in dit Afrikaanse avontuur te wagen. Het waren uiteraard de vroegere Franse kolonisten die de tabaksteelt in Kameroen en in de Centraal-Afrikaanse Republiek hadden ontwikkeld. Maar zij hebben na verloop van tijd hun koffers moeten pakken. Voor Richard Meerapfel was het niet voldoende de oude culturen nieuw leven in te blazen. Hij ging nog een andere uitdaging aan, namelijk uitzonderlijke tabakssoorten produceren met grote, mooie bladeren : dekbladeren voor de beroemdste sigaren ter wereld. Afrika was voor hem geen terra incognita. Hij was er al eens neergestreken toen hij nauwelijks negentien was. Hij woonde toen een tijdlang in zijn eentje in het oerwoud, op kilometers van de bewoonde wereld. Sliep met een geweer naast zich, hij, een pacifist in hart en nieren. Tijdens dat jaar op de plantages legde de jongeman de basis voor zijn terrein- en vakkennis. Hij leerde alles over de tabaksteelt in bosrijk gebied en hij smeedde hechte vriendschappen met inlandse specialisten. Een paar jaar na zijn eerste Afrikaanse avontuur stak hij de Atlantische Oceaan over naar Florida. Met zijn echtgenote en twee zonen vestigde hij zich in Boca Raton. Maar elke maand vloog hij voor drie weken naar Cuba. Het eiland van Fidel Castro, de familie Meerapfel kent het maar al te goed. Enkele dagen na de val van Batista in 1959, stond Heller, de vader van Richard, al in Havana om te onderhandelen over de uitvoeroverschotten van tabak. Ze zijn de trots van het familiealbum, twee foto's waarop hij een koop ondertekent met de toenmalige minister van nijverheid, Che Guevara. Meer dan een jaar woonde Richard Meerapfel in het Rio Hondo, het enige motel van Pinar del Rio. Zijn dagen bracht hij door met Arami Valdes, dé señor van de Cubaanse tabak in die tijd. Samen doorkruisten ze het eiland. Richard leerde er alles : de grond, het gisten van de bladeren, de manier om een sigaar te vervaardigen. Elke middag werd er vergaderd in zijn hotelkamer, een favoriete plek, want met zijn dollars kon hij alcohol kopen. Dikke rookwolken vulden het vertrek en alle aanwezigen hadden iets te zeggen of brachten iets mee om te laten proeven. Richard had veel dromen. Een daarvan was de Cubaanse sigaar haar vroegere luister teruggeven, want verscheidene mislukte oogsten en het gebruik van nieuwe hybride zaden hadden haar reputatie geen goed gedaan. Enkele grote families van de Cubaanse diaspora koesteren diezelfde droom. Planter en boer Arturo Fuente bijvoorbeeld, toen hij zich destijds met zijn gezin in Florida vestigde. Vandaag zit zijn kleinzoon Carlos Junior in de plantage in de Dominicaanse Republiek aan tafel met de acteur Andy Garcia, nog een balling van het regime van Castro. Garcia zoekt een locatie voor een film die hij wil draaien. Hij is niet weinig trots dat hij de ideale plek heeft gevonden voor de slotscène. Die speelt zich af onder het bosje palmbomen, hét beeld van de Fuente-plantage. Andy Garcia ziet de scène al voor zijn ogen : "De oude oom ziet zijn neef komen aanrijden in een jeep van de revolutie. Hij weet nog niet dat de neef gekomen is om de familiegronden te nationaliseren." In deze plantage van shaded tobacco kweekt Carlos Junior prachtige tabaksbladeren, waarmee hij in Santiago de beroemde Opus X fabriceert, de meest gerenommeerde sigaar van de jaren negentig, volledig samengesteld uit Dominicaanse tabak. "Mijn vader ( Carlos Senior) rookt Don Carlos, een sigaar die hij halverwege de jaren tachtig samen met Richard Meerapfel heeft bedacht. Ze stelden de tabaksmelange voor het binnengoed samen en voor het omblad en het dekblad gebruikten ze Afrikaanse tabak. Richard leverde toen die tabak en ik herinner me dat we bijvoorbeeld bijna de totale Kameroense productie van 1984 hebben gekocht. Een uitstekend jaar, we hebben er trouwens nog enkele balen van in voorraad." De fabriek van Fuente, die zowat twintig jaar geleden begonnen is met enkele sigarenrollers, telt vandaag bijna drieduizend werknemers. Perfectionist Carlos Junior controleert zelf alle kwaliteitsaspecten, inbegrepen het fabriceren van de dozen waarin per jaar dertig miljoen handgerolde sigaren worden verpakt. De fabriekszalen lijken allemaal op elkaar en worden opgevrolijkt met lokale muziek. De verschillen zitten in kleine details. De beste rollers worden door de ploegbazen in de watjes gelegd en beschikken over meer werkruimte. Ze herhalen voortdurend dezelfde bewegingen : de bladeren voor het binnengoed uitkiezen, ze afzonderlijk rollen en samenvoegen. De toekomstige sigaren worden in een vorm gestoken en daarna om het kwartier een kwartslag om hun as gedraaid. Na een uur komt de eindfase : het rollen van het dekblad. Alle sigaren die op deze manier worden vervaardigd, worden dan gecontroleerd en gesorteerd per kleur en gaan daarna naar de rijpingskamers, ruimten die helemaal opgetrokken zijn in cederhout. De beste sigaren, zoals Opus X en Don Carlos, blijven daar tot een jaar rijpen vooraleer ze op de markt komen. Carlos Fuente : "Wij schatten dat het hele wordingsproces, van zaad tot sigaar, zowat 350 verschillende handelingen vereist. En even vaak een vakkundige hand."Over het eindproduct wil hij nog het volgende kwijt : "Nooit eerder haalde het Afrikaanse dekblad zo'n hoge kwaliteit. Tegenwoordig zijn de bladeren groter en mooier. Hun korrel is fijn : ze bevatten magnesium, dat verklaart de lichtjes zoete smaak bij het roken. Wanneer je zo'n blad tussen je handen uitrekt, dan zie je hoe mooi het glanst. Dat is te danken aan essentiële oliën." nTekst en foto's Jean-Pierre Gabriel