Driekwart eeuw geleden zetten Svend Olufsen en Peter Bang in een schuurtje bij een landgoed in Quistrup (ten zuiden van het stadje Struer aan de kust van Limfjord) een ongewoon zaakje op. Svend was de zoon van de landheer, zijn maat Peter, die uit Kopenhagen kwam, een student aan de technische universiteit van Aarhus. Peter Bang was net terug van een reis door de Verenigde Staten, nog een beetje dolgedraaid door de confrontatie met het werk van radiopioniers. Op 17 november 1925 namen de twee een hele muur van de boederij in beslag om er tussen koperdraden en hoofdtelefoons hun eerste experimenten op poten te zetten. Experimenten om een radio op het elektriciteitsnet in plaats van op batterijen te laten lopen. Het eerste exemplaar dat ze konden slijten deed het prima. Maar de klant moest wel een opleidingsperiode van drie maanden doorlopen om zijn aankoop te kunnen bedienen, en dat was niet echt een commercieel geslaagd uitgangspunt.
...

Driekwart eeuw geleden zetten Svend Olufsen en Peter Bang in een schuurtje bij een landgoed in Quistrup (ten zuiden van het stadje Struer aan de kust van Limfjord) een ongewoon zaakje op. Svend was de zoon van de landheer, zijn maat Peter, die uit Kopenhagen kwam, een student aan de technische universiteit van Aarhus. Peter Bang was net terug van een reis door de Verenigde Staten, nog een beetje dolgedraaid door de confrontatie met het werk van radiopioniers. Op 17 november 1925 namen de twee een hele muur van de boederij in beslag om er tussen koperdraden en hoofdtelefoons hun eerste experimenten op poten te zetten. Experimenten om een radio op het elektriciteitsnet in plaats van op batterijen te laten lopen. Het eerste exemplaar dat ze konden slijten deed het prima. Maar de klant moest wel een opleidingsperiode van drie maanden doorlopen om zijn aankoop te kunnen bedienen, en dat was niet echt een commercieel geslaagd uitgangspunt. Eigenlijk hadden Svend en Peter één grote fout gemaakt: hun vinding kwam te vroeg. Toch liet het idee hen niet los, en het jaar nadien ontwierpen ze de Eliminator, een apparaat dat met een radio op batterijen kon worden verbonden en vervolgens aan het net gekoppeld. Dat werd zo'n succes dat de ambitieuze Denen een paar maanden later een heus bedrijf opstartten dat Bang & Olufsen werd gedoopt en vrijwel meteen dertig man in dienst nam. In de zomer van 1927 bouwden ze een eerste constructiewerkplaats. De twee techneuten bleven geboeid door de radio-zonder-batterij, maar besteedden ook steeds meer aandacht aan de vormgeving. De Vijflampenradio die ze in 1929 op de markt brachten was niet alleen een technische innovatie, hij was ook esthetisch opvallend. De pers beschreef hem als een extreme uiting van functioneel design, en die omschrijving zou de rest van de eeuw door de Denen eer worden aangedaan. De geschiedenis van B&O zou er een worden van technische vernieuwingen en uitgekiend design. Een vroeg hoogtepunt was de Beolit 39-radio, die één jaar voor de Tweede Wereldoorlog werd gelanceerd. De behuizing van bakeliet liet ronde vormen toe. Al in de negentiende eeuw had Valdemar Poulsen de technologie voor de taperecorder ontworpen, maar zijn telegraphon raakte in de vergetelheid omdat het niet mogelijk was om de signalen elektrisch te versterken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de Amerikanen een soortgelijke technologie die de basis vormde voor de 84U, de eerste taperecorder van B&O, die in 1948 werd gemonteerd. Twee jaar later baarde het bedrijf weer opzien met de lancering van zijn eerste televisie, twaalf jaar later gevolgd door de Horisont, het eerste draagbare televisietoestel. Al moet de term "draagbaar" met een korrel zout worden genomen: de Horisont zag eruit als een valies, met een 19 inch-scherm en een gewicht van twintig kilogram. De internationale doorbraak kwam er in de jaren '60, toen de Beomaster 9000 op de markt kwam, de eerste ontvanger-versterker met transistoren en een design die de traditionele radio van het toneel veegde. Dankzij de transistortechnologie, die weinig warmte genereerde en klein uitviel, konden de ontwerpers komaf maken met de meubels waarin de apparatuur tot dan toe opgeborgen zat. Voortaan zouden de producten van B&O op zichzelf staan, opvallend door hun functionaliteit en hun design. Niet toevallig besloot het New Yorkse Museum of Modern Art in die tijd om zeven toestellen op te nemen in de permanente collectie. Een aantal dat inmiddels tot zestien is uitgebreid. Het hoogtepunt in de waardering van het B&O-design kwam in 1978, toen het Moma een speciale tentoonstelling van 39 B&O-apparaten opzette, een eer die voordien slechts drie firma's te beurt was gevallen: Thonet, Olivetti en Braun. D avid Lewis is B&O's chief designer, verantwoordelijk voor het gros van de producten die de faam van het merk hielpen uitbouwen. Al in de jaren '60 werkte hij onder de vleugels van Jacob Jensen en Henning Moldenhawer. Tien jaar later zette hij zijn eigen bedrijf op, maar hij bleef B&O trouw. Tegenwoordig werkt hij zowel voor hen als voor een aantal andere Deense bedrijven, en iedere vrijdag leidt hij de gesprekken in Idealand, B&O's denktank voor design in Struer (vijf uur rijden van Kopenhagen). Lewis neemt nooit het vliegtuig naar Struer maar verkiest om het traject met zijn Alfa Romeo af te leggen. Zo heeft hij onderweg ruimschoots de tijd om weg te dromen en nieuwe ideeën de vrije loop te laten. Om ze later, omdat zijn creaties nu eenmaal driedimensioneel zijn, in kartonnen studies om te zetten. Lewis heeft welomlijnde ideeën over de aanpak van design. Hij zweert bij de noden en de vragen van de consument, die absoluut centraal moeten staan. "Samengevat zou je kunnen zeggen dat ik door B&O betaald word om aan de kant van de klanten te staan en hun dromen en verlangens te interpreteren, en hun interesse te wekken voor wat wij produceren. En het uitzonderlijke van mijn situatie is dat B&O die werkwijze volledig respecteert. Overigens ben ik nog een freelancer ook. Dat ervaar ik als erg positief, omdat het me toelaat in de wereld rond te wandelen in plaats van me te beperken tot het bedrijf zelf. Op die manier blijf ik een stem van buitenaf, én een vertegenwoordiger van de buitenwereld." In het verlengde van de filosofie dat design en techniek ten dienste moeten staan van de gebruiker en niet andersom, buigt Lewis zich bijvoorbeeld al jaren over de rol van het scherm van een tv die niet aanstaat. "Een werkloze tv is een monstrueus lelijk meubel, dat geen enkele functie bezit en daardoor eigenlijk gewoon in de weg staat. Het is tot een eenogig aquarium verworden dat op een indiscrete manier rondloert in de leefplek van de kijkers. Als de televisie aanstaat, kijken de mensen naar de kwaliteit van het programma, als hij afstaat zou hij het best gewoon verdwijnen, in de muren, in het plafond of in de vloer. Een ware uitdaging, omdat een tv toch zowat de voornaamste bron van vertier is voor velen en omdat men steeds grotere schermen wil. In afwachting van dat verdwijnen, proberen we onze toestellen een vorm te geven die niet agressief is, neutraal, en toch op een onopvallende manier herkenbaar."Een aantal van Lewis' nieuwe creaties zijn uit persoonlijke irritatie en frustratie ontstaan. Als Brit keek hij elke zaterdag naar het Engelse voetbalkampioenschap, en hij werd daarbij jarenlang gehinderd door de reflecties op het televisiescherm. Die frustratie - als de televisie aanstaat, zegt hij, is alleen de beeldkwaliteit primordiaal - leidde tot de uitvinding van een antireflectiescherm, dat uitgegroeid is tot een van de vaste waarden van B&O-televisies. Net zoals de cd-spelers met glazen deurtjes die vanzelf openschuiven als je ze nadert, zodat er nooit vette vingers op het glas komen.Lewis is er zich ook zeer van bewust dat de gebruiker tegenwoordig ten prooi valt aan de talrijke nieuwe functies die fabrikanten in hun producten inbouwen zonder dat iemand erom vraagt en zonder dat iemand er behoefte aan heeft of ze ook maar gebruikt. Terwijl de bediening er alleen maar een stuk ingewikkelder door wordt en het gebruik onvriendelijker. "Mensen raken gefrustreerd door de ingewikkelde bediening, terwijl van technologie juist verwacht mag worden dat ze het leven van de gebruikers aangenamer maakt. Daar komt nog bij dat fabrikanten veel te snel met nieuwe producten aankomen met een zeer laag vernieuwingsgehalte. Het zou logischer en redelijker zijn als ze pas nieuwe modellen zouden creëren als ze echte innovaties zouden kunnen integreren. Dat dat niet gebeurt, ligt aan het feit dat ze zo groot zijn en zoveel geld kunnen besteden. Wij zijn in vergelijking een erg klein bedrijf, en dat verplicht ons om langer over voorwerpen na te denken, zodat ze ook langer kunnen meegaan. Tien jaar is heel gewoon voor een B&O-product. En uit milieubewustzijn proberen we nu ook wisselstukken te maken die perfect kunnen ingepast worden in toestellen die al een hele tijd op de markt zijn."Een en ander leidde tot een tijdloos design en tot zeer eenvoudig te bedienen apparaten. Zo is David Lewis niet weinig fier op de Beo4-afstandsbediening die hij ontwierp: robuust en ergonomisch en te gebruiken voor alle B&O-producten (tv, video en/of het stereosysteem). "Ik reken het tot een deel van mijn opdracht om de consumenten te beschermen voor de technologie, en dat kan door de bediening te vereenvoudigen zonder aan de essentiële functies te raken. Maar tegelijk willen we het gebruik van onze producten ook tot een emotioneel moment te maken. Zowel het aanraken van bepaalde materialen als de ervaring van het geruisloos openen van een paneel mag best aangenaam zijn." De recente geschiedenis van de Deense fabrikant toont een resem goed uitziende innovaties. In 1988 bracht B&O zijn eerste telefoontoestel op de markt met een ongewoon licht oorstuk, een uitzonderlijke geluidskwaliteit en een uiterst eenvoudige bediening. Je moet de hoorn zelfs niet tegen je oor houden voor een goede verstaanbaarheid. Drie jaar later creëerde David Lewis de BeoLab 8000, die komaf maakte met de zware, houten luidsprekermeubels en ze verving door een smalle toren die een geheel nieuwe technologie bevatte. Door aparte versterkers te gebruiken voor de hoge en voor de lage tonen en ze in de luidsprekers in te bouwen, ontstond er geen interne concurrentie voor de beste amplificatie. Vier jaar later lanceerde B&O de BeoVision Avant, een compleet videosysteem met een breed beeldscherm, een ingebouwde videorecorder en actieve luidsprekers. De BeoSound 9000, die in 1996 op de markt kwam, is een zeer platte, langwerpige cd-speler waarbij de laser lateraal langs de zes naast elkaar ingevoerde cd's glijdt. Dit toestel, met een opslagcapaciteit van 200 cd's, kan op een voet worden gemonteerd of gewoon worden opgehangen tegen de muur. Zodat het een minimale plaats inneemt in het interieur. Een van de meest recente ontwikkelingen van B&O is het BeoCenter AV5. Drie jaar geleden werd het gecommercialiseerd, en het wordt beschouwd als 's werelds eerste, compacte en geïntegreerde home entertainment system met interactieve televisie, radio en cd/av in één geheel. Noem het een entertainment-eiland. Het staat op een gemotoriseerde voet die het scherm naar verschillende kanten kan laten pivoteren. Wordt het speelmechanisme aangezet, dan schuiven de luidsprekers uit in de speelstand. En straks komt er allicht een home theater op de markt, waarbij het beeld op de muur wordt geprojecteerd. "Maar pas als we dat in een ruimte kunnen doen die niet speciaal voor dat gebruik moet worden verduisterd. Dat betekent dat we zo'n technologie alleen op de markt kunnen brengen als we behalve het grote beeld ook hetzelfde contrast van een televisiescherm kunnen garanderen. En dan is geen geringe opgave." Internationaal is B&O duidelijk een nichespeler, ten dele omwille van de prijzen van de producten. Maar het woord elitair wil men in Denemarken niet horen."We hebben een trouw publiek dat veel interesse heeft voor interieur, voor cultuur, voor architectuur en voor design", zegt Lewis. "En dat bereid is daarin te investeren. Een publiek dat van ons het allerbeste verwacht, op technisch en op design-gebied."De tentoonstelling "Vision & Legend - Bang & Olufsen through 75 years" loopt van 15 juni tot en met 17 september in het Danish Design Center, 27 H.C. Andersen Boulevard in Kopenhagen.Pierre Darge