Strijd, dat betekent Medan. De stadsnaam verwijst naar onze moeilijke onafhankelijkheidsstrijd." John, mijn gids, spreekt klare taal. We bevinden ons in de oude Hollandse wijk waar nog steeds het hart klopt van Medan, de hoofdstad van Sumatra en de derde stad van Indonesië. De Hollandse erfenis is onmiskenbaar terug te vinden in de gelambriseerde vergaderzalen van het stationsgebouw of de koepelvormige ontvangsthal van het postkantoor. De handel in rubber, thee, koffie en tabak liet begin twintigste eeuw een stukje Nederland-in-de-tropen bloeien rond het Merdeka-plein. Sindsdien is de glans van de koloniale hoofdkwartieren getaand. Mata Hari overnacht niet meer in Hotel De Boer, en op het plein flaneren geen kokette Haagse dames meer, maar kamperen nu dakloze vluchtelingen uit Aceh, de olierijke opstandige provincie in het noorden. En drie avonden na elkaar zal hier een protestantse zendeling, genre Billy Graham, de massa bespelen.
...

Strijd, dat betekent Medan. De stadsnaam verwijst naar onze moeilijke onafhankelijkheidsstrijd." John, mijn gids, spreekt klare taal. We bevinden ons in de oude Hollandse wijk waar nog steeds het hart klopt van Medan, de hoofdstad van Sumatra en de derde stad van Indonesië. De Hollandse erfenis is onmiskenbaar terug te vinden in de gelambriseerde vergaderzalen van het stationsgebouw of de koepelvormige ontvangsthal van het postkantoor. De handel in rubber, thee, koffie en tabak liet begin twintigste eeuw een stukje Nederland-in-de-tropen bloeien rond het Merdeka-plein. Sindsdien is de glans van de koloniale hoofdkwartieren getaand. Mata Hari overnacht niet meer in Hotel De Boer, en op het plein flaneren geen kokette Haagse dames meer, maar kamperen nu dakloze vluchtelingen uit Aceh, de olierijke opstandige provincie in het noorden. En drie avonden na elkaar zal hier een protestantse zendeling, genre Billy Graham, de massa bespelen. Medan is een bruisende cocktail van geloof van alle slag. Zoals verwacht mag worden in het grootste islamitisch land ter wereld, is de grote moskee de indrukwekkendste tempel. En de protestantse kerk is bescheiden in vergelijking met de bontgeschilderde goden in de hindoetempel waar Chinese handelaars tot Shiva bidden. Hun aanwezigheid getuigt, net als de helrode Chinese pagode, van de sterkte van de Chinese gemeenschap . De legendarische Tjong A Fie, die in 1875 berooid uit Kanton in Medan aankwam, won het vertrouwen van de toenmalige sultan en van de Nederlandse kolonialen. Hij werd schatrijk als handelaar en had 'een gat in zijn hand'. Hij schonk de stadstoren zijn klok, was een van de oprichters van het Koloniaal - nu Tropisch - Museum in Amsterdam en van vele goede werken. Tegenover het Tip Top Restaurant ligt één van zijn stadsresidenties, een mooi voorbeeld van Chinees-Hollandse stijl. Pianomuziek lokt mij door de vermolmde open poort. Yoyo Tjong, een graatmagere Indonesische Herr Seele met opgeschoren haar en twee oorbellen, groet mij vanachter zijn instrument. Hij is een erfgenaam van de legendarische Chinese handelaar, maar van rijkdom zie je hier geen spoor. Slechts een buffetpiano, een vleugel, een tafel met vier stoelen en enkele vergeelde, ingekaderde foto's herinneren aan de vroegere grandeur van dit paleis. Lege kamers, bladderende houtverf, krakende trappen. "Alles is al lang op", lacht de erfgenaam in zijn marcelleke : "Ik geef nu pianoles." In de bergen naar Bukit Lawang openbaart het eiland zijn rijkdom : velden en plantages met koffie of thee, tabak of tapioca, kruidnagel of kaneel, cacao of peper, rubber of rijst... Met gids John graaf ik pindanoten op, droog ik een kruidnagelbloem, keur droge vanillestokjes, open welriekende eucalyptusknoppen, schraap gemberwortel. In de eindeloze palmplantages oogsten arbeiders de kokosvruchten die rijk zijn aan olie en snijden hiervoor de zware trossen los met een mes bevestigd aan een lange bamboestok. Rubbertappers maken, terwijl ze vliegensvlug rond de rubberboom stappen, een kerf in de bast, waarna de latex in een halve kokosnoot sijpelt. Bukit Lawang zou een vergeten bergdorp zijn, ware er niet het Oerang Oetang Rehabilitation Centre op de andere oever van de Bohorok-rivier. In Indonesië zijn apen geliefde huisdieren, maar een volwassen dier groeit snel uit het doorsnee Medan-flatje. Sedert 1973 heeft het opvangcentrum 179 orang-oetangs heraangepast en opnieuw uitgezet in de Gunung Leuser Reserve, een enorm beschermd regenwoud dat zich uitstrekt tot in de Aceh-provincie. Met bootsman Jali steek ik in een kano de rivier over, voor een tocht door de jungle. Maar eerst staan we oog in oog met de orang- oetangs. Bij de ranger, op de voederplaats hoog in de bomen, schooien enkele moeders met jongen bananen en melk. Een bewust eentonig gehouden dieet : het is immers de bedoeling dat de dieren voor zichzelf leren instaan en diep het woud in trekken. Op onze trektocht in het regenwoud is het verboden de dieren te voederen, maar een lege rugzak is voldoende om een wijfje uit haar hoge boomtop te lokken. Teleurgesteld blijft ze boven ons hangen. Verrassender is de ontmoeting met de Monitor Lizard, een grote hagedis die zich sissend opricht als we zijn pad kruisen. We beklimmen steile hellingen, doorwaden riviertjes en eindigen in een donkere vleermuizengrot. De jungle stopt niet aan de grenzen van de lodge : grijs-witte groepjes Thomas-Leef-apen springen door de takken, een slang ritselt over het wandelpad, een civet verdwijnt in een boom, met groene nachtelijke kattenogen die mij aanstaren. Al in de Nederlandse tijd was Berastagi, op 1400 meter hoogte in de koele bergen, een populair vakantieoord met mooie hotels. Nu is vooral de fruitmarkt een uitdaging voor de zintuigen. De marquisa, een gele passievrucht met groenig vruchtvlees, is een specialiteit. De oogst is rijk : roodharige ramboetan, doordringend geurende doerian, papaja, ananas, lokale pruimen en slangenvruchten, genoemd naar de geschubde schil, grote en kleine bananen. Langs de kant van de weg verkoopt men een gekooide delicatesse : grote vleermuizen die tot 150.000 roepies per stuk kosten, weinig minder dan een fortuin ! Vliegendehondensoep is een traditioneel medicijn van het Batak-volk, en zou uitstekend werken tegen de veel voorkomende astma. De Batak, die met acht gezinnen in één lange donkere paalwoning samenwonen, koken elk hun eigen potje, in een verstikkende rook. Langzaam raken de traditionele woningen, met hun rieten stierenkopdak en in gekko-motieven gesjorde houten wanden, in onbruik. Jonge gezinnen willen zo snel mogelijk hun eigen, liefst golfplaten dak boven het hoofd. Met schotelantenne. De moderniteit rukt op, maar de Batak blijven sterk met hun land verbonden. In de rijstvelden, liefst op het hoogste punt van het land, prijkt het graf van de overleden voorouders, als om hen van een eeuwig panorama te laten genieten. "In elk geval kan op die manier het land niet verkocht worden. Wat een schande zou het zijn om het graf van de voorvaderen te verkopen", verklaart John. De protestantse kerken bewijzen dat de Batak bekeerd zijn, maar het geloof in de voorvaderen en goede of kwade geesten is ongeschonden. Samosir, een eiland in het enorme Tobameer, is de bakermat van de Batak. Hier introduceerde de eerste Batak-koning rijst bij zijn volk en werd de laatste als collaborateur in de jungle gegooid. In zijn longhouse, een solide en met sobere motieven versierde paalwoning, was ruimte voor twintig vrouwen en een eunuch onder de koninklijke bedstee. De hotels en restaurants van het Tuk Tuk-schiereiland liggen er op het eind van het regenseizoen verlaten bij. In de Batak-style cottages van het Carolina Hotel verblijven geen toeristen, maar Getuigen van Jehova op missie. In Tomok en Ambrita bezoek ik de oude sarcofagen en vergaderplaatsen van de Batak, met stenen banken onder de heilige bomen. "Nee, de Batak zijn geen koppensnellers. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden aten ze mensen." Mijn gids probeert tevergeefs een kwalijke reputatie recht te zetten. Toch waren de eerste Duitse missionarissen in 1816 danig geschokt toen ze een ter dood veroordeelde, geprepareerd met chili, look en ajuin in zijn wonden, onthoofd, fijngeslagen en opgepeuzeld zagen worden. De tondi, de machtige geest van het slachtoffer, verdween in hongerige magen. Vrediger is de traditionele dansshow in Simando. Geen betere manier om het meer te beleven dan op het water : met een taxiboot vaar ik terug naar Tuk Tuk. Het meer, 80 kilometer lang en wel 450 meter diep, ontstond tijdens een vulkaanuitbarsting, groter dan alle bekende. De heuvels, met dichte dennenbossen op de steile oevers, lijken in niets op het hete kustgebied maar doen alpien aan. Terwijl ik op het drijvend ponton van de laatste zon geniet, legt een visser zijn netten uit. " Horas", klinkt de Batak-groet. Op het onvermijdelijke "Where you from ?" volgt het goedkeurend commentaar : " Good spirits, Belgia." Hier worden geesten nog naar waarde geschat. En verse vis. Later op de avond zal ik mij te goed doen aan de lokale specialiteit, Arsic of 'Gouden Vis', langzaam in kruiden gestoomd. Volgens de legende veroorzaakt de mythische goudvis de stormen die het meer doen kolken tot schepen vergaan. Maar het is de tuac, een gefermenteerde palmwijn, aangesterkt door toevoeging van stukjes bast, die mij zeeziek maakt. De weg naar West-Sumatra voert een lange dag door een tunnel van junglegroen. Een witte verfstreep op het asfalt markeert de evenaar, waar T-shirtverkopers geen neen als antwoord aanvaarden. Opnieuw breekt de onvermoede rijkdom de lange rit. In een brede rivier zeeft een goudzoeker het slib. Trots toont hij de halve gram goud die hij vandaag sprokkelde en enkele kristallen die hij aan de zeldzame toeristen verkoopt. Bukittinggi - letterlijk 'Stad op de Heuvel' - ligt op 1000 meter hoogte, in de schaduw van machtige vulkanen als de Singgalang en de Merapti, bijna 3000 meter hoog. De streek is rijk aan mooie meren, zoals het Maninjau-meer in de krater van een vulkaan. Ik wandel de 44 bochten naar beneden, terwijl toeterende bussen vol schoolkinderen de kraterrand oppuffen. Tegen de avond verduisteren grijze wolken het zicht. Op het eind van de regentijd storten watervallen zich van de rotsen. De landelijke Harau-kloof, met boeren die rijst in de natte velden uitplanten, is idyllisch. "Iedereen werkt samen in Gotong Royong, een soort helpt-elkander-dorpscollectief waarbij verschillende families samen het land bewerken. Noem het vrijwilligerswerk. Soms bouwt men zo samen een moskee of gemeenschapshuis", verklaart John. Confronterend is het bezoek aan het ondergrondse gangencomplex in Bukittinggi dat de Japanners tijdens de tweede wereldoorlog door dwangarbeiders lieten uitgraven. Mijn gids huivert bij het gat waardoor duizenden lijken verdwenen in het Karbauwengat, een kloof waar de voorvaderen onder Hollands bewind hun buffels voor de koloniale belastingcontroleur verscholen. Nu loopt een wandeling door de kloof naar Kota Gadang, bekend voor zijn zilversmeden die het edelmetaal voor mijn ogen tot sieraden omtoveren. De Minangkabau zijn de opvallendste bevolkingsgroep uit het hoogland. Niet alleen de karakteristieke imposante daken, die naar de randen toe spits toelopen in de vorm van buffelhorens, vallen op. Hun islamitische samenleving is traditioneel matriarchaal. Alle macht berust bij de vrouwen, die onder elkaar erven, hun moedersnaam doorgeven en de huizen bezitten. De man is maar een gast in het huis van zijn vrouw. Haar oudste broer is de Datuk, beschermer van het familievermogen. De jongens verblijven niet bij de moeder, maar in de moskee of in het schooltje. Misschien is het een verklaring voor het feit dat zoveel Minagkabau-mannen met Weltschmerz emigreren : bijna in elke Indonesische stad vind je een Padang-restaurant. Padang-eten is immers simpel en no-nonsense. Op tafel komen thee en een tiental schoteltjes : kip in groene en rode curry, gebraden kippenvleugels, pikante en zoete vis, in deeg gestoomde sprotjes, spinazie, rijst en bijgerechten. "Nee, het is niet de bedoeling dat je alles eet. Alleen de gerechten waarvan je proeft, betaal je. De Padang-keuken is pikant, veel pittiger dan in het noorden van het land. En alhoewel de matriarchale traditie in de steden aan belang inboet, blijft de lokale trots ongeschonden. "De Minangkabau zijn buitengewoon slim en gewiekste handelaren, vergelijkbaar met de Chinezen. 'Zij-die-het-buffelgevecht wonnen', betekent hun naam. Buffelgevechten zijn hier een oude sport, die nog steeds leeft. Volgens de legende brachten de uitdagers hun sterkste waterbuffel naar de ring en spotten ze met het mager buffelkalf dat de Minang vertegenwoordigde. Maar het uitgehongerde kalfje, met scherpe messen op de horens, zocht de uier en sneed de buik van de stier open. Wie niet sterk is, moet slim zijn." n Tekst en foto's Jo Fransen