Een veelzijdige therapie helpt stotterende kinderen een eind en vaak zelfs helemaal voorbij hun spraakprobleem. Afgebroken woorden mogen niet langer gebroken mensen maken.
...

Een veelzijdige therapie helpt stotterende kinderen een eind en vaak zelfs helemaal voorbij hun spraakprobleem. Afgebroken woorden mogen niet langer gebroken mensen maken.Marianne Meire Weinig mensen weten wat stotteren is. Dat merk je aan hun reactie als iemand niet meer uit z'n woorden raakt. Er wordt gemakkelijk om gelachen. Ook de gekke bekken die erbij horen, zorgen voor veel hilariteit. Zeker bij kinderen. België telt ongeveer 100.000 volwassenen die kampen met dit spraakprobleem. Het zijn vaker mannen dan vrouwen. De oorzaak is niet gekend. Vermoedelijk zijn het er meerdere die sluimeren van bij de geboorte. Het genetisch bewijs voor de erfelijkheid van stotteren is nog niet geleverd, maar er is een duidelijk familiaal verband. Nochtans wordt niemand als stotteraar geboren, zegt logopedist-stottertherapeut Carl Hylebos. Een stotteraar heeft zijn handicap de overhand laten nemen. En daar is iets tegen te doen. Hylebos : ?Disfuncties in het deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor taal en spraak, vormen de aanleg voor stotteren, maar kunnen ook andere taal- en spraakhandicaps veroorzaken. Wie stottert, heeft als het ware kleine kortsluitingen in de timing van de uitspraak van woorden. Stotters zitten altijd in het woord zelf. Dat is het verschil met andere problemen van spraakvloeiendheid, zoals het overdreven gebruik van stopwoordjes of euhs. Er zijn drie soorten stotters : herhaling van klanken (wa-wa-water), verlenging van een stuk van het woord (waaaa-ter) en stemblokkeringen.? Stotters worden best omschreven als accidenten, en die zijn nooit aangenaam. Ze lokken een gevoel van machteloosheid uit. Mensen die stotteren, ontwikkelen allerlei nevengedrag dat hun handicap alleen maar erger maakt. Beeldt u zich even in dat in uw hoofd een woord klaarzit om uitgesproken te worden, maar dat u er niet in slaagt om de motorische activiteit te leveren om de klank voort te brengen. Of dat u het woord halverwege ongewild afbreekt. Dat is een merkwaardige belevenis. Zeker voor een kind dat pas heeft leren praten. Het zal dan ook reageren. Bijvoorbeeld door extra inspanningen te leveren om zo snel mogelijk uit de stotter te geraken : een vertrokken gelaat, gefronste wenkbrauwen, hoofdbewegingen, al die merkwaardige uitdrukkingen waar imitators van stotterende mensen zo dankbaar gebruik van maken. Het stotterende kind leert snel dat deze inspanningen niet helpen, en zoekt andere manieren om aankomende stotters te omzeilen of te verhinderen. Zo kunnen mensen die stotteren bijvoorbeeld met de vinger tikken voor ze het voor hen zo moeilijke woord uitspreken. Anderen krullen hun tenen of bewegen hun hoofd. Logopedisten noemen dit non-verbale starters. Sommigen gebruiken ook verbale starters en zetten overal, ook waar het niet gepast is, ?en? of ?maar? of ?want? voor. Deze reflexen worden na verloop van tijd bewuste strategieën. En daar blijft het niet bij. Hylebos : ?Starters werken natuurlijk niet altijd. De stotterende persoon zoekt dus verder en gaat het spreken uitstellen. Of vermijdingsgedrag ontwikkelen. Sommige mensen zijn ongelooflijk goed in het omzeilen van stotters, bijvoorbeeld door synoniemen te gebruiken. Als ze een stotter voelen aankomen, zoeken ze razendsnel een ander woord. Maar stotters kunnen je ook plots overvallen. Al dit strategisch gedrag om de handicap te controleren of te camoufleren, of de steeds groeiende zwijgzaamheid maken van een stotterende persoon een stotteraar. Kleuters die stotteren maar nog niet geremd zijn in hun ontwikkeling, noemen wij geen stotteraars. Dat is een belangrijke nuance.? De aanleg tot stotteren waarmee sommige kinderen worden geboren, is op zich niet voldoende om ook echt te beginnen stotteren. Dit werd duidelijk toen specialisten merkten dat sommige stotterende kinderen eerst een tijd vloeiend konden praten. Men weet nu dat uitlokkende factoren een belangrijke rol spelen. En die factoren hebben steeds één gemeenschappelijke noemer : druk. Hylebos : ?Voor sommige kinderen zitten de uitlokkers voor stotteren in spanningsvelden binnen de eigen ontwikkeling. Uiterst gevoelige kinderen of kinderen die zeer prestatiegericht zijn en absoluut niet tegen verlies kunnen, hebben het moeilijker dan uitgelaten en vrolijke kinderen. Voor anderen zitten de uitlokkers in omgevingsfactoren, bijvoorbeeld problemen in de gezinssituatie. Als die druk wordt toegevoegd aan de aanleg voor stotteren, ontstaat ook stotteren. Maar meestal gaat het om een combinatie van ontwikkelings- en omgevingsfactoren.? Piet Verleysen, voorzitter van de vzw Stotter, merkte aanvankelijk niet hoe het stotteren van zijn zoontje erger werd door de goedbedoelde maar totaal inefficiënte druk van ouders en grootouders. ?Toen wij merkten dat ons zoontje van vier een spraakprobleem had en wij het stadium van de hilariteit om zijn grappige taaltje voorbij waren, zetten wij hem van alle kanten onder druk om goed te spreken. Voorzeggen, laten herhalen, aanmoedigen, het waren allemaal zogezegd positieve aanmaningen die een tegengesteld effect hadden. Mijn zoontje, dat altijd een expressief en geestig kind was geweest, werd steeds zwijgzamer.? Hylebos : ?Het is een groot misverstand dat je een stotterend kind kunt helpen door het voor te zeggen of te onderbreken. Het gaat echt om kortsluitingen waaraan het kind absoluut niets kan doen maar waarop het toch telkens opnieuw wordt gewezen. Sommige ouders negeren het spraakprobleem omdat ze geloven dat het wel weer overgaat. Stotteren gaat in de helft van de gevallen spontaan weer weg, maar mag je daar op rekenen ? Een kind ervaart stotters als accidenten, als je dat negeert dan geef je het een trek-je-plan-signaal. Zo help je niet, maar loop je het risico om er ongewild een echte stotteraar van te maken. Wie weigert het stotteren als dusdanig te herkennen, kan z'n kind niet helpen.? Hoe machteloos ouders staan, ondervond ook Piet Verleysen. Op school kon zoontje Rory niet langer volgen en werd hij een zondebok. De andere kinderen lachten hem uit. Professionele hulp kon niet langer uitblijven. Verleysen : ?We hebben verschillende logopedisten geprobeerd. Thuis staat nog de metronoom die het tempo aangaf waarop mijn zoontje moest leren spreken. Allemaal zonder resultaat. Pas na vier jaar kwamen we bij een logopedist terecht die gespecialiseerd was in stottertherapie. Het betekende een ommezwaai. Het hele gezin werd bij de therapie betrokken en het werd ons duidelijk waarom de manier waarop wij ons kind al jaren aanpakten geen resultaat kon opleveren.? Stottertherapeuten kunnen niets doen aan de aanleg tot stotteren. Maar ze kunnen wel ingrijpen op de factoren die stotteren uitlokken en instandhouden. Logopedisten-stottertherapeuten zijn ervan overtuigd dat de onmiddellijke omgeving bij de therapie moet worden betrokken. Carl Hylebos : ?Hoe vroeger je het stotteren aanpakt, hoe gunstiger de prognoses, maar zonder garantie op succes. Maar je kunt wel proberen te verhinderen dat een stotterend kind een stotteraar wordt. Je kunt de situatie bevriezen en terugschroeven, proberen de ontwikkeling van een stotterprobleem af te remmen en te voorkomen. Het is een intensief en tijdrovend proces waarbij ouders, broers en zussen, familieleden en leerkrachten betrokken worden in de begeleiding van het kind. Deze therapie duurt al gauw één tot twee jaar. We richten onze aandacht eerst op het kind zelf, zoeken uit om welke soorten stotters het gaat en gaan vervolgens na hoe het kind daar zelf op reageert. Ten tweede onderzoeken we hoe de ouders op de stotters reageren. Daarna zoeken we welke de uitlokkers zijn voor de stotters. We kijken naar de persoonlijkheid van het kind en naar de omgeving. We kijken bijvoorbeeld naar de manier waarop de ouders taal gebruiken en hoe zij spreken met het kind. Hoe verloopt de communicatie binnen het gezin ? Wat is de spreeksnelheid, gebruiken de ouders lange of korte zinnen, kunnen zij luisteren, onderbreken ze vaak, hoe verlopen de beurtwisselingen, is er veel corrigerend commentaar, of worden vooral vragen en bevelen op het kind afgevuurd ? Soms blijkt dat een bepaalde gezinssituatie zoveel druk op een kind uitoefent dat het stotters uitlokt. Daarom evalueren wij ook de opvoedingsstijl. Delicate materie ja, maar stotteren is een zaak van het hele gezin.? Eenmaal de stottertherapeuten de uitlokkers hebben geïdentificeerd, leren ze het kind en alle andere gezinsleden hoe zij deze onder controle kunnen krijgen. Ook persoonlijkheidstrekjes die het een kind met aanleg voor stotteren extra moeilijk maken, zoals bijvoorbeeld perfectionisme of overdreven rechtlijnig denken, worden bijgeschaafd. Het einddoel van de therapie is het opheffen van drukfactoren, zodat het kind rustiger wordt. Meestal wordt de aanleg tot stotteren dan veel minder aangesproken en leert het kind opnieuw vloeiender spreken. Tegelijkertijd leert het de stotters te relativeren. Hylebos : ?Dit is wel wat anders dan wat velen nog verstaan onder stottertherapie, zoals ademhalings- en articulatieoefeningen. Het is niet onze bedoeling om stotteren te vervangen door een artificieel spreekpatroon. Het stotterende kind krijgt niet alleen inzicht in zijn spraakprobleem, maar leert ook sociale en relationele vaardigheden. Deze gecombineerde aanpak geeft mooie resultaten. In het beste geval zal het kind niet meer stotteren, ofwel wordt het tolerant tegenover z'n stotters en krijgt het genoeg zelfvertrouwen om ermee te leven.? Een kind dat niet geholpen wordt, en ook niet spontaan van z'n stotteren afraakt, loopt een grote kans om als volwassene een echte stotteraar te worden. Een hakkelaar met allerlei verdoken problemen. Die kan twee richtingen uit. De eerste richting is die van de uiterlijke schijn dat alles goed gaat. Aan deze mensen is niet te zien dat zij een enorme, verborgen last meedragen. Je hoort ze nauwelijks stotteren. Ze beschikken over de capaciteiten om hun probleem te camoufleren. Maar dat vraagt een grote mentale inspanning. Dit zijn bijzonder ernstige stotteraars want hun hele wezen, hun hele doen en laten wordt gedicteerd door hun handicap. Boodschappen doen, naar de bank gaan, telefoneren, een avondje stappen en andere evidente dingen worden afgeschaft, want zij zijn voortdurend bang om door te mand te vallen. Wat begint als een spraakbelemmering groeit uit tot sociaal isolement. De tweede richting is al even extreem. Dit zijn mensen die geen moeite meer doen om hun stotteren te verbergen. Van nature of met hulp van buitenaf slagen zij erin om hun stotters te relativeren. Ze hebben een probleem maar dat verhindert niet dat zij zichzelf blijven. Ze hebben een sociaal leven, ze pakken een pint, babbelen en grappen, zelfs al is hun stotteren vaak een probleem voor hun omgeving. Tussen deze twee extremen heb je allerlei nuances. Hebben volwassen stotteraars nog baat bij een stottertherapie ? Carl Hylebos : ?Met volwassenen kun je eigenlijk niet meer werken op uitlokkende factoren. Die hebben hun blijvende schade al aangericht. Daar ligt de nadruk op instandhoudende factoren die zwaar drukken op de denk- en gevoelswereld van de stotteraar. Er zijn technieken om stotters te controleren. Maar omdat die nog altijd kunnen falen, moet je tegelijkertijd de gevoelens van paniek en machteloosheid die bij stotters horen, leren ombuigen. Het stotteren zal niet overgaan maar de negatieve gevoelens van schaamte, paniek of angst kunnen verdwijnen.? De zoon van Piet Verleysen kan na anderhalf jaar intensieve stottertherapie alleen verder. Hij leerde zijn stotteren te tolereren en zag hierdoor zijn angst verdwijnen. Nu kan hij het stotteren ook onder controle houden. Verleysen : ?Als klein kind was hij van het type blokkering, hij maakte geen enkele zin correct af. Hij is nu tien en stottert nog af en toe, maar ik kan een volledig gesprek met hem voeren zonder dat mij iets opvalt. Of hij er ooit helemaal van afgeraakt, doet eigenlijk niet meer ter zake. Hij heeft genoeg zelfvertrouwen. Hij is geen stotteraar meer.? Vzw Stotter, Windmolenstraat 17, 9450 Haaltert, tel. (053) 83.71.78. Logopedist-stottertherapeut Carl Hylebos : Niemand wordt als stotteraar geboren.