Hij is de ontdekker van Daryl K, Wendy Mullin, en Rebecca Danneberg. Zijn winkel en showroom in New York worden bezocht door ontwerpers, stylisten en redacteurs van invloedrijke modebladen. Wat nu bij hem in de rekken hangt, is volgend jaar een trend. Een gesprek met Steven Alan.
...

Hij is de ontdekker van Daryl K, Wendy Mullin, en Rebecca Danneberg. Zijn winkel en showroom in New York worden bezocht door ontwerpers, stylisten en redacteurs van invloedrijke modebladen. Wat nu bij hem in de rekken hangt, is volgend jaar een trend. Een gesprek met Steven Alan.Jim Schilder / Foto Bart Michiels Soho, New York. Het pand in Mercer Street lijkt onbruikbaar. Verroest metaal, gesloten ramen, vieze muren. De zware deur is brandweer-rood geverfd. Het huisnummer is amper leesbaar, de graffiti des te beter. Achter de deur een versleten houten trap. ?Daar maken we ons wel eens zorgen over, als een hooggehakte redactrice van zo'n duur modeblad komt kijken?, zegt een medewerker van de jonge modeprins Steven Alan. De showroom is schoon, ruim en licht. Een speelse witte boxer versleept kleerhangers van de ene hoek naar de andere, terwijl Alan (30) achter een tafel zit te bellen. Gekleed in een bruin shirt met korte mouwen en een donkerblauwe pantalon. Net terug van tien dagen vakantie in Midden-Amerika, waar hij even uitpufte eer het nieuwe seizoen begint. ?Ik ben nog nooit zo lang op vakantie geweest?, zegt hij later. ?Even het hoofd laten doorwaaien. Meestal ga ik naar Parijs of Japan, waar ik werk en plezier combineer. Maar nu wilde ik even helemaal niks.? Wie nu al de grote Amerikaanse modenamen van morgen wil kennen, moet Steven Alan bellen. Drie jaar geleden begon hij in Soho een winkeltje met kleren en spulletjes van onbekend talent. Menig talent is sindsdien doorgebroken naar grote modewarenhuizen als Bloomingdale's en Barneys. Hij ontdekte Daryl K, die eerder dit jaar de felbegeerde Perry Ellis Award voor vrouwenmode kreeg. Hij ontdekte Wendy Mullin toen ze haar aparte gitaarriemen aan niemand kwijt kon en op het punt stond te stoppen. Inmiddels verkoopt Mullin aan R.E.M., Smashing Pumpkins en Patti Smith. Alan ontdekte hippie-chique-ontwerpster Rebecca Dannenberg toen ze haar spullen op straat trachtte te verkopen. Nu wordt Dannenberg gezien als de nieuwe Daryl K. Daarnaast ontrukt hij klassieke producten aan de vergetelheid. Steven Alan heeft de suffige Wrangler-jeans naar New York gehaald. Hij maakte een hit van felroze huisvrouwenslippers uit de Amerikaanse binnenlanden. Hij herintroduceerde de vergeten woestijnschoenen van Clarks. Steven Alan is the talk of the town in New Yorkse modekringen. Redacteurs van belangrijke bladen, ontwerpers en stylisten komen bij hem over de vloer om te zien wie hij nu weer ontdekt heeft en welke trends opgang maken. Tot zijn klanten behoren Björk (?die koopt heel zorgvuldig?), Donovan Leitch, en vele modellen. Toen Alan een jaar of vijf was, stuurden zijn ouders hem in opvallende kleren naar de lagere school in Manhattan. In een felgekleurde smoking bijvoorbeeld. ?Mijn ouders waren nogal excentriek. Vader ontwierp sieraden, moeder was kunstenaar. In ons appartement zag je altijd opvallende kleuren. Voor de lunch kreeg ik brood met exotische belegsoorten mee. Andere kinderen hadden zo'n plastic trommeltje met niks bijzonders. In het begin vond ik het vreemd om anders te zijn, maar op de duur kreeg ik er steeds meer plezier in.? Hoe ontwikkel je zo'n neus voor trends ? Steven Alan : Ik lees veel bladen, spreek met veel mensen uit heel verschillende hoeken. Ik houd bij wat er gaande is in de VS, Japan, Europa. Dat combineer ik een beetje, en zo probeer ik een indruk te krijgen van waar het naartoe gaat. In de VS zijn de oude modevoorschriften goeddeels verdwenen. Zeker in New York is er veel meer vrijheid. Er was altijd al een groep die alles deed, maar het is nu veel breder. Klanten vinden hier een grote variatie in stijlen. We dringen niks op. De meeste klanten zijn zelfstandig en hebben dus geen last van bedrijfsnormen. Ze zitten in de fotografie, de reclame, het internet. Die hoeven zich niet op te tutten. Slordig en lelijk is niet de bedoeling, maar ze hebben veel vrijheid. Grappig trouwens, in Guatemala vinden ze het raar als een Amerikaan niet netjes in het pak zit. Daar is dat nog een teken van welstand. Je ging naar de Art and Design Highschool in New York en zat op je veertiende al in de modefotografie. Nou, modefotografie... Bij een kapper maakte ik voor-en-nafoto's van klanten. In ruil kreeg ik van de kapper een ruimte om te werken. Je studeerde af op modeontwerpen en -illustreren. En je deed op een blauwe maandag ook aan film en video. Ik merkte al snel dat het genre een passie verlangde die ik niet had. Ik zat op school met de broer van Spike Lee en dat soort mensen, en die waren helemaal gek van film. Ze waren al vanaf hun zevende bezig en ze wilden niks anders. Dat had ik niet. Hoe werd je dan uiteindelijk ontwerper, groothandelaar en winkelier tegelijk ? Het was vrij logisch dat ik een zakelijke kant opging. Mijn ouders waren niet alleen creatief maar ook zakelijk. Na een business-studie ging ik werken in een van de twee winkels van mijn ouders. Ik vond de collectie niet zo spannend en sleepte dus allerlei vreemde dingen naar binnen. Gekke tandenborstels en malle stropdassen. Dat werden de populairste voorwerpen. Mijn ouders wisten geen raad met dat spul, en ik begon in mijn appartement een handel in populaire horloges als Swatch. Toen in Soho drie jaar geleden een winkeltje vrijkwam, trok ik erin. Ik had geen idee wat ik er ging doen. Ik opende met een collectie horloges, modeaccessoires, juwelen, en wat kleren. Dat laatste werd niks. Ik verloor geld op alles wat ik inkocht. Ik deed het verkeerd, de collectie was niks speciaals. Ik moest op zoek naar kleine ontwerpers die bijna nergens verkrijgbaar waren. Wat maakt een ontwerper bijzonder ? Ik zoek naar persoonlijke expressie. Niet naar het afwijkende op zich, dat is vrij voorspelbaar. De kleren hoeven niet meteen verkoopbaar te zijn. Als de persoonlijkheid er maar in zit. Trendy spul hoef ik niet, daar barst het al van. Ik wil iets zien dat me fascineert, dat ik nog niet eerder heb gezien, iets waarvan ik het gevoel heb : dat is goed voor het volgende seizoen. Daar word ik blij van. Ook omdat zij het doen om het ontwerp en niet om het geld. We zijn benaderd door grote ontwerpers, maar ik ga er niet op in. Ik wil jonge, nieuwe ontwerpers. Voor mode met een grote M, voor de wereld van Givenchy en Dior, heb ik weinig belangstelling. Ik zie er zo weinig vernieuwends. Het is allemaal prachtig hoor, mooi gedaan, voor bijzondere gelegenheden en rijke mensen, maar het kriebelt me niet. Ik hou me liever bezig met de kleren die je dagelijks aantrekt. Met wat betaalbaar is en toch boeiend. Mensen drukken zich uit met wat ze dagelijks dragen. Een combinatie van grootmoeders sweater met een kamizool en een designerbroek kan heel boeiend zijn. Dan denk ik : die heeft iets leuks bedacht, die maakt een eigen sprongetje en verzint iets nieuws. Dat vind ik zo aardig aan New York. Oude dingen krijgen steeds een nieuwe rol. Kijk maar naar deze ruimte, in zo'n verlopen gebouw. Ik hou ook van onvoorspelbare mensen. En kleren. Wie iets saais draagt, wordt gezien als een saai iemand. Soms is een vrouw leuk en sexy op een subtiele manier. Maar het werkt niet als je voor de spiegel gaat staan en denkt : nu zal ik me eens sexy aankleden, hier strak, daar strak... Vind ik niks. Het verschil tussen goed of slecht kan ook liggen aan de manier waarop je iets draagt. Of een shirt in of uit de broek zit, of een broek wel of niet is gesteven of gestreken. Ik ? Ik besteed er weinig aandacht aan. Ik trek gewoon aan wat in de kast hangt. Maar wat daar hangt, hangt er niet zomaar, dat vond ik ooit de moeite waard om te hebben. Nee, wat ik nu draag, is geen eigen ontwerp dat zit in de was. Hou je van stoffen ? Ik moet overal aanzitten. Stoffen vind ik fantastisch. Vaak zie je al op afstand wat het is. Soms gaat er een grote aantrekkingskracht van uit. Soms voelt het vreselijk en dan hoef ik het niet. Ik hou van zacht en soepel. Van goed katoen en sommige wolsoorten. Ik gebruik nu ook veel stretch-materiaal, vooral in de mannenkleren die ik ontwerp. Jij hebt Daryl K ontdekt. Hoe ging dat ? In '94 kwam een meisje in de winkel met een heel aparte jeans. Ik vroeg waar die vandaan kwam, en ze zegt : van Daryl K. Nooit van gehoord. Daryl bleek een winkeltje te hebben waar ze eigenlijk alleen die jeans verkocht. Toen ik ging vragen of ik die in mijn zaak kon verkopen, bleek dat de productie te klein was. Maar ze zou haar best doen. De eerste bestelling is op een servetje geschreven. Er was meteen veel vraag naar, en na een jaar begonnen ook andere winkels die broek te verkopen. Hoe weet je als man wat vrouwen graag dragen ? Ik heb drie jaar in de winkel gestaan en heb veel met klanten gepraat. Nu kan ik vaak zo zien wat ze leuk vinden. Maar het verschil in geslacht is wat de kleren betreft niet groot meer. Vrouwen dragen kleren die ik ook leuk vind. De broek van Daryl K was eigenlijk voor jongens maar werd vooral door meisjes gedragen. Het vrouwelijke en mannelijke loopt nogal door elkaar. En zelfs iets typisch vrouwelijks als een jurk wordt tegenwoordig minder vrouwelijk gedragen. Iets ruiger, zeg maar. Met hardloopschoenen eronder. Welke ontwerpers inspireren u ? Paul Smith en Ralph Lauren. Niet om hun mode, maar om de manier waarop ze zich als merk hebben gevestigd. Smith schept in zijn winkels een omgeving waarin je geheel wordt omringd door Paul Smith. In de winkels van Lauren word je ondergedompeld in Ralph Lauren. Als het om het ontwerp gaat, dan vind ik vooral de Belgen interessant zoals Dries Van Noten. Maar ook iemand als Helmut Lang en Raf Simons. Dat vind ik de bepalende mensen van dit moment. U herontdekte de oude Clark desert boots. Hoe kwam dat ? Ik vond dat vroeger altijd een mooie schoen maar ik kon 'm nergens meer vinden. Toen ik Clarks belde, bleken ze die nog steeds te maken. Alleen voor mannen ; die voor vrouwen werden al zeven jaar niet meer gemaakt. Maar ze hadden nog wat liggen, in zwart leer, en die heb ik ingekocht. Ze vlogen niet de winkel uit, maar je hebt altijd een paar klanten die ervoor vallen. Stylisten, en andere modebewuste types. Dat gebeurt vaak als ik rare dingen inkoop. Het gaat niet om grote aantallen, maar het trekt de aandacht van interessante klanten en daarna wordt het een hit. Twee jaar geleden heb ik een slipper ingekocht, iets typisch voor huisvrouwen uit de midwest. Met een vouw. In kleuren als roze en blauw. De stomste slipper die je je kunt voorstellen, maar erg makkelijk. Ooit zijn er miljoenen van verkocht, maar ik had er nooit van gehoord. Tot ik er iemand mee zag lopen. Ik heb ze ingekocht en het werd een succes. Hetzelfde voor de schoenen van Dr. Scholl. Je kon ze alleen in goedkope zaken in de midwest krijgen, in een paar uitvoeringen. Vorig jaar heb ik er dus heel veel van verkocht. Nu zijn ze in alle kleuren verkrijgbaar, overal. Dan hoeft het voor mij niet meer. Dat vind ik een van de mooiste kanten van het vak : bij grote bedrijven iets vinden dat niemand hier kent, en het dan introduceren. Toen donker denim erg in raakte, vroeg ik me af wat de originele broek was. Wrangler, zo bleek. Een bekend merk maar je hoorde er nooit iets over. De man van Wrangler die ik benaderde, zei dat ze geen vrouwenjeans maakten. Dus vroeg ik of hij wel jongensjeans had. Ja. Of ik die ergens in New York kon zien en laten passen door een vrouw of een meisje. Nee, want in New York was geen zaak die Wrangler verkocht. Ik heb het ergens anders getest en ze waren goed. Maar ik moest er minimaal tweehonderd kopen, dus die gok heb ik gewaagd. Driekwart verkocht uitstekend, de rest bleek in ongeschikte maten te zijn. Nu weet ik precies wat ik hebben moet. Voor slechts 1300 frank heb je een uitstekende broek. Steven Allen : Nee, wat ik nu draag is geen eigen ontwerp, dat zit in de was.