chongqing, nochtans een relatief onbekende metropolis in het onderontwikkelde westen van China, is op dit moment in de geschiedenis de spectaculairste stad ter wereld. Het is, volgens sommige berekeningen, ook 's werelds grootste. Met bijna 33 miljoen inwoners, verspreid over 82.000 kilometer. En daar komen elke dag gemiddeld nog 1300 mensen bij (vooral straatarme landarbeiders, op zoek naar een beter lot). Die onoverzichtelijke wirwar van torens, trappen, tunnels en klaverviaducten, imponeert, en dwingt respect af.
...

chongqing, nochtans een relatief onbekende metropolis in het onderontwikkelde westen van China, is op dit moment in de geschiedenis de spectaculairste stad ter wereld. Het is, volgens sommige berekeningen, ook 's werelds grootste. Met bijna 33 miljoen inwoners, verspreid over 82.000 kilometer. En daar komen elke dag gemiddeld nog 1300 mensen bij (vooral straatarme landarbeiders, op zoek naar een beter lot). Die onoverzichtelijke wirwar van torens, trappen, tunnels en klaverviaducten, imponeert, en dwingt respect af. Chongqing zal nochtans niet snel opduiken in een lijst van 's werelds meest leefbare steden. Te ruw, allicht. Niet rijk genoeg, misschien. De lijst met mankementen is lang. Er hangt tweehonderd dagen per jaar een dikke, soms ondoordringbare laag mist. De zon schijnt er zelden, of tenminste minder dan elders in China (900 uur per jaar). De lucht is, ondanks allerlei recente maatregelen, niet bijzonder rein. En de zomers zijn doorgaans niet te harden, met temperaturen tot ver boven de veertig graden. De stad is bouwwerf en puinhoop tegelijk. Je kunt Chongqing goed samenvatten met twee woorden : grijs en gruis. Deprimerend ? Niet noodzakelijk. In oorlogstijd diende de mist als een rookgordijn tegen de Japanse troepen, waardoor Chongqing (heel kort samengevat) zich tussen 1940 en 1946 de voorlopige hoofdstad van China mocht noemen. Los daarvan is een wolkenkrabber die ook effectief in een wolk verdwijnt, altijd mooi om zien. Het gruis van de bulldozers verstopt de neus, maar opent het toekomstperspectief van om het even de welke metropolis. Er staan, zeker in het centrum, nog duizenden krotwoningen. Die zijn miserabel, pittoresk, en fotogeniek. Ze dragen allemaal het enorme, rode stempel, dat hun nakende afbraak verkondigt, en het gevaar dat daarmee gepaard gaat.Ik las dat er elke dag 27.000 vierkante meter woon- en kantoorruimte bijkomt. Er zouden op dit moment zo'n honderd wolkenkrabbers van meer dan tweehonderd meter hoog in de steigers staan, waaronder twintig zogeheten supertalls van meer dan vierhonderd meter. Het is niet zeker dat die ook allemaal gebouwd zullen worden. Maar intussen is de groei van de stad wel duidelijk zichtbaar, in gapende putten, en achter duizelingwekkende stellingen, opgetrokken uit bamboestengels. De bouwputten worden bijna overal afgeschermd door panelen met affiches waarop telkens dezelfde visioenen staan afgedrukt van Chongqing in de nabije toekomst : blauwe lucht, zachtjes glooiende grasvelden, dansende kinderen. Constant development, affluent society, belooft een advertentie van de Evergrowing Bank. Chongqing (bijnaam : Mountain City) is letterlijk een stad op stelten, gebouwd op heuvels, bruggen en spectaculaire pijlers en muren. Zodat de wolkenkrabbers nog hoger lijken dan ze in feite al zijn. De belangrijkste stadskern, Jie Fang Bei, is een fors schiereiland, dat geplet ligt tussen twee machtige rivieren, de Yangtze en de Jialing. Een skyline als die van New York, maar in Manhattan weet je altijd min of meer waar je bent. De Empire State Building, of een ander betonnen baken, gidst je wel naar je bestemming. In Chongqing heb ik me, met veel plezier, vijf dagen totaal verloren gevoeld. Ik had geen kaart, alleen een Chinees stratenplan waar ik geen touw kon aan vastknopen. Maar dat was niet echt een probleem. Ik had geen afspraken, geen verplichtingen. Als je niets begrijpt, is niets moeilijk, en dan kan alles. De naam van mijn hotel in Jie Fang Bei, in een glanzende toren, stond op de flank van het gebouw gespeld in reusachtige, fel verlichte letters. Maar tijdens mijn eerste wandeling, nadat ik pas uit Peking was toegekomen, verdween de hoteltoren al na enkele stappen achter andere, nog hogere torens. Ik verkende de winkelstraat aan de voet van mijn hotel, een soort Nieuwstraat, maar majestueuzer. Open voor zaken, en tegelijk toch ook een bouwwerf. Het belangrijkste warenhuis, Maison Mode, was op dat moment nog niet open. Vorige maand openden onder meer Louis Vuitton en Salvatore Ferragamo er filialen, een signaal dat Chongqing stilaan rijp is (of wordt geacht) voor luxe. Aan de overkant verborg een ultramoderne gevel een versleten, grotendeels leeg pand, waarin alleen ruimte was uitgespaard voor een zaak van Rolex. Enkele stappen verder werd een traditioneel kantoorgebouw laag per laag afgebroken terwijl op de benedenverdieping nog druk handel werd gevoerd. Ik kocht er bijna een jas om de jonge verkoper een plezier te doen, maar kon mij nog beheersen (de jas was niet veel zaaks). Ik liep verder, langs kronkelende straten en smalle steegjes met veeleer traditionele winkeltjes en straatrestaurants. Ik zag mannen en vrouwen reusachtige kartonnen dozen verslepen. En een geit onder een brug in het duister, dramatisch verlicht. Op de tip van het schiereiland, aan de rand van een uitgestrekt plein, observeerde ik hoe, enkele tientallen meter lager, de Yangtze en de Jialing in elkaar vloeien (de ene rivier heeft bruin water, de andere ziet groen). Een beetje leefbare stad heeft goed ontwikkeld openbaar vervoer. Chongqing heeft twee metrolijnen (tijdens mijn verblijf moest die tweede lijn in gebruik genomen worden, voor het eind van het jaar is een derde lijn aangekondigd en tegen 2050 moeten achttien lijnen, vooral monorails, de stad doorkruisen). Geen fietspaden : de hoogteverschillen zijn te groot. Maar wel talloos veel bussen, een uitgebreide vloot citroengele taxi's, en twee roestige, krakende kabelbanen, die Jie Fang Bei verbinden met het vasteland. De spannendste van de twee vertrekt in het midden van een appartementsgebouw, boven een restaurant. De overtocht is spectaculair, het betonnen landschap en het spektakel op het water fascinerend. Rivierboten, eindeloze bruggen, constructie, arbeidersvlijt. Aan de overkant van de rivier, in Jiangbeizui, verrijst op dit moment een nieuwe zakenwijk. Er ligt al een wetenschappelijk en technologisch museum en een architecturaal interessante opera, waarin ook een museum voor hedendaagse kunst is ondergebracht. Erachter strekt zich een groot, modern park uit, het Chongqing Jiangbeizui Central Business District Central Park. Op de grotendeels verlaten autoweg langs de rivier was die dag een filmploeg aan het werk (misschien draaiden ze een vervolg op Chongqing Blues, dat vorig jaar in Cannes te zien was). In het park kruiste ik om de haverklap jonge koppels in trouwplunje, telkens vergezeld van een fotograaf. Het decor : een oude boom, of een van twee ouderwetse kerkjes, de Christian Church en de Cathedral Church. Op een andere ochtend nam ik de metro. Dat ging minder gemakkelijk dan verwacht. Er was nergens een metro-ingang te zien. Toevallig zag ik een pijl die wees naar een ondergronds shopping center. Na een kwartier stappen, toen ik mijn zoektocht al half had opgegeven, vond ik, aan het eind van een claustrofobische gang met kleine boetieks, een station. Waar naartoe ? De paar toeristische trekpleisters van Chongqing bevonden zich, volgens mijn informatie, ver van het centrum en waren uitsluitend per bus bereikbaar : een Foreign Town met ongewone gebouwen en de grootste openbare toiletten ter wereld ; een grot ; voormalige Japanse gevangenissen. Het leek onbegonnen werk om er te geraken en wat moest ik ook gaan zoeken in die toiletten ? Op het metroplan stonden de stationsnamen in westers alfabet gedrukt. Ik koos er de gemakkelijkste naam uit, Daping, en sprak die zo duidelijk mogelijk uit. Het meisje in het loket stopte me een ticket toe. Na drie stations in een tunnel reden we over een viaduct langs de rivier. Ik stapte onderweg drie keer uit, telkens overweldigd door het uitzicht van op het perron. In Daping viel niets opmerkelijks te beleven. Een stadsautoweg, goedkope hotels, supermarkten, woontorens, veel mensen. In de Parijse banlieue vind je soortgelijke wijken (op de palmbomen en andere exotische flora na). Op het speelplein van een schooltje was een ceremonie aan de gang. In een steegje verkochten marktkramers fruit, groente, vissen en kippen (die, indien gewenst, ter plekke werden geslacht). Op het trottoir zat een mentaal gehandicapte jongen die veel te groot was voor het lichtblauwe kruippakje waarin hij was gekleed, muts op zijn hoofd, een hond op zijn schoot. Schattig, eerder dan schrijnend. Je kon bij de mensen binnenkijken. Rommel, grote televisies, rijstkokers. Veel armoede, maar in tegenstelling tot Parijs of Brussel geen enkel écht dramatisch tafereel. De laatste dag van mijn verblijf kwam ik per toeval (verloren gelopen, alweer) in een nog meer gehavende wijk terecht. De straat, Xin Min Jie, is intussen misschien afgebroken - ik hoop van niet. Alle huizen droegen, heel opvallend, het rode stempel. Sommige appartementsgebouwen stonden al volledig leeg. Af en toe gaapte er een gat tussen twee winkelpanden. Sommige gebouwen waren getransformeerd tot een berg gruis. Maar aan nieuwe constructies moest nog begonnen worden. In afwachting ging het leven gewoon door. Ook hier : slachtklare kippen en eenden, hompen vlees aan haakjes van ijzerdraad, plastic kuipen met vissen, stapels fruit en groente, een aangename drukte. Ik voelde mij op geen enkel moment bedreigd, of zelfs maar nagestaard. Het was vier uur 's namiddags, de zon had zich langzaam door de mist gegraven, en hogerop, langs de heuvelflanken, glinsterden de wolkenkrabbers. En ik voelde mij, heel even, perfect in mijn element, in de megalopolis in beweging, getransformeerd. TEKST EN FOTO'S JESSE BROUNSAls je niets begrijpt, is niets moeilijk, en dan kan alles.