Ze gaan dié toch niet slopen ?" vraag ik verontwaardigd aan de vriendin met wie ik per fiets in deze stationsbuurt ben beland. We zoeken een plek om te schuilen voor het onweer dat ons heeft verrast. De twee oude panden hebben charmante erkertjes en dakjes als een peperkoeken huisje. Blauweregen druipt nog nietsvermoedend van een gevel. Het reclamepaneel van een bouwfirma laat echter geen twijfel bestaan over het lot van de huizen : vier ruime herenwoningen, aan de schets te oordelen even comfortabel als zielloos, komen in hun plaats. Lijdzaam wachten de terdoodveroordeelden op hun executie. Deernis voel ik daarbij, als bij het zien van een platgereden lapjeskat aan de kant van de weg.
...

Ze gaan dié toch niet slopen ?" vraag ik verontwaardigd aan de vriendin met wie ik per fiets in deze stationsbuurt ben beland. We zoeken een plek om te schuilen voor het onweer dat ons heeft verrast. De twee oude panden hebben charmante erkertjes en dakjes als een peperkoeken huisje. Blauweregen druipt nog nietsvermoedend van een gevel. Het reclamepaneel van een bouwfirma laat echter geen twijfel bestaan over het lot van de huizen : vier ruime herenwoningen, aan de schets te oordelen even comfortabel als zielloos, komen in hun plaats. Lijdzaam wachten de terdoodveroordeelden op hun executie. Deernis voel ik daarbij, als bij het zien van een platgereden lapjeskat aan de kant van de weg. Regen valt nu op ons neer, lauw en dik alsof het geen druppels zijn maar overrijpe vruchten. Als ik zie dat de achterdeur van het fraaiste van de twee huizen obsceen openstaat, waag ik mij onder zwak protest van mijn vriendin ("Er zitten vast ratten") naar binnen. Donkerte. De muffe geur van oude kalk. Aan lege blikjes en kapotgeslagen flessen merk ik dat krakers al bezit hebben genomen van het pand. " Piet zijn moeder is een slet" staat met viltstift op een van de muren geschreven. De trap kraakt onder mijn voeten als ik naar boven klim. Zeven lagen afhangend behangpapier geven mij zicht op minstens evenzoveel decennia. "Niet schrikken als je die kamer daar binnengaat", waarschuwt mijn vriendin, toch mee binnengeglipt. De enorme, voodooachtige figuur die met rode verf op de muur is geschilderd biedt inderdaad een bloedstollende aanblik û vooral in het licht van een krakende bliksem buiten. Veel interessanter vind ik echter de papieren die in een onvoorstelbare chaos verspreid liggen over de vloeren van dit spookhuis. Het Leerboek van de dagelijksche ontledingen van melk û room û boter û kaas bijvoorbeeld, daterend uit 1942. Of de reclame voor " les bons sirops Cointreau û toute la saveur et toute la fraîcheur du fruit" met op de achtergrond een plannetje van de Expo '58. In een rondslingerend reclameblad zie ik dat een nieuwe FordAnglia in die periode 63.000 frank moet hebben gekost, een appartement in Brussel een miljoen. Tussen de documenten zit ook persoonlijker spul. Uit de telkens terugkerende naam kan ik afleiden dat een zekere Marcel D. C. dit huis moet hebben bewoond. In een mapje, groezelig van het stof, vind ik zelfs zijn thesis terug met als belangwekkende onderwerp : Dekafbepaling der brouwgerst. " Beste vriend Marcel", luidt dan weer de aanhef van een brief die verstuurd werd op 4 december 1945 : " Ik begin zoo stilaan een meer realistische opvatting over het soldatenleven te krijgen. Zoo kan ik mij wel een flauw idee vormen van wat Uw leven ginds moet zijn." " In 't algemeen stel ik het hier tamelijk goed", antwoordt Marcel nonchalant van tussen de Duitse puinen. " Ik heb ook veel te danken aan het mooie weder hier. Het gelijkt meer op paaschtijd dan op Kerstdag." Kapotte tegels en gebarsten sanitair. Geboortekaartjes, rouwprentjes en het menu van een trouwfeest. Foto's van Marcel D.C. zelf zijn er niet bij, hij komt uitsluitend in roestige, afgebleekte woorden met spinnenpootachtige letters tot mij. Ook na de oorlog moet het hem nog meegezeten hebben. In de rommel tref ik een exemplaar aan van Het Eigenaarsblad, naast een hoop papier dat met het verhuren van woningen te maken heeft. De volgende brief die ik uit het troosteloze archief opvis, maakt een sprong voorwaarts van bijna dertig jaar. " Geachte Heer D. C.", schrijft een huurder Marcel op 22 februari 1972 : " Met deze aangetekende brief laat ik U beleefd weten alsdat (sic ) we vanaf 1 april 1972 verhuizen. Aangezien U de huurprijs met 200 fr. per maand verhoogd (sic ) en dat deze prijs het niet waard is voor Uw huis, zijn we niet akkoord om deze opslag te aanvaarden. U doet nooit iets om Uw huis in goede staat te houden, het moet allemaal van Uw huurders komen." Dat valt me een beetje tegen van Marcel. Wat is er in die dertig jaar gebeurd, vraag ik mij af, dat hij van een vrolijke soldaat een verbitterde huisjesmelker is geworden ? Stierf zijn vrouw onverwacht ? Werd zijn liefde niet beantwoord door het meisje dat hij op een blauwe maandagmorgen ontmoette op de bus naar zijn werk ? Had Marcel eigenlijk kinderen ? Hield hij van boeken, koffie en halfzware shag ? Het antwoord op die vragen is hier wellicht nog ergens op de grond te vinden, in een van de duizenden beduimelde en stinkende vellen papier. Daar is nu echter geen tijd voor, mijn vriendin roept dat het opgehouden is met regenen. Als ik voorbij het reclamebord van de projectontwikkelaar rij, ben ik bijna opgelucht dat straks over dit verleden een laag vers beton wordt gestort. Wat voor gruwelijke misdaad zou deze Marcel hebben begaan, vraag ik mij uren later nog af, dat alles van waarde uit dit spookhuis verdween, terwijl de intiemste details van zijn onbeduidende leven er door nabestaanden zomaar te grabbel werden gegooid ? Jean-Paul Mulders