Txirimiri. Nergens omschrijft men miezerige regen zo lieflijk als hier. Terecht, want zelfs een dreigende hemel kan ons niet ontstemmen wanneer we San Sebastian binnenrijden. We worden meteen ingepalmd door de statige belle-époque-gebouwen in witte zandsteen. Neem nu Hotel Maria Christina, veruit het mooiste hotel van de stad. Hier voel je nog deauthentieke sfeer van het mondaine San Sebastian. Honderd jaar geleden waren de Spaanse vorsten hier te gast in hun Ma-drid-aan-Zee. Nu is het rijk aan film- en jazz-iconen die jaarlijks de prestigieuze stadsfestivals opluisteren. Vanuit hun koninklijke suites kijken ze uit op het kunstencentrum Kursaal, een futuristische versmelting van twee glazen kubussen die 's nachts oplichten in heldere tinten. Hier klopt al tien jaar het cultuurhart van de stad, waar derode lopers worden uitgerold.
...

Txirimiri. Nergens omschrijft men miezerige regen zo lieflijk als hier. Terecht, want zelfs een dreigende hemel kan ons niet ontstemmen wanneer we San Sebastian binnenrijden. We worden meteen ingepalmd door de statige belle-époque-gebouwen in witte zandsteen. Neem nu Hotel Maria Christina, veruit het mooiste hotel van de stad. Hier voel je nog deauthentieke sfeer van het mondaine San Sebastian. Honderd jaar geleden waren de Spaanse vorsten hier te gast in hun Ma-drid-aan-Zee. Nu is het rijk aan film- en jazz-iconen die jaarlijks de prestigieuze stadsfestivals opluisteren. Vanuit hun koninklijke suites kijken ze uit op het kunstencentrum Kursaal, een futuristische versmelting van twee glazen kubussen die 's nachts oplichten in heldere tinten. Hier klopt al tien jaar het cultuurhart van de stad, waar derode lopers worden uitgerold. We maken ons op voor een stevige wandeling langs de kustlijn, van het sportieve strand, waar surfers de hoge golven te lijf gaan, naar de elegante, chiquere kant met zijn pittoreske baai. Halverwege stuiten we op een reusachtige sculptuur van de 20ste-eeuwse, lokale kunstenaar Eduardo Chillida. De kilometerslange wandelwegen langs het strand - sierlijke paseo's die zowat de hele stad afboorden - lopen vol, maar hier geen blitse karretjes of bruingeblakerde bovenlijven. In San Sebastian - Donostia voor de Basken - wordt geflaneerd zoals het hoort, in stijl. Op de paseo m'as-tu vu lopen Amerikanen en Spaanse dagtoeristen, maar nog veel meer Donostiarras. De oudsten onder hen met hoog opwaaiende siercoupes, de jongeren flirtend in zomerjurkjes en lichte pakken. Hier wonen trotse burgers die houden van hun stad en die genoegen nemen met kleine, maar peperdure appartementjes in het centrum. De paseo is hun terras, het strand hun achtertuin. Als de avond valt, trekken we met de stedelingen het centrum in. Ons buikgevoel achterna, want het is tijd voor het aperitief. Achter de oude kathedraal worden de straten smaller en de mensen vrolijker. Het doet hier soms zelfs volks aan, zoals op dat binnenpleintje waar een spelletje pelota wordt gespeeld, een soort squash met de blote hand. De jonge Basken leven zich uit, terwijl hun ouders in een van de talloze bars aan de toog staan. Ook dat gebeurt hier eleganter dan bij ons. En iederéén doet het, van jonge meisjes tot oudere mannen. Ze bestellen zuritos of chiquitos, kleine scheutjes bier of rode wijn, in een veel te groot glas - naar eigen zeggen omdat ze grote neuzen hebben. En bij elk glas hoort minstens één pintxo, een hapje dat doet denken aan de tapas die je in de rest van Spanje vindt, maar fijner en van hogere kwaliteit. De lange bartoog staat vol met deze lekkernijen : broodjes met perfect gegaarde kabeljauw, sappige foie gras of kraakverse inktvis, rijkelijke schotels met gegrilde groene pepers, op smaak gebracht met grof zeezout, of gerookte pata-negraham. Toeristen herken je meteen aan de borden vol hapjes die ze naar hun tafels dragen, maar de Basken zelf nemen de pintxos in de hand, terwijl ze aan de toog discussiëren over politiek of eten, hun favoriete onderwerpen. Servetjes belanden nonchalant op de grond, die om de paar uren wordt schoongeveegd. Na een twintigtal minuten is het tijd voor de volgende bar, de chiquiteo's achterna. Deze 'barhoppers' trekken traditioneel van toog naar toog, waar ze telkens de specialiteit van het huis proeven. Vaak zijn het oudere heertjes die hier de vooravond doorbrengen, in afwachting van hun avondmaal, bij la madre thuis. Na enkele traditionele pintxos-bars proberen we A fuego negro (calle 31 de Agosto 31) uit. Een moderne variant, waar geëxperimenteerd wordt met de moleculaire keuken. Hier zijn de hapjes tot in detail uitgekiend, de bar kreeg in 2007 niet zomaar de prijs voor 'de beste pintxo in Baskenland'. De barman bereidt enthousiast zijn paradepaardje, txitxarro : een toast van kersenmerengue met daarop schapenkaas en makreel. Dat smaakt naar meer. We krijgen nog een glaasje voorgeschoteld met bittere jelly, citroenschuim, mosselen, kokkels en slakjes. Deze culinaire hoogstandjes zijn nog maar een begin in deze fijnproeversstad, die het grootste aantal sterrenrestaurants per vierkante meter telt. Een paradijs voor wie van verfijnde keuken houdt en een stuk minder duur dan bij ons. De volgende ochtend schijnt de zon en dus banen we ons een weg naar boven, naar de top van Monte Igueldo. Van hieruit heb je een prachtig uitzicht over de badstad met haar hoge golven enbelle-époqueweelde. Maar ook de top is een attractie op zich. Helemaal bovenaan staat Hotel Monte Igueldo, waar zó een remake van Kubricks The Shining kan gedraaid worden, inclusief de onheilspellende kronkelbaan naar boven. Maar wat een uitzicht ! En vergeet niet even achterom te kijken : naast het hotel ligt een authentiek pretpark uit 1912 ! De carrousel en botsauto's liggen er wat uitgerangeerd bij, maar elke nostalgische ziel kan zich zo verplaatsen naarde hoogdagen van dit parque de attrac-tiones, toen mooi uitgedoste kinderen hier smulden van gelakte appels en suikerspin, lachend naar een treintje dat langs kabouters en knipogende paddenstoelen tufte. Onze volgende etappe, langs perfect onderhouden tolwegen, leidt naar de officiële hoofdstad van de regio, Vitoria-Gasteiz. Meteen wordt duidelijk waarom deze stad als de leefbaarste van Spanje uit de bus komt. Je kunt er gratis stadsfietsen huren, in de oude steile straten rijzen futuristische rolpaden op, er worden talloze fiesta's georganiseerd, van experimentele jazz tot katholieke folklore, en het Artiummuseum biedt een uitstekende collectie moderne kunst. Maar de belangrijkste attractie voor de talrijke gestreste Madrilenen en Barcelonezen die naar hier afzakken is de natuur. Elke inwoner heeft hier recht op zijn groene plekje onder de zon : maar liefst 20 vierkante meter per persoon. De groene ruimte komt het mooist tot haar recht in het Salburuapark, waar we met een fietstaxi doorheen geloodst worden. Al is 'park' niet het juiste woord voor het grote natuurgebied. Er huizen meer dan 140 vogelsoorten, zonder de honderden trekvogels erbij te rekenen. De kilometerslange paden door drassig gebied doen wat denken aan het Knokse Zwin, maar dan zonder toeristen. Bij een van de vogelobservatoria wijst onze gids enthousiast naar ooievaars en wilde eenden, terwijl hij uitlegt hoe belangrijk dit gebied is voor de regio. Als argument voor het milieubewustzijn van de bevolking en tegen clandestiene jachtpartijen. Salburua is het grootste van vijf 'parken' die samen de groene gordel rond de stad vormen, een natuurlijke grens die de explosieve stadsgroei moet indijken. Na ons blitzbezoek aan de 'duurzame' maar niet echt spannende hoofdstad, arriveren we in dé toeristische revelatie van het laatste decennium, Bilbao, net op tijd om de zon te zien ondergaan achter het Guggenheimmuseum, een organische versmelting van wervelend titanium. Hét symbool van het nieuwe Bilbao, schoolvoorbeeld van een herwonnen paradijs. Vroeger werd de stad, overwoekerd door zware industrie, weggegomd uit elke reisgids, als een Charleroi van het zuiden. Nu is uit de fabrieksassen een magnifieke trekpleister verrezen. Tien jaar geleden was hier één park voor 400.000 inwoners en werd de weg naar de Nervion versperd door stinkende schoorstenen. Nu wandelen we langs diezelfde rivier tussen skatende, fietsende en kuierende stedelingen. Overal zijn er rustpunten : plantsoentjes, beeldhouwwerken en een voetgangersbrug van de vermaarde architect Calatrava. Vroeger was hier een vervuilende haven, nu worden we verrast door een frisse waterval die uit de museumgrond spuit, terwijl naast ons kinderen door de fonteinen rennen. Maar deze stad is méér dan het Guggenheim, hier is met durf geïnvesteerd in krachtige bouwsels van wereldbefaamde architecten. En er wordt nog volop gebouwd, ook in crisistijd. Het ene glazen, sculpturale project is nog maar afgerond of men gaat alweer een andere samenwerking aan, dit keer met niemand minder dan Philippe Starck, die moet helpen een oude ruïne om te toveren tot een modern, multifunctioneel centrum. Bilbao staat voor stadsvernieuwing pur sang. We worden wakker met zicht op het Guggenheim, in volle ochtendzon. Architect Frank Gehry creëerde een schitterend ontwerp dat tegelijk mooi en functioneel is. Het museum heeft prachtige ruimtes, waar de moderne kunstwerken, zoals het impressionante The Matter of Time van Richard Serra, tot hun recht komen. Hier wandel je niet van het ene werk naar het andere, je kunt ín, dóór en tússen de kunst wandelen. De Baskische regering heeft dit peperdure project volledig zelf gefinancierd en krijgt zo'n miljoen bezoekers per jaar in de plaats. Bovendien lijkt het museum wel organisch te passen in de stad. Het omhelst de brug over de rivier die er al stond, en de 33 miljoen tita-niumplaatjes verwijzen naar de zware industrie waarvoor de stad bekendstond. We nemen de vernieuwde tram naar het gezellige oude stadscentrum. In de zeven smalle straatjes, waar het voor Bilbao ooit begon, vind je heerlijke pintxos-bars die niet moeten onderdoen voor hun soortgenoten in San Sebastian, naast klassieke winkels met prullaria en Baskische souvenirs. Na een korte verpozing op de Plaza Nueva - een typische gran plaza waar het heerlijk mensen kijken is - duiken we een van de fosterito's in, wellicht de origineelste metrostations ter wereld, van de hand van Sir Norman Foster. Hier geen urinegeur of verstikkende gangen, maar brede, nette opstapplaatsen die de reiziger tot 40 kilometer ver brengen. Weer in openlucht, tijdens onze laatste stappen in deze stad, valt op hoeveel politie op de been is, zowel Baskische als Spaanse. Onze gids sust ons, de stad zal wel een of andere hoge piet op bezoek krijgen. Maar even schiet het gevreesde drieletterwoord ons toch door het hoofd : ETA. Als we ernaar polsen, wordt de vraag netjes afgewimpeld. "Natuurlijk zitten hier nationalisten, zo'n dertig procent, maar in Vlaanderen toch ook ? En voor het eerst in dertig jaar zit er geen enkele nationalist in de regering." De enige sporen die wij zagen, hingen als graffiti op eenzame muren. Maar één dag nadat we terug in Brussel waren, viel weer een bom : "ETA-aanslag op politie-inspecteur." Bilbao is in menig opzicht de spannendste stad van Spanje. Door Stefanie Van den Broeck - Foto's Charlie De Keersmaecker