De jaren vijftig

Rykiel, geboren in 1930, groeit op in Parijs en op het platteland, in een burgerlijk, welgesteld gezin. Haar moeder is van Russische afkomst, haar vader een Roemeen. Haar jongere zussen worden psychoanalytica, professor aan het Collège de France. Zelf weet ze het niet zo goed. Ze is een garçon manqué. Jij wordt nooit een vrouw, vreest haar moeder. Die probeert op een bepaald moment tevergeefs de rode haren van haar dochter te bleken. Rykiel mag dan al veelvuldig ravotten, ze droomt ook van een sprookjeshuwelijk, van een nest van minstens tien kinderen. Mode, een futiel onderwerp, wordt in het gezin zelden of nooit besproken. Maar Rykiel maakt wel al zelf kleren. Uit noodzaak, zegt ze. Ze vindt niets dat haar past. Haar eerste baan, gevonden met hulp van haar moeder, is minder ambitieus dan die van haar zussen. Ze werkt als etalagiste in La Grande Maison du Blanc. Ze krijgt er een compliment van een klant die vindt dat ze de dassen in de vitrine bijzonder goed heeft gekozen. De klant is de schilder Matisse, zo hoort ze later.
...