Het is zonnig en druk en in een restaurant langs de snelweg naar Luxemburg wordt geduwd en getrokken om croissants, slappe broodjes, tomatensoep en koffie. Mijn gezellin en ik hebben honger en duwen even mee. Ik wil een Vlaamse krant, maar niet één is de taalgrens over geraakt. Voorbij Namen verlaten we de autostrade en krijgen we tweevakswegen die lijken op een kermisattractie : een roetsjbaan vol onverwachte bochten, steiltes en diepe dalen. Bij de imponerende kasteelhoeves die her en der, in godvergeten tijden, zijn neergeploft, horen akkers, groot als mijn dorp in het Waasland. De bomen die langs de randen de wacht houden, zijn veelal oude, wijze eiken. Ze hebben ogenschijnlijk geen last van de klimop die hen belaagt en die hier en daar al een kruin heeft bereikt. Onze kermis heeft ook zijn 'griezelkot'. Langs de grachtkant ligt een dode, halfvergane vos ; boven hem - als zijn ze al drie dagen aan de rol ! - flapperen slodderige kraaien in de lichte bries. Soms zien we in een lichtflits op water de Ourthe, die zich in bochten wringt tussen heuvels en bergjes. Minder fraai : de campings langs de rivier, met op elke caravan of bungalow de volle maan van een schotelantenne. We passeren Durbuy, waar het nu drukker is dan op de dijk in Blankenberge. Op de terrassen vol Vlamingen en Hollanders werken kelners zich te pletter.
...