Een mojito in een Japans restaurant in Toronto ? Mijn tafelgenoten kijken vreemd op, maar ik heb een waterdicht alibi. Dat zit zo : in de lift naar mijn kamer op een topfloor van het Fairmont Royal York Hotel bots ik tegen een keukenchef aan, met in zijn handen een schaar en een maatbeker. Nieuwsgierig wil ik weten wat zijn mission is. Als blijkt dat de man verse kruiden gaat plukken op het dakterras, vier hoog en pal in het hart van Toronto, vergezel ik hem naar de daktuin. Enkele citrusbomen, laurier, tijm, tuinkruiden en verse munt bij bosjes... Zelfs een collectie bijenkorven. "Op de vergunning voor de bijen moesten we aangeven of de kolonie dicht bij een woonbuurt gehuisvest zou worden", glimlacht de chef. De hoogbouw van downtown weerspiegelt het huwelijks-taartprofiel van het Fairmont Royal York, een statige, negentigjarige grande dame in een zee van naoorlogs glas en beton. De munt in mijn moijto, als het ware een specialiteit van het huis, is dus homegrown. En bovendien : profileert Toronto zich niet als dé melting pot, de multiculturele metropool met de meest diverse bevolkingsmix, een lappendeken van nationaliteiten in evenzoveel kleurrijke buurten ?
...

Een mojito in een Japans restaurant in Toronto ? Mijn tafelgenoten kijken vreemd op, maar ik heb een waterdicht alibi. Dat zit zo : in de lift naar mijn kamer op een topfloor van het Fairmont Royal York Hotel bots ik tegen een keukenchef aan, met in zijn handen een schaar en een maatbeker. Nieuwsgierig wil ik weten wat zijn mission is. Als blijkt dat de man verse kruiden gaat plukken op het dakterras, vier hoog en pal in het hart van Toronto, vergezel ik hem naar de daktuin. Enkele citrusbomen, laurier, tijm, tuinkruiden en verse munt bij bosjes... Zelfs een collectie bijenkorven. "Op de vergunning voor de bijen moesten we aangeven of de kolonie dicht bij een woonbuurt gehuisvest zou worden", glimlacht de chef. De hoogbouw van downtown weerspiegelt het huwelijks-taartprofiel van het Fairmont Royal York, een statige, negentigjarige grande dame in een zee van naoorlogs glas en beton. De munt in mijn moijto, als het ware een specialiteit van het huis, is dus homegrown. En bovendien : profileert Toronto zich niet als dé melting pot, de multiculturele metropool met de meest diverse bevolkingsmix, een lappendeken van nationaliteiten in evenzoveel kleurrijke buurten ? "Er is geen officiële cultuur", zo verwoordt de legendarische president Trudeau het voor de deur van het hotel, aan de voeten van het Monument voor het Multiculturalisme : " No citizen is other than Canadian." "We oordelen niet", bevestigt historicus en stadsgids Bruce Bell. Zoals de meeste Torontonians is Bruce een immigrant. Ongeveer de helft van de inwoners van de stad werd in het buitenland geboren, en bijna een vijfde arriveerde na 1991. "De 1200 personeelsleden van het Fairmont Royal York hotel spreken samen 53 talen, als een echte toren van Babel", vertelt mijn gids. Arthur Hailey, bekend van de bestseller Hotel en de gelijknamige tv-serie, deed zijn research hier, tijdens een verblijf van vele weken waarbij hij het personeel op de voet volgde. "Aan het begin van de negentiende eeuw, toen Toronto boomde als industrieel centrum van Canada, vonden rijke industriëlen, bankiers en stadsontwikkelaars inspiratie in Europa. Langs de voornaamste assen van downtown, zoals King, Wellington, Front and Yonge Street, verschenen statige panden in Second Empire, de stijl waarvoor zelfs Franse architecten in bewondering stonden", vervolgt Bruce, net terug van een bezoek aan Parijs. "Maar anders dan in de Franse hoofdstad, blijven in Toronto slechts snippers van de negentiende-eeuwse elegantie bewaard. Vanaf midden jaren vijftig transformeerden wolkenkrabbers, staal en beton downtown Toronto. Tussen 1955 en '75 moesten 25.000 oude huizen plaatsmaken voor een ambitieus Urban Renewal Plan." We zitten in de opulente lobby van het Fairmont Royal York, een van de overlevende negentiende-eeuwse bakens van elegantie. Van buitenaf gezien een kruising tussen een stalinistische wolkenkrabber uit Moskou en een Frans Loirekasteel, binnen versierd met overvloedig marmer, houtsnijwerk en cassetteplafonds, rode lopers en de grandeur van een vervlogen epoque. Midden in de receptie pronkt een enorme klok. "Opdat hotelgasten hun trein niet zouden missen", verduidelijkt Bruce. "Toen de Canadian Pacific Railway Company treinverbindingen met het verre westen begon te ontwikkelen, bouwden ze ook een netwerk van imposante hotels. Bij de opening, midden 1929, was het Royal York met zijn 28 verdiepingen het hoogste gebouw van de Britse Commonwealth. Het Britse koningshuis heeft hier al drie generaties een suite ter beschikking." Via enkele trappen en een tunnel wandelen we van de hotellobby naar de grandioze stationshal aan de overkant van Front Street. De ondergrondse doorgang is het begin van Path, een netwerk van tunnels en overdekte loopbruggen dat ruim vijftig wolkenkrabbers, vijf metrostations, hotels en winkelcentra verbindt. Nu, begin juni, ligt de ondergrondse stad er verlaten bij, maar de lange koude winter overleven de Torontonians enkel dankzij de 27 kilometer verwarmde Path-tunnels en loopbruggen. "Het grootste ondergrondse winkelcomplex ter wereld", pocht Bruce. Terug bovengronds flaneren we langs Front Street, waar voor de landwinning van de twintigste eeuw schepen aanmeerden aan de kade, naar de Hockey Hall of Fame met zijn gebrandschilderde koepel. Het museum voor dé nationale sport is gehuisvest in het monumentale gebouw van de Bank of Toronto, een van de twaalf historische panden die geïntegreerd werden in BCE Place, een duo wolkenkrabbers verbonden door de imposante Allen Lambert Galleria. Deze Crystal Cathedral of Commerce, een kathedraal van staal en glas, licht en schaduw, 110 meter lang en ruim 24 meter hoog, draagt overduidelijk de handtekening van bouwmeester Santiago Calatrava, bij ons bekend van het nieuwe tgv-station in Luik. Een blok verder pronkt de Flatironbuilding, een voorloper van het gelijknamige hoekpand in New York. Via de kathedraal van St James, waar dames in bloemetjesjurken en met breedgerande hoeden ter kerke gaan ( very British, indeed) komen we bij de oudste waterbron van de Old Town of York, zoals de eerste stadsnaam luidt. Op de oever van het meer van Ontario ontstond hier in 1793 de Canadese versie van York, een pioniersstad die - door de vele overstromingen - al snel de bijnaam muddy York kreeg. Op de hoek van Jarvis en Front Street houden we halt in de trotse markthallen van St Lawrence, met een dagelijkse markt in de zuidhal en een zaterdagmarkt in de noordelijke hal. Stadsgids Bruce blijkt hier een beroemdheid te zijn, die zich handenschuddend als een burgemeester op campagne langs de delicatessenkramen een weg baant. We houden halt bij kaasmeesters, ambachtelijke slagers, worstendraaiers en maple syrup-bereiders. Aan een kraam trakteert Bruce mij op dé specialiteit van de markt, een broodje met sappig spek, een peamal beacon bun. Pikante mosterd scheppen we op bij de lokale mosterdmaker, een andere Canadese specialiteit. "Want 90 procent van alle mosterdzaad wordt in Canada verbouwd." Een paar blokken naar het westen verwijst enkel het straatnaambordje Parliament Street en een gedenkplaat naar de locatie van de eerste Canadese regeringsgebouwen, na een stadsbrand niet meer dan een publieke parkeerplaats. Het hart van Old Town klopt in het Distillery Historic District. De gigantische openluchtfilmstudio is sinds 2003 een wandelzone waar designwinkels en kunstgaleries, ateliers en cafés, dure boetieks en trendy eethuisjes de oude fabriekspanden, opslagplaatsen en mouterijen innemen. De Distillery, net niet zo oud als België, behoort tot het voornaamste Victoriaanse industriële erfgoed van Noord-Amerika. In 1877 was Gooderham and Worts Distillery, met zijn veertig gebouwen, de grootste ter wereld. Tot 1990 werd hier whisky gestookt, later werden er duizenden televisieseries, muziekvideo's en films ( X-Men) gedraaid. Tijdens deze zomerse avond, met de rand-animatie van het Luminato Festival of Arts and Creativity, heerst er een gezellige drukte, vergelijkbaar met de ambiance op Tour & Taxis in zijn beste doen. Hoe anders is Toronto twaalf blokken naar het westen, tussen de overvloedige groentekramen en winkeltjes van Chinatown. Zijden kimono's, gedroogde oesters, gelakte eend, verdacht uitziende specialiteiten, prullaria en goedkope souvenirs : alles schreeuwt om aandacht in de Dragon City Shopping Mall langs Spadina Avenue. Verder noordelijk op deze avenue verdwijnt Chinatown even plots als het verscheen, om plaats te maken voor de universiteitsgebouwen in neostijlen, Oxford waardig. Hier ligt ook de levendige Kensington Market, met zijn tweedehands en vintage kleding en meubelwinkels. Prijziger is Bloor St, waar Chanel, Gucci and the likes een Parijse elegantie etaleren. In de jaren zestig was Bloor-Yorkville een hippiehang-out, waar Joni Mitchell en Neil Young in koffiehuizen debuteerden. Anno 2008 is de wijk hip zonder meer, voor hippies met poen. De hedendaagse artistieke scène zoekt zijn toevlucht net buiten het centrum, West Queen West, waar steeds meer galeries openen tussen de hardware stores en buurtwinkels. The Drake en The Gladstone, twee kunstzinnige hotels in historische panden, zetten hier de standaard. Ook projectontwikkelaars ontdekten Toronto's nieuwe place to be, blijkt uit de vele lofts die tussen Bathurts Avenue en Gladstone Avenue in de steigers staan. Tekst en foto's Jo Fransen