Een bezoek aan een buurtspeeltuin in een Amerikaanse grootstad is vaak een hallucinante ervaring. Peuters zitten er niet met elkaar, maar elk met hun eigen moeder te spelen. Die komen aanzetten met peperdure kinderwagens en slaan elkaar om de oren met nieuwtjes over waar de beste organische kinderhapjes, educatieve dvd's en boeken over nieuwerwetse opvoedingsmethodes te vinden zijn. Het gebeurt allemaal op een ostentatieve toon van zusterschap, maar vergis u niet : hier heersen nijd en competitie. Wiens kind eet het best ? Wiens kind slaapt het best ? Wie loopt er het hardst en spreekt er het vlotst ? En, niet op de laatste plaats, wat zegt dat over mij ? Wie niet mee is, doet wellicht niet genoeg om zoons of dochters bestwil. En - men zegt het op samenzweerderige fluistertoon - is wellicht een slechte moeder. Veel van de moeders hier zijn dertigers en vroege veertigers, hoogopgeleide professionals die bewust voor het huismoederschap gekozen hebben en de opvoeding van hun kinderen opvatten met hetzelfde perfectionisme waarmee ze een doctoraatsthesis of een productlancering zouden aanpakken. Wie het beste kind heeft, is de beste moeder en vloert de concurrentie.
...