Als een losgebroken halssnoer volgen de smaragdgroene eilanden de westkust van het Indonesische Sumatra. We staan op de rand van het Aziatische continent. Vanaf hier is er alleen water dat vanuit Afrika voortgestuwd wordt en op de steile westkust inbeukt. Door de natuurlijke isolatie heeft de cultuur van de Mentawai haar archaïsch karakter gedeeltelijk kunnen bewaren. Twee weken lang laten we ons meevoeren op het levensritme van Siberut.

Met volle vaart schuift de prauw over het wateroppervlak, op weg naar Alimoi. De nederzetting bestaat uit een uma (wat gemeenschapshuis of gemeenschap betekent) en vijf paalwoningen. Deze traditionele gemeenschapshuizen liggen op onregelmatige afstand van elkaar verscholen in de jungle. Meestal zijn ze gebouwd aan de rivieroever in een dal van het heuvellandschap.

Sommige tradities van de Mentawai gaan zesduizend jaar terug, toen hun voorouders van het vasteland van Zuidoost-Azië naar Indonesië emigreerden. Door latere invloeden van buitenaf, zoals het hindoeïsme en de islam, is er op de andere Indonesische eilanden weinig overgebleven van deze tradities. De Mentawai werden hier niet mee geconfronteerd en ontwikkelden zich duizenden jaren lang op hun eigen manier.

Pas in het begin van deze eeuw kwam er een einde aan het koppensnellen. Mede door ziekten als malaria bleef de bevolkingsdichtheid laag. Wegen zijn er niet op Siberut. De enige manier om de "dorpen" te bereiken, is per prauw de kronkelige rivieren te volgen die het hele eiland in de vorm van een spinnenweb bevloeien. Soms is het waterpeil zo laag dat je te voet over de modderige oevers verdermoet. De kano met de bagage, voedselvoorraad en brandstof wordt dan voortgetrokken.

Wij hebben geluk; de afgelopen dagen heeft het fel geregend. Het water in de rivier staat hoog. Toch blijft het een onvoorspelbare tocht. Stroomversnellingen maken de boot soms onbestuurbaar. Een paar keer komen we vast te zitten in eilandjes van meegesleurd bamboe, waar we ons met behulp van een machete uit bevrijden. Rotsen liggen verraderlijk verscholen net onder het wateroppervlak. Af en toe botst de schroef ertegenaan. Uiteindelijk begeeft de motor het en zwalpen we stuurloos rond. Tien uur lang zitten we ineengevouwen op het harde houten bankje van de wankele boot. De zon brandt meedogenloos. Vlak voor zonsondergang bereiken we de zijarm van de rivier die naar Alimoi leidt. Hier moeten we de kano achterlaten want het water is te ondiep. Anton, onze Mentawai-gids uit Siberut, schat dat het nog een dik half uur lopen is voor we de huizen bereiken. De avond valt snel en met zijn vieren kunnen we onmogelijk alle materiaal dragen. Samen met Valerius, Antons zoon, ren ik over een smal junglepad om enkele mensen te halen. De gids en de fotografe blijven bij de boot, want zelfs hier liggen dieven op de loer.

Aangekomen bij de uma blijken alleen Baidieilieduk en haar jonge dochter Agnes er te zijn. Ik had al vaker foto's gezien van de traditionele Mentawai. Toch schrik ik even als ik plots oog in oog sta met deze van kop tot teen getatoeëerde halfnaakte vrouw. Alleen een lendenband en vele kraalsieraden bedekken haar lichaam. Agnes ziet er in haar westerse slonzige kleding heel wat minder sierlijk uit. Ze is druk in de weer met kippen vangen. Die worden 's nachts in draagmanden in de nok van het huis opgehangen. Als ik me weer omdraai, zijn Valerius en de vrouw in het oerwoud verdwenen. Ik blijf achter in de paalwoning, zonder bagage, voedsel of muskietennet, alleen vergezeld van de sprakeloze Agnes en het aanzwellend geluid van de omringende jungle. In één klap valt de nacht, alsof iemand de schakelaar omdraaide.

Dikke regendruppels kletteren onophoudelijk op het palmbladeren dak van de uma. In de open leefruimte van de woning verdwijnt de duisternis nooit volledig. Via een boomstam, waarin met een bijl een paar treden zijn uitgehakt, bereik je het platform van de voorgalerij. Daar probeerden we vorige nacht wat te slapen, op een rolmatje onder ons muskietennet. Het bleef bij wat indommelen, want de voorgalerij is ook de ontmoetingsplaats bij uitstek voor de Mentawai. Buren stroomden binnen, nieuwsgierig naar de bezoekers en de laatste nieuwtjes uit Muara Siberut. Urenlang praatten en lachten ze in het voor ons onverstaanbare Mentawai. Honden liepen tussen onze slaapplaatsen. Telkens ze krabbend of bijtend de achtervolging van een vlo inzetten, werd de plankenvloer geteisterd door trillingen.

Sinds vijf uur deze ochtend, na de kraaicompetitie tussen onze haan en die van de buren, zijn de legkippen weer uit hun manden gehaald. De andere komen langs de schuingeplaatste rotanstok klapwiekend uit de boomtakken en stappen nu kakelend over de voorgalerij. Steeds weer jaagt onze gastvrouw ze met een his-toontje weg. Zij heeft blijkbaar weinig last van het slaapgebrek. Sinds zonsopgang zit ze op de harde bamboestronken vloer dakpanelen te vlechten uit sagopalmbladeren. Een halfopgebrande sigaret is in de spleet tussen haar voortanden geperst. Stoelen of tafels zijn hier onbekend. Vanuit het topje van een sagopalm waarschuwt haar zoon Garaduep ons voor de neervallende bladeren. Sago is de kern van het bestaan van de Mentawai: uit het merg wordt een meel gestampt dat het basisvoedsel is. Vermengd met water vormt het een beige brei waarmee lange sagobladeren worden gevuld, opgerold en geroosterd tot een papierachtige staaf. Slechts bij speciale gelegenheden staat een varken of kip op het menu. De gewone sagomaaltijden worden aangevuld met tussendoortjes van jackfruits, kokos en bananen.

Vandaag blijven we in de uma. We willen even bekomen van de tocht en vooral van de cultuurschok die je hier overvalt. Twee dagen geleden aten we nog Kentucky Fried Chicken in een koel fastfoodrestaurant in Sumatra's havenstad Padang. Nu rommelen we in de voedselvoorraad om wat koffie te bereiden op het houtvuur. Een modderig pad leidt naar de rivier die de volgende dagen onze openluchtbadkamer wordt. Achter elke willekeurige bananenboom schuilt het toilet. Het levensritme hier heeft een slakkengangetje. Je staat op, misschien gebeurt er wat, en dan ga je weer slapen.

In het dagelijkse leven bestaat er geen hiërarchie tussen de leden van de umagemeenschap. Iedereen heeft dezelfde rechten en plichten. Een duidelijk werkverdelingspatroon tussen man en vrouw is er wel. Meestal verdwijnen de mannen de hele dag naar de hoger gelegen varkenshuizen. Deze ochtend blijft Amandieilieduk hier. Hij splijt rotan tot fijne repen om de dakpanelen aan elkaar te rijgen. Ook het verwerken van de sagopalmen of het bouwen van een kano is een mannentaak. De vrouwen werken in en rond het huis. Zij verzorgen de kippen en verbouwen taro-knollen. Sinds kort wordt de traditionele subsistentie-economie aangevuld met handelswaren als kokosnoten, rotan of bananen die de Mentawai langs de rivieroevers aanplanten. Deze producten ruilen ze met Maleise handelaren uit Sumatra tegen metalen voorwerpen als bijlen, kapmessen, maar ook stoffen voor muskietennetten en lendendoeken. Zelf kennen ze geen metaalbewerking of weefkunst, en ook het vervaardigen van aardewerk is hen vreemd.

Muskietennetten zijn hier onontbeerlijk. Door het vochtige klimaat en de nabijheid van de rivier heerst er op Siberut ontzettend veel malaria. De Indonesische autoriteiten kunnen of willen die niet onder controle krijgen. De stammen in de jungle beschouwen ze vooral als "primitieve lastposten" die zo snel mogelijk in "nette" dorpen samengebracht moeten worden. Madobak en Ugai zijn zo'n regeringsdorpen. Ze zijn meestal gemakkelijk te bereiken en bestaan uit eengezinswoningen rond een kerk en een school. Soms vind je in zo'n dorp ook huizen in umastijl, waarin vreemd genoeg moderne details zoals ramen geïntegreerd worden.

Jaarlijks sterven honderden mensen, vooral kinderen, aan de gevolgen van malaria en andere infectieziekten. Ook hier in Alimoi liggen momenteel vier kinderen, van de familie die in de grote uma woont, op sterven in het nabijgelegen regeringsdorp. Oorspronkelijk zouden we bij hen logeren, want de uma is groter en ligt op een zonnige open plek aan de rand van de rivier.

We lopen er even heen om een duik te nemen in het natuurlijke zwembad achter het gebouw. De voorgalerij is rijkelijk versierd met ceremonietrommels. Ze zijn uitgehold en overspannen met de huid van varanen. Aan de ingang bevindt zich een tuddukat. Deze enorme spleettrom wordt gebruikt om berichten over te seinen naar de andere uma's of om de voorouders te danken voor het jachtwild dat hun eigendom is. De decoratie van het huis zelf is eerder luguber. Aan de buitenkant van de voorgalerij bengelen rijen schedels van apen en wild. Op dezelfde hoogte hangen aan de binnenkant varkensschedels. De Mentawai geloven dat de ziel van elk levend wezen na de dood blijft voortbestaan. Bij alles wat men in het dagelijkse leven doet, moet men proberen deze zielen gunstig te stemmen. De schedels van geslachte huisdieren, wild en apen worden dus in het huis opgehangen zodat ze de goede zielen lokken en die in de gemeenschap houden. Voor de voorouders worden uit hout gesneden vogels in de voorgalerij opgehangen. Hun geesten zijn speels en worden door deze schommelende figuren gelokt en geanimeerd.

Zoals het in de Mentawai-gemeenschap hoort, is de hele familie in het dorp om de zieke kinderen te verzorgen. Ondertussen voorzien de buren hen van bananen, sago en ander voedsel. Af en toe komt een familielid langs om fruit op te halen en verslag te doen. Uit de manier waarop de vrouw een van de kinderen nabootst, begrijpen we dat de situatie zeer kritiek is. Het kind overlijdt de volgende dag.

Reizen op Siberut mag dan wel zeer interessant zijn, zonder gevaar is het niet. Op het rooms-katholieke kerkhof van Muara Siberut ligt Gijs Schneeman begraven, een jonge Nederlandse musicoloog die hier na een paar maanden veldwerk aan malaria bezweek. Aan boord van de Sumbereseki, die ons van Padang naar het eiland voer, waren er twintig jonge dokters en een paar opgesmukte dokteressen. Op mijn vraag naar hun opdracht antwoordden ze dat ze de ziekten op het eiland zouden "onderzoeken". Later bleek dat ze amper de jungle introkken. Wel liepen in Muara een paar dagen na hun aankomst tientallen jongetjes rond in de sarong die gedragen wordt na de besnijdenis.

Terwijl er anders steeds buren komen en gaan, lijkt vanavond iedereen samengeroepen voor een vergadering. Grootvader Amanseurat zit, geflankeerd door zijn twee zonen Amanpasisi en Amandieilieduk, verzonken in een diep gepeins. Het lijkt wel of hij inspiratie zoekt in het diep inhaleren van de tabaksrook. Ook de vrouwen en de buren zitten in de cirkel. Er wordt gretig gerookt. Mentawai roken de hele dag door, ook jonge kinderen rollen al snel hun eerste sigaret. Via ruilhandel komen ze aan tabak uit Sumatra. Allemaal verkiezen ze Europese en Amerikaanse sigaretten, die ze wat al te vaak van reizigers aftroggelen. De tabakskokers van jonge kokosnoten, die vroeger vastgemaakt werden aan de lendenband, zijn vervangen door verfrommelde plastic zakjes. Gelukkig is dit ongeveer de enige vorm van plastic verpakking die je hier in de jungle aantreft.

Het gesprek duurt de hele avond. Het is niet de ziekte van de kinderen die ze bespreken. Vandaag bemerkte Amanseurat, bij zijn aankomst op de heuvel waar hij al verschillende dagen een kano aan het uithouwen is, dat de boeg van het vaartuig over één meter barstte. Meteen wordt er naar een verklaring gezocht, tot blijkt dat een van de zonen vandaag rotan splijtte. De oude wijze man vertelt dat hij daardoor de ziel van de kano verstoorde. Volgens de Mentawai heeft alles uit de dagelijkse omgeving een ziel. Geen enkel object kan willekeurig gebruikt worden. Voorwerpen worden aan elkaar voorgesteld en moeten akkoord gaan met hun gebruik. De mens moet daarom voortdurend met de ziel van de objecten communiceren en de karakteristieke eigenschappen van de dingen respecteren. Zo past splijten niet bij het wezen van een massief object als een kano. Daarom mag je geen rotan splijten zolang je een kano bouwt, want dan voelt de kano zich niet gerespecteerd en zal ook hij snel splijten. Na deze verklaring valt er een doodse stilte. De groep besluit zo snel mogelijk een varken te offeren om de zielen weer gunstig te stemmen. De oude man hoopt dat de kano dan niet verder zal barsten.

Vroeg in de ochtend vertrekt Amandieilieduk met een prachtig gevlochten draagmand naar het varkenshuis. Deze kleinere paalwoningen liggen vaak in de buurt van de velden. Behalve varkens worden er ook kippen gekweekt. Soms trekt een familie zich er een tijdje terug om te genieten van de privacy die er in de uma niet is. Pas tegen de avond duikt Amandieilieduk weer uit de jungle op met een machete in de hand. Bovenop zijn haarknot prijkt een kleurrijke pluim. De geknevelde big in de mand gilt als een pasgeboren baby. Noch Agnes, die zich altijd als een geest in het huis voortbeweegt maar de beste zangeres schijnt te zijn, noch Bai maken aanstalten het varken te doden. Koelkasten zijn er niet en een warme maaltijd voor het slapengaan behoort niet tot de traditie van deze mensen. De hele nacht overstemt het geschrei van het bange dier alle junglegeluiden. Mijn oordopjes en slaappillen verdienden zeker hun plaatsje in de rugzak.

Bij het ochtendgloren treft men de voorbereidselen voor het feestmaal. Op het achterbalkon wordt de keel van de big overgesneden, de druipende maag wordt door het huis gedragen, het vlees gekookt en daarna nog even geroosterd. Ondertussen zijn alle buren en familieleden toegestroomd, want een feestmaal moet gedeeld worden. Agnes bereidt zorgvuldig de sago, terwijl de anderen het vlees snijden of toekijken. Op de grond van het voorhuis liggen bananenbladeren verspreid, voor elk gezin een. Daarop worden de verschillende porties vlees gelijk verdeeld. We worden uitgenodigd om een hapje mee te eten, maar het varkenshaar dat hier en daar tussen de saus uitsteekt kan me niet overtuigen. Ik proef even van het smakeloze sagostaafje en besluit later een oplossoepje te maken.

Nu het offer gebracht is, kunnen we mee de berg op om een kijkje te nemen in het "atelier" waar de kano gebouwd wordt. Het snikhete middaguur blijkt de mannen niet te storen. We volgen de enorm brede voeten met de gespreide tenen van Amanseurat en een van de zonen. Nu pas in het zonlicht zien we hoe mooi zo'n gespierde, met evenwijdige bogen getatoeëerde bil is. In de draagmand steken twee bamboekokers die gevuld zijn met bronwater. Enkele bananenbladeren zijn in de opening gedrukt. Steeds dieper dringen we het oerwoud in.

Het heuvelachtig binnenland is door zijn zachte aardlaag erg door erosie aangetast. De dagelijkse regens hebben de heuvels geslepen tot steile berghellingen, waartussen kleine beekjes het water naar de rivieren dragen. De dichte jungle bedekt 90% van het eiland en vormt de enige bescherming tegen erosie. Tegelijkertijd wordt deze schat aan tropisch hout voortdurend bedreigd door bosontginningsbedrijven.

De tropische begroeiing in het woud is schitterend, maar we moeten ons te veel concentreren op het stappen om er echt van te genieten. Als circusartiesten balanceren we op mossige boomstammen, klampen we ons vast aan lianen of waden we door kniediepe beekjes. Het is vooral moeilijk een keuze te maken tussen blootsvoets wandelen en in doorns stappen, of kilometers soppen in natte schoenen waarin riviersteentjes knellen.

Het hoogste punt van het eiland ligt slechts op 384 meter, maar de geringste beklimming betekent in dit klimaat een uitputtingsslag. Twee heuvels moeten we trotseren. Rood aangelopen komen we aan bij de beruchte kano. Het pad dat we volgden, werd slechts een week geleden vrijgemaakt om de tien meter hoge boom te bereiken. Niet alleen die reus werd geveld, de omliggende bomen werden eerst verwijderd om plaats te maken voor het atelier. Met wat sagobladeren bouwden de mannen een halfopen punthuisje tegen de zon en de regen. Hieronder wordt ook een vuurtje gemaakt om het water in de vlambestendige bamboekokers te verwarmen. Als de stop van bladeren bruin kleurt, is het water gekookt en drinkbaar. Amanseurat zit rokend bij de gebarsten boeg en lijkt een gesprek met het vaartuig aan te knopen. Misschien probeert hij de ziel van de kano gunstig te stemmen en vertelt hij over het feestmaal.

Ook de ziel van de levende mens kan zich van het lichaam losmaken en even ronddwalen. Wordt de ziel op die tochten bang, dan kan hij zijn toevlucht nemen tot de voorouders en moet de mens sterven. Om ervoor te zorgen dat de ziel na deze escapades terugkomt, maken de Mentawai hun lichaam aantrekkelijk. Ze versieren zich met tatoeages, parelsnoeren en andere juwelen of vijlen hun tanden tot hoekige punten. De ziel houdt er helemaal niet van dat de mens verwijtend toegeschreeuwd wordt of zich haast, een bijgeloof waarvan ik droom dat het ooit in het westen aanhang krijgt. Ook nu op onze terugtocht naar Muara zegt Bai steeds weer "moile, moile" wat "traag, traag" betekent. Een deel van de familie begeleidt ons in de kleine sampan beladen met de motor en de bagage tot aan de motorboot. Bij ons afscheid betalen we hen met de gebruikelijke sigaretten en wat geld. De twee broers schenken we elk een zilveren oorring voor het laatste vrije gaatje in hun oorlel, in de hoop dat dit ook hun ziel vleit en dat ze lang blijven leven.

Tekst en foto's Els Vermeersch