Reacties : jp.mulders@skynet.be
...

Reacties : jp.mulders@skynet.beDan, alsof opeens de oorlog uitbrak, moet zij naar het ziekenhuis. Onverwacht en dringend. Even zie ik paniek in haar ogen. Dan klampt ze zich weer vast aan de concrete regeling van details. Wat er met de post moet gebeuren. Naar wie ik kan bellen als de verwarming het niet doet. Welke planten dorstig zijn en welke droogte verdragen. En passant leert ze me nog dat orchideeën bloeien uit schaarste. Moeders. Zou er een dag komen dat je niet meer van ze kan leren ? Dit is zo'n kantelpunt, denk ik als ik de sleutel van de garagepoort en een paar waslijsten vol nuttige gegevens krijg. Nu ben ik de roerganger. Prettig is dat niet. 's Avonds sta ik naar die foto te staren waarop ik op haar schoot zit. Wat was ze jong en levenslustig. Ze trok met de boot naar Kongo en maakte in het terugkeren, puur voor het plezier, nog vlug een omwegje langs Caïro en Rome. De laatste jaren vond ze Brussel al ver. Wat ze met heur haren moest doen, om er op de operatietafel patent uit te zien. Dat die vraag haar nog bezighoudt, is een goed teken. Aan kwade omina anders ook geen gebrek. Zoals ik is ze een aap, het teken waarvoor de Chinese hor(r)o(r)scoop op de dag van haar operatie kwalijke uren voorspelt. Lampjes springen onverwacht. Het kadertje met haar foto valt, vertoont een barst op de plek waar haar mond zat. Lastige dingen voor wie vaag in voortekens gelooft. De dag van de operatie ben ik al vroeg op. In de krant lees ik over een vreselijke medische blunder. Chirurgen lieten tijdens een operatie 63 centimeter staaldraad achter, die zich met het hart van de patiënte heeft verstrengeld. Het ziekenhuis, dat niet bij naam wordt genoemd, ligt in het provinciestadje waar ook mijn moeder is opgenomen. Er zijn maar twee ziekenhuizen. Ik zeg het haar niet. Ze voelt zich zo al alsof ze op death row staat. Terwijl zij onder het mes gaat, trek ik de stad in met een somber gevoel. Ik schaf mij een dekbedovertrek aan, klets met de verkoper over de juiste afmetingen van het hoeslaken. Ik koop een telegeleide auto, een stoere Wrangler-jeep. Doelloos rijd ik met dat schaalmodel door de keuken en rond de noveenkaars, die sinds enkele dagen in de veranda brandt. Je doet rare dingen als zelfs de lucht op je drukt. De operatie heeft ongeveer vier uur geduurd. Terug in het ziekenhuis omarm ik de sfeer als een oud familielid met wie ik wel moést opschieten, maar dat ik altijd al verafschuwd heb. Ik ken de geur van deze troosteloze rendez-vouskoten, waar leven en dood hun geheime afspraken beleggen. Het doffe licht dat door de gangen kruipt en weglekt uit de televisieapparaten, die oneindig verafgelegen wereldnieuws murmelen. De verlepte vrouwen in peignoir, die als spoken met infusen aan de hand ronddolen. De huid van jonge verpleegsters onder nauwe uniformen. Vage beloften. Troost die ik als kind nog niet kende, toen mijn vader en mijn grootvader kort na elkaar in ziekenhuizen gingen sterven. Zo ver laten we het dit keer niet komen. Als ik op de deur klop van haar kamer, is mijn moeder pas tien minuten terug uit het operatiekwartier. Ze ziet er bleek uit en abnormaal strak. Toch glimlacht ze naar mij, pijnlijk. "Ik zal niet veel zeggen", fluistert ze. "Maar ik hoor je wel." Haar handen rusten op het kraakwitte laken. Voor het eerst in mijn leven merk ik dat ik die fraaie handen, waarvoor ik al meer complimentjes kreeg dan voor de rest van al mijn lichaamsdelen samen, van haar heb geërfd. Ik zie dat niet graag want ik wil niet op iemand lijken. Gloednieuw wil ik zijn en volstrekt origineel. Niet bepaald door zoiets eigenzinnigs als genen. Ze had om wat lectuur gevraagd. Ik heb HP/De Tijd mee, en Knack. Op beide covers staan toevallig artikels over bloedstollende ingrepen en medische evoluties. Om de ernst wat te breken, nam ik ook Ziezo voor haar mee : een pas verschenen boek met 347 kinderversjes van Annie M.G. Schmidt. Lichte lectuur voor lastige dagen. Moeizaam draait ze haar hoofd om naar de cover. "Staat Sebastiaan erin ?" vraagt ze. "Vast wel", antwoord ik luchtig, en zoek de pagina waar de vermetele spin als een inktvlek in een bladhoek is gestold. En ik begin dat versje voor te lezen, zoals zij het mij zoveel keer heeft voorgedragen, met haar door dictie en voordracht geschoolde stem, in mijn kamer met de patrijspoortspiegel en de gedroogde zeepaardjes aan de muren. Het gedicht leek toen veel langer. Ook verzen krimpen blijkbaar met de jaren, zoals huizen waarin je lang niet meer kwam. "Sebastiaan is ópgeveegd", besluit ik het versje, met diezelfde nadruk die zij dertig jaar geleden op de lettergrepen legde. Ze glimlacht. "Mooi toch", zegt ze. Ik knik. Terwijl ik nog met het boek in mijn handen sta, als een hogepriester van een vreemde liturgie, komt de chirurg de kamer binnen. De operatie, zegt hij, is zo voorspoedig verlopen als maar kan. Die medische blunder, knipoogt hij met een blik naar mijn krant, is trouwens in dat ándere ziekenhuis gebeurd. JEAN-PAUL MULDERS