"Het is raar met dat zoenen", zegt Tomas. "De ene vrouw voelt aan als een span vurige paarden en de andere als een vogeltje dat spartelt in doodsnood. Het klikt of het klikt niet, en klikt het niet, dan blijft het tam gesukkel zonder dat je ooit te weten komt waarom."
...

"Het is raar met dat zoenen", zegt Tomas. "De ene vrouw voelt aan als een span vurige paarden en de andere als een vogeltje dat spartelt in doodsnood. Het klikt of het klikt niet, en klikt het niet, dan blijft het tam gesukkel zonder dat je ooit te weten komt waarom." De laatste keer dat Tomas en ik elkaar zagen, leefde hij met bloeddoorlopen ogen tussen de lege pizzadozen. Nu gaat het beter, het ziet ernaar uit dat hij went aan zijn singlestatus. De haren in zijn nek zijn opgeschoren, hij draagt een dure jas en een overhemd met fantasierijke knopen. Alleen de zenuwtrek rond zijn mond verraadt dat hij met de moed der wanhoop laveert door stormachtig water. We zitten op een terras aan het station. In de voet van de cafétafels zijn straalkachels ingebouwd die oranje oplichten in het duister. Een toegeving wellicht aan de roker, voor ons is het een kans om bij 4° Celsius op een terras te zitten zonder het risico op dubbelefleuris. Achter ons drinken drie Noord-Afrikaanse mannen koffie, ze zijn jong en wakker en ik voel mij een beetje onbehaaglijk bij mijn tripel Karmeliet, restant van een geloof dat tot bieren met gewijde namen is verschrompeld. Mocht ik moslim zijn, ik zou daar misprijzen voor voelen. Ik heb onderwerpen aangesneden als de Arabische Lente, het dieet van Bart De Wever en ten slotte zelfs het wereldbeeld van Astrid Bryan en haar John. Dat alles staat te ver van Tomas af. Telkens buigt hij het gesprek om tot de drie onderwerpen die al zijn aandacht opslorpen, te weten zijn liefdesleven, zijn liefdesleven en zijn liefdesleven. Hij is 35 en heeft momenteel, zonder dat de betrokken partijen dat van elkaar weten, terzelfder tijd iets met een 18-jarig meisje en met een 54-jarige vrouw. De jongste is barely legal en loog over het feit dat zij nog op de middelbare school zit. De oudste is warm en begripvol, maar Tomas verdraagt niet goed dat ze hem aanraakt. Haar handen doen hem denken aan zijn moeder. Dan is er ook nog een kleuterjuf in het spel en een homeopathische vroedvrouw. Ik knik en keur niet af, wat zou ik. Comprendre ne pas juger is niet voor niets het motto dat ik lang geleden van commissaris Maigret heb geleend. Ik zie de koortsige gloed in Tomas' ogen, als van de reporter met een death wish. Ik ben blij dat ik, veteraan van vele oorlogen, die verhalen nu vanuit de luwte kan horen. Ik hoef niet langer in het schootsveld te staan, maar volg via Facebook en Twitter de veldslagen en schermutselingen. Mooi woord vind ik dat trouwens : schermutseling. Niet zo mooi als schorremorrie, maar mooier dan terugkoppelen of stakeholder. Voor de schoonheid van woorden is Tomas heden echter gesloten. Zoals wel meer beklagenswaardigen is hij vergroeid met zijn smartphone, waarover hij zinnelijk veegt en streelt, beurtelings glimlachend, grijnzend en fronsend. Hoe is het mogelijk, vraag ik mij af, dat hij zich van zorgzaam architect ontpopt heeft tot twijfelachtig rokkenjager ? Hoe is zijn zelfbeeld zo gekneusd geraakt dat het door al die vrouwen moet worden opgekalefaterd, gelikt als de postzegels op een melige kerstkaart ? Het is laat, we hebben gedronken, de beeldspraak mag al eens minder baanvast worden. Tomas legt mij zijn strapatsen voor met een mengeling van trots en schaamte, als verwacht hij raad of soelaas. Ik geloof echter dat je ervaring niet kan overdragen, maar dat elke mens ze noodgedwongen voor zichzelf vergaart. Na een glas te veel Côtes du Rhône van een twijfelachtig château komt het naar boven : dat hij al die onderscheidenlijke vrouwen, de jonge zowel als de oude, ogenblikkelijk en zonder spijt zou inruilen als de verloren geliefde maar terugkwam : zij die slim was & grappig & prachtig, in die mate dat hij nu lookalikes van haar zoekt die dan natuurlijk telkens tegenvallen. "Na haar," verkondigt hij plechtstatig, "klinkt elk hoogtepunt als het gekakel van een haan die voor een middelmatige bereiding in de wijn is gesmoord. Zijn ogen staan hol, en over zijn gezicht met het gecultiveerde baardje glijdt een schaduw als uit De Schreeuw van Edvard Munch. Ik hoop dat Tomas, want hij is tenslotte een vriend, op een goede dag dat alles achter zich zal laten en mij zal voorstellen aan de nieuwe ware, die heldere ogen heeft en het soort glimlach dat je slechts in talrijke levens bijeen kunt sparen. Waarna het snel zal gaan, zoals wel vaker. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul MuldersHOE IS ZIJN ZELFBEELD ZO GEKNEUSD GERAAKT DAT HET DOOR AL DIE VROUWEN MOET WORDEN OPGEKALEFATERD, GELIKT ALS DE POSTZEGELS OP EEN MELIGE KERSTKAART ?